Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2127

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201310875/1/R4 en 201310875/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiepark d'Olde Kamp te Ansen" partieel hervastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310875/1/R4 en 201310875/2/R4.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Awb) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de stichting Stichting Mooi Ansen, gevestigd te Ansen, gemeente De Wolden,

appellante,

en

de raad van de gemeente De Wolden,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 10 oktober 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Recreatiepark d'Olde Kamp te Ansen" partieel hervastgesteld.

Tegen dit besluit heeft de Stichting beroep ingesteld.

De Stichting heeft voorts de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 6 februari 2014, waar de Stichting, vertegenwoordigd door mr. M.T. Hoen, advocaat te Gorredijk, en de raad, vertegenwoordigd door J. Nijzing, werkzaam bij de gemeente, en drs. S.B.W. Hammink, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Recreatiepark d’Olde Kamp, vertegenwoordigd door H.P. van Zanten, gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Het plan

2. Bij uitspraak van 10 juli 2013 in zaak nr. 201200312/1/R4 heeft de Afdeling het besluit van de raad van 27 oktober 2011 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Recreatiepark d'Olde Kamp te Ansen" op drie punten vernietigd. In deze uitspraak oordeelde de Afdeling, voor zover hier van belang, dat de artikelen 4, 5 en 6 van de planregels niet garanderen dat de maatregelen die de raad noodzakelijk acht ter voorkoming van de verstoring van diersoorten door verlichting op het recreatiepark, zoals vermeld in het door Oranjewoud B.V. opgestelde rapport "Uitbreiding recreatiepark d’Olde Kamp Ansen, Toetsing Natuurwetgeving" van mei 2008, zoals gewijzigd in augustus 2011 (hierna: de Natuurtoets), daadwerkelijk worden getroffen. De Afdeling heeft de artikelen 4, 5 en 6 van de planregels dan ook vernietigd, voor zover daarin niet was voorzien in een bindende regeling om het treffen van maatregelen ter voorkoming van lichtuitstraling te verzekeren. De Afdeling heeft daarbij de raad opgedragen om binnen 16 weken na de uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen.

Met het besluit van 10 oktober 2013 heeft de raad beoogd het besluit voor zover vernietigd op onder meer voornoemd punt te repareren. Het plan maakt een uitbreiding van het bestaande recreatiepark d’Olde Kamp te Ansen, gemeente de Wolden, mogelijk met 125 recreatiewoningen en de desbetreffende bijbehorende voorzieningen.

Inhoudelijk

3. De Stichting betoogt dat in het bij het bestreden besluit gewijzigde artikel 4, leden 4.1, 4.4 en 4.5, artikel 5, leden 5.1, 5.5 en 5.6, en artikel 6, leden 6.1 en 6.4, van de planregels ten onrechte wordt afgeweken van de maatregelen zoals voorgesteld in de Natuurtoets. Hierdoor is volgens haar niet voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 10 juli 2013 om in de planregels te garanderen dat de maatregelen ter voorkoming van lichthinder zoals vermeld in de Natuurtoets daadwerkelijk worden getroffen. De Stichting wijst in het bijzonder op het toestaan van verlichting van vliegroutes, hop-overs en nesten in de planregels, waarbij de voorwaarde van noodzakelijkheid vanuit sociaal oogpunt of verkeersveiligheid ontbreekt.

De Stichting kan zich voorts niet verenigen met de in voornoemde planregels opgenomen zinsnede "op zodanige wijze dat deze niet meer door vogels en vleermuizen zullen worden gebruikt", nu een voorwaarde dat eventuele verlichting de aanwezige diersoorten niet mag storen, ontbreekt.

De Stichting voert tot slot aan dat in de planregels ten onrechte een onderscheid wordt gemaakt tussen het aanbrengen van nieuwe verlichting en het vervangen van bestaande verlichting en dat een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werkzaamheden in artikel 6 van de planregels ontbreekt.

3.1. De raad stelt dat de opgenomen planregeling het aanbrengen van verlichting concreet en toetsbaar maakt, doordat verlichting slechts kan worden aangebracht indien uit een door een deskundige opgestelde verklaring blijkt dat deze de vliegroutes, hop-overs, nesten en foerageergebieden van vogels en vleermuizen niet zodanig zal verstoren dat het gebruik hiervan afneemt.

