Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2147

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201402371/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Binnenstad-Westluidense Poort" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201402371/2/R2.

Datum uitspraak: 3 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1. [verzoeker sub 1A] en [verzoeker sub 1B], wonend te Tiel,

2. het Buurt Commitee Westluidensepoort, gevestigd te Tiel,

3. [verzoeker sub 3], wonend te Tiel,

4. [verzoeker sub 4A] en [verzoeker sub 4B], wonend te Tiel,

en

het college van burgemeester en wethouders van Tiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2014 heeft het college het wijzigingsplan "Binnenstad-Westluidense Poort" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [verzoekers sub 1], het buurtcomité, [verzoeker sub 3] en [verzoekers sub 4] beroep ingesteld.

Zij hebben tevens de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 16 mei 2014, waar [verzoekers sub 1], vertegenwoordigd door mr. drs. J.M. Stedelaar, bijgestaan door ing. F.P. van der Velden, [verzoeker sub 3], het buurtcomité, vertegenwoordigd door A.D. Pieterse, [verzoekers sub 4], vertegenwoordigd door mr. J.H. van Meurs, en het college, vertegenwoordigd door ing. A.J. Teunissen en M.C. Vos, beiden werkzaam bij de gemeente, en mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de besloten vennootschap VolkerWessels Bouw & Vastgoedontwikkeling B.V. gevestigd te Rijssen, vertegenwoordigd door mr. R.J.H. Minkhorst, advocaat te Nijmegen, bijgestaan door P.L.A. Ritsen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2. Het wijzigingsplan voorziet in het realiseren van culturele voorzieningen, een openbare parkeergarage en woningen.

Verzoek [verzoekers sub 1]

3. [verzoekers sub 1] richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Gemengd 6" betreffende gronden aan de Kloosterstraat in het noordelijk deel van het plangebied, omdat geen goothoogte is opgenomen voor de beoogde nieuwbouw. Hierdoor is het mogelijk om een recht opgetrokken gebouw van 10 m hoog te realiseren. Zij vrezen voor een vermindering van zonlicht en daglichttoetreding op hun dakterrras en in hun woning aan de [locatie 1]te Tiel.

4. Het college stelt zich op het standpunt dat [verzoekers sub 1] geen spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening.

5. De voorzitter overweegt dienaangaande dat ter plaatse van het plandeel waar het verzoek op ziet op dit moment een bibliotheek is gevestigd. In de toekomst zal de bibliotheek worden verplaatst naar het zogenoemde cultuurcluster dat in het zuidelijk deel van het plangebied zal worden gerealiseerd. Het college heeft verklaard dat niet eerder dan nadat het zogenoemde cultuurcluster is gerealiseerd en de bibliotheek van de Kloosterstraat naar het cultuurcluster is verplaatst de herontwikkeling van bedoelde gronden ter hand zal worden genomen. In het zuidelijk deel van het plangebied zullen gebouwen moeten word gesloopt, de bodem moeten worden gesaneerd en gebouwen worden gerealiseerd. Ter zitting is aangegeven dat het cultuurcluster op zijn vroegst over anderhalf jaar, begin 2016, gereed zal zijn. Voor de ontwikkeling van het zuidelijk deel van het plangebied wordt op dit moment een aanvraag voor een omgevingsvergunnig voorbereid. De ontwikkeling van het noordelijk deel van het plangebied waar het verzoek op ziet, wordt hierbij niet betrokken. Gelet hierop is naar het oordeel van de voorzitter met het verzoek van [verzoekers sub 1] geen spoedeisend belang gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt. De voorzitter wijst er ten overvloede nog op dat, mochten de omstandigheden zich wijzigen, [verzoekers sub 1] zo nodig een nieuw verzoek om een voorlopige kunnen indienen.

6. Het verzoek van [verzoekers sub 1] wordt afgewezen.

Verzoek van [verzoekers sub 4]

7. Het college heeft betoogd dat [verzoekers sub 4] geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit, omdat zij te ver van het plangebied wonen en geen zicht daarop hebben. Om die reden zullen zij, volgens het college, in de bodemprocedure niet-ontvankelijk worden verklaard en dient het verzoek reeds om die reden te worden afgewezen.

8. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb kan een belanghebbende beroep bij de Afdeling instellen tegen het besluit omtrent wijziging of uitwerking van een bestemmingsplan overeenkomstig artikel 3.6, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

9. [verzoekers sub 4] wonen op een afstand van ongeveer 600 meter en enkele honderden meters van het plan. Vanuit hun woning hebben zij geen zicht op de bestreden plandelen. Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op de door [verzoekers sub 4] bestreden plandelen mogelijk worden gemaakt is deze afstand naar het voorlopig oordeel van de voorzitter te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter dat in de hoofdzaak het beroep van [verzoekers sub 4] niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop dient het verzoek van [verzoekers sub 4] te worden afgewezen.