3.2. In de artikelen 4, lid 4.1, onder h, 5, lid 5.1, onder e, en 6, lid 6.1, onder e, van de planregels is met het bestreden besluit toegevoegd dat de gronden met de bestemmingen "Recreatie-1", "Recreatie-2" en "Verkeer" mede zijn bestemd voor het behoud van bestaande natuurwaarden, waaronder met name wordt begrepen het behoud van vliegroutes, hop-overs, nesten en foerageergebieden van vogels en vleermuizen binnen en buiten deze bestemmingen;

met het oog hierop mogen:

- vliegroutes, 'hop-overs', nesten van vogels en vleermuizen binnen en buiten deze bestemmingen niet, dan wel uitsluitend op zodanige wijze worden verlicht door of vanwege openbare verlichting, terreinverlichting dan wel andere kunstmatige verlichting, dat deze niet meer door vogels en vleermuizen zullen worden gebruikt;

- foerageergebieden van vogels en vleermuizen binnen deze bestemmingen niet, dan wel uitsluitend op zodanige wijze worden verlicht door of vanwege openbare verlichting, terreinverlichting dan wel andere kunstmatige verlichting, dat deze niet meer door vogels en vleermuizen zullen worden gebruikt;

- foerageergebieden van vogels en vleermuizen in de omgeving vanwege openbare verlichting, terreinverlichting dan wel andere kunstmatige verlichting, niet worden verlicht.

Ingevolge lid 4.4, onder e, lid 5.5, onder d, en lid 6.4, wordt tot een strijdig gebruik met de desbetreffende bestemmingen gerekend, het plaatsen van verlichting op gronden en/of aan bouwwerken, niet zijnde vervanging van reeds voor het van kracht worden van dit bestemmingsplan aanwezige verlichting, waardoor:

a. vliegroutes, hop-overs en nesten van vogels en vleermuizen binnen en buiten het plangebied en foerageergebied van vogels en vleermuizen gelegen binnen het plangebied niet meer als zodanig zullen worden gebruikt;

b. foerageergebieden van vogels en vleermuizen buiten het plangebied worden verlicht.

Met het oog op het hiervoor gestelde dient, indien na het in werking treden van dit bestemmingsplan nieuwe verlichting wordt aangebracht (binnen de desbetreffende bestemmingen), uit een door een deskundige opgestelde verklaring of rapport te blijken, dat deze verlichting de vliegroutes, hop-overs en nesten van vogels en vleermuizen en foerageergebieden van vogels en vleermuizen niet zodanig zullen verstoren dat het gebruik hiervan afneemt.

Tot slot zijn met het bestreden besluit de voorwaarden die gesteld worden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden in artikel 4, lid 4.5, en artikel 5, lid 5.6, van de planregels uitgebreid en is een omgevingsvergunningplicht voor het verwijderen van beplanting opgenomen in artikel 5, lid 5.6, van de planregels.

3.3. In de Natuurtoets is de verstoring van diersoorten als gevolg van verlichting op het terrein onderzocht. Hierin wordt aanbevolen bij het aanbrengen van verlichting zoveel mogelijk rekening te houden met aanwezige vliegroutes en verblijfplaatsen van vogelsoorten als de Steenuil. Vliegroutes, hop-overs, en nesten van vogels blijven daarbij onverlicht. Indien vanuit sociaal oogpunt of verkeersveiligheid verlichting noodzakelijk is, wordt aangepaste verlichting (beperkte uitstraling) toegepast. Verder dienen belangrijke in de omgeving liggende foerageergebieden onverlicht te blijven, aldus de Natuurtoets.

Zoals volgt uit de uitspraak van 10 juli 2013 acht de raad voornoemde maatregelen uit de Natuurtoets noodzakelijk ter voorkoming van verstoring van diersoorten op het terrein en zijn deze maatregelen op zichzelf niet in geschil.

3.4. Naar het oordeel van de voorzitter zien de maatregelen uit de Natuurtoets op het aanbrengen van nieuwe verlichting en niet op het vervangen van de reeds bestaande verlichting, zodat de raad hiertussen, gelet op het bepaalde in artikel 4, lid 4.4, artikel 5, lid 5.5, en artikel 6, lid 6.4, van de planregels in redelijkheid een onderscheid heeft kunnen maken.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat de bestemming "Recreatie - 1" is opgenomen voor dat deel van het recreatiepark dat reeds is gerealiseerd op grond van het vorige bestemmingsplan en niet voorziet in een nieuwe ontwikkeling. Voorts is de bestemming "Verkeer" opgenomen voor een bestaande weg met reeds aanwezige verlichting. De Stichting heeft, gezien de strekking van de Natuurtoets op dit punt, niet aannemelijk gemaakt dat artikel 4, leden 4.1, 4.4 en 4.5, en artikel 6, leden 6.1 en 6.4, van de planregels onvoldoende garanderen dat maatregelen tegen lichthinder voor de gronden met de bestemmingen "Recreatie - 1" en "Verkeer" worden getroffen.