Verzoeken van het buurtcomité en [verzoeker sub 3]

10. Het buurtcomité en [verzoeker sub 3] hebben veelal gelijkluidende beroepsgronden naar voren gebracht.

11. De raad stelt zich op het standpunt dat het buurtcomité niet als belanghebbende kan worden aangemerkt.

12. Ingevolge artikel 1:2, derde lid, van de Awb worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

13. Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

14. Het staat vast dat het buurtcomité niet is opgericht bij notariële akte en dat zij niet beschikt over statuten. Het buurtcomité kan niettemin deelnemen aan dit geding, indien zij is aan te merken als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 12 maart 2008 in zaak nr. 200704378/1 is daartoe onder meer vereist dat het om een organisatorisch verband moet gaan dat is opgericht voor een bepaald doel, zodat sprake moet zijn van regelmatige ledenvergaderingen, een bestuur en een samenwerking die op enige continuïteit is gericht. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat het buurtcomité voldoet aan de vereisten om te kunnen worden aangemerkt als een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Naar voorlopig oordeel van de voorzitter kan het buurtcomité derhalve niet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb. Gelet op het voorgaande verwacht de voorzitter dat in de hoofdzaak het beroep van het buurtcomité niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Gelet hierop wordt het verzoek van het buurtcomité afgewezen.

15. [verzoeker sub 3], die woont aan de [locatie 2], kan zich niet verenigen met het wijzigingsplan en vreest voor onomkeerbare gevolgen.

15.1. [verzoeker sub 3] betoogt dat het college onvoldoende met hem heeft gecommuniceerd gedurende de procedure, terwijl bekend was dat de omwonenden van het plangebied zich al jarenlang verzetten tegen de plannen. Vast staat dat het college de wettelijk voorgeschreven voorbereidingsprocedure heeft doorlopen. De voorzitter verwacht niet dat de Afdeling in de bodemprocedure zal oordelen dat gelet op de door [verzoeker sub 3] naar voren gebrachte bezwaren het besluit niet overeenkomstig de wettelijke eisen tot stand is gekomen.

16. Voor zover [verzoeker sub 3] betoogt dat er sprake is van korte afstanden tussen de bebouwing die met het plan mogelijk wordt gemaakt en zijn woning aan de Westluidensestraat, stelt de voorzitter vast dat aan de gronden tegenover de woning van [verzoeker sub 3] een verkeersbestemming is toegekend en geen bebouwing meer mogelijk is, zodat deze grond geen aanleiding geeft voor de verwachting dat het bestreden besluit in de hoofdzaak niet in stand blijft.

17. [verzoeker sub 3] kan zich niet verenigen met het plan omdat er een wijziging optreedt in de verkeersafwikkeling in het plangebied, te weten het afsluiten van de Koninginnestraat, de komst van een parkeergarage en een toename van verkeer. Voorts wijst [verzoeker sub 3] erop dat er geen rekening is gehouden met het autoluw maken van de Waalkade. Wat de verkeersveiligheid betreft wordt aangevoerd dat de zwakkere verkeersdeelnemers een groter risico lopen door het creëren van een zogenoemde "shared space". Ten slotte betoogt [verzoeker sub 3] dat het zonder reden onmogelijk wordt gemaakt om te parkeren in het doodlopende deel van de Westluidensestraat,

17.1. Voor zover [verzoeker sub 3] betoogt dat het zonder reden onmogelijk wordt gemaakt om te parkeren in het doodlopende deel van de Westluidensestraat, overweegt de voorzitter dat het al dan niet afsluiten van dit deel van de Westluidensestraat niet in het wijzigingsplan is geregeld, zodat dit betoog thans buiten beschouwing zal blijven.

17.2. Het college stelt dat de verkeersaantrekkende werking van het wijzigingsplan per dag circa 500 in- en uitrijdende verkeersbewegingen bedraagt. Dit verkeer kan alleen via de rotonde aan de zuidzijde van de Rechtbankstraat de voorziene parkeergarage inrijden en zal zich daarom niet verder het plangebied in bewegen richting de woning van [verzoeker sub 3] aan de andere zijde van het plangebied. Wat betreft het autoluw maken van de Waalkade wijst het college erop dat dit geen onderdeel van het wijzigingsplan is. Voor zover er sprake is van doorgaand verkeer door het plangebied, stelt het college dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat het doorgaande verkeer ten opzichte van de huidige situatie zal toenemen. De enige verandering is dat het doorgaande verkeer niet meer via de Koninginnestraat zal rijden maar via de Huf van Burenstraat. In de Huf van Burenstraat zal een zogenoemde "shared space" worden ingericht, dat wil zeggen een verkeerszone die is gericht op gebruik door diverse verkeersdeelnemers (auto’s, fietsers en voetgangers). Het college wijst erop dat uit onderzoek blijkt dat dit principe juist leidt tot een grotere verkeersveiligheid, ook voor langzame verkeersdeelnemers. De voorzitter ziet gelet op het voorgaande voorshands in hetgeen terzake door [verzoeker sub 3] is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het college uit oogpunt van verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid het plan niet had mogen vaststellen.

18. Voor zover [verzoeker sub 3] aanvoert dat de economische uitvoerbaarheid van het plan onvoldoende is geborgd, overweegt de voorzitter dat in de plantoelichting wordt verwezen naar de op 15 december 2010 door de raad van de gemeente Tiel vastgestelde Businesscase Westluidense Poort. Het college heeft toegelicht dat met dat besluit het volledige uitvoeringsbudget dat nodig is voor de realisatie van het plan in de gemeentelijke begroting is opgenomen. Daarnaast bestaat de Businesscase uit de inventarisatie van risico’s. Ook daarvoor is aldus het college een reservering in de gemeentelijke begroting opgenomen. Gelet hierop ziet de voorzitter in hetgeen [verzoeker sub 3] heeft aangevoerd vooralsnog geen aanleiding om aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan te twijfelen.

19. Gelet op het voorgaande wijst de voorzitter het verzoek van [verzoeker sub 3] af.

Proceskostenveroordeling

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Ouwehand

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2014

224.