Voor zover de Stichting betoogt dat in artikel 6 van de planregels ten onrechte een omgevingsvergunningstelsel voor het uitvoeren van werkzaamheden ontbreekt, ziet de voorzitter in hetgeen de Stichting heeft aangevoerd, gezien de reeds bestaande weg en de toelichting van de raad ter zitting dat ter plaatse geen beplanting aanwezig is, geen aanleiding voor het oordeel dat de raad hiervan niet in redelijkheid heeft kunnen afzien.

3.5. Ten aanzien van de bestemming "Recreatie - 2", welke onder meer voorziet in de uitbreiding van het recreatiepark met 125 recreatiewoningen, overweegt de voorzitter als volgt.

Het uitgangspunt dat volgt uit de Natuurtoets is dat vliegroutes, hop-overs en nesten van vogels onverlicht blijven. Alleen indien verlichting vanuit sociaal oogpunt of verkeersveiligheid noodzakelijk is, kan volgens de Natuurtoets aangepaste verlichting worden toegepast. De raad heeft beoogd het voorgaande vast te leggen in artikel 5, lid 5.5, van de planregels.

De in de Natuurtoets genoemde voorwaarde van noodzakelijkheid van de aan te brengen verlichting vanuit sociaal oogpunt of verkeersveiligheid ontbreekt in voornoemde planregel. De raad heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat het opnemen van voornoemde voorwaarde niet nodig is, nu met het opnemen van de zinsnede "op zodanige wijze dat deze niet meer door vogels en vleermuizen zullen worden gebruikt" en het vereiste van het raadplegen van een deskundige voldoende is gewaarborgd dat geen verstoring van de desbetreffende diersoorten als gevolg van verlichting plaatsvindt. Voornoemde zinsnede biedt naar het oordeel van de voorzitter meer ruimte dan het uitgangspunt van de Natuurtoets, namelijk dat vliegroutes, hop-overs en nesten van vogels onverlicht blijven, en slechts hiervan kan worden afgeweken indien dit noodzakelijk is vanuit sociaal oogpunt of verkeersveiligheid. Gelet hierop garandeert artikel 5 van de planregels niet dat de maatregelen, die de raad noodzakelijk acht ter voorkoming van de verstoring van diersoorten door verlichting op het terrein, zoals vermeld in de Natuurtoets, worden getroffen.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan, voor zover artikel 5 van de planregels niet voorziet in een bindende regeling om het treffen van maatregelen ter voorkoming van lichtuitstraling te verzekeren, strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond is terecht voorgedragen. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening tot stand gekomen.

4. De voorzitter ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De voorzitter zal daartoe een termijn stellen.

De raad dient daartoe met inachtneming van hetgeen onder 3.5 is overwogen in artikel 5 van de planregels te garanderen dat de maatregelen, die de raad noodzakelijk acht ter voorkoming van de verstoring van diersoorten door verlichting op het terrein, zoals vermeld in de Natuurtoets, daadwerkelijk worden getroffen en het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken.

5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding om het verzoek van de Stichting om het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, teneinde te voorkomen dat de gewijzigde artikelen 4, 5 en 6 van de planregels in werking treden, af te wijzen.

De voorzitter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:80b, derde lid, van de Awb te treffen.

6. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente De Wolden op om binnen 16 weken na de verzending van deze tussenuitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen:

- het besluit van 10 oktober 2013 te herstellen op een wijze als bedoeld in rechtsoverweging 4 en de wijziging van het besluit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

- de Afdeling de uitkomst mede te delen;

II. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat in artikel 5, lid 5.5, van de planregels komt te staan dat het aanbrengen van nieuwe verlichting alleen is toegestaan indien dit noodzakelijk is vanuit sociaal oogpunt of verkeersveiligheid;

III. bepaalt dat de onder II opgenomen voorlopige voorziening vervalt op het tijdstip van inwerkingtreding van het door de raad vast te stellen besluit als bedoeld onder I;

IV. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A. Verhoeven, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Verhoeven

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

690.