Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201309961/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om vergoeding van schade wegens de wijziging van een ontgrondingenvergunning afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Ontgrondingenwet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/597
JM 2014/109 met annotatie van H.S. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309961/1/A2.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, wonend te Nieuwerkerk aan den IJssel,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 februari 2013 heeft het college het verzoek van [appellant] en anderen om vergoeding van schade wegens de wijziging van een ontgrondingenvergunning afgewezen.

Bij besluit van 18 juli 2013, verzonden op dezelfde dag, heeft het college het door [appellant] en anderen hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 mei 2014, waar [appellant] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Brouwer, werkzaam bij Vijverberg Juristen, en P. Dahm, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 6 juli 1999 heeft het college aan [belanghebbende] onder voorschriften een ontgrondingenvergunning verleend voor zandwinning in de Zevenhuizerplas. In die vergunning is bepaald dat niet meer dan 12,5 miljoen kubieke meter zand mag worden gewonnen. Bij besluit van 31 januari 2011 heeft het college op grond van artikel 8, tweede lid, van de Ontgrondingenwet die ontgrondingenvergunning gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging is onder meer dat sinds de verlening van de ontgrondingenvergunning zich oevervallen hebben voorgedaan wegens instabiliteit van een onder water gelegen zandtalud. In het besluit van 31 januari 2011 is daarom voor de onderwatertaluds van het nog te vergraven zandpakket onder meer voorgeschreven dat deze taluds vanaf het moment van het van kracht worden van dit besluit een taludhelling van 1:6 niet mogen onderschrijden.

2. [belanghebbende] heeft op 26 augustus 2010 de zandwinning beëindigd. In totaal is een hoeveelheid van 9.116.650 m3 zand gewonnen, derhalve 3.386.350 m3 minder dan maximaal was toegestaan in de ontgrondingenvergunning van 6 juli 1999.

3. [appellant] en anderen zijn voormalige eigenaren van gronden in het zandwingebied Zevenhuizerplas. Zij stellen als gevolg van het besluit van 31 januari 2011 schade, groot € 236.645,42, te hebben geleden. Daartoe stellen zij dat bij de verkoop van hun gronden is overeengekomen dat naast een vast bedrag, een bedrag zou worden betaald per kubieke meter gewonnen zand. Doordat [belanghebbende] 3.386.350 m3 minder zand heeft gewonnen, hebben [appellant] en anderen een lagere vergoeding ontvangen.

4. Het college heeft het verzoek aangemerkt als een verzoek om nadeelcompensatie op grond van het beginsel van gelijkheid voor de openbare lasten. Het college heeft het bezwaar tegen de afwijzing van het verzoek, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie van 14 juni 2013, ongegrond verklaard, omdat de gestelde schade niet het rechtstreekse gevolg is van het besluit van 31 januari 2011. De schade is het directe gevolg van de beslissing van [belanghebbende] om de zandwinning te beëindigen wegens de bodemgesteldheid ter plaatse. Het besluit van 31 januari 2011 stond niet aan verdere zandwinning in de weg. Volgens het college komt de gestelde schade voor risico van [appellant] en anderen, nu in de overeenkomst geen te verwachten dan wel minimale hoeveelheid te winnen zand is opgenomen en zij daarmee het risico hebben aanvaard dat de inkomsten vooraf niet inzichtelijk waren en derhalve minder voordelig konden uitpakken dan verwacht.

5. In beroep voeren [appellant] en anderen aan dat het college het verzoek om schadevergoeding ten onrechte heeft afgewezen. Daartoe voeren zij aan dat het college ten onrechte hun belangen niet heeft meegewogen bij het nemen van het besluit van 31 januari 2011.

5.1. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat zij aanspraak maken op schadevergoeding omdat het besluit van 31 januari 2011 niet rechtmatig is wegens onder meer de onevenredigheid en ontoereikende motivering ervan, kan dat niet tot het beoogde resultaat leiden. Bij uitspraak van 15 augustus 2012 in zaak nr. 201103453/1/R4 heeft de Afdeling slechts de aan het besluit van 31 januari 2011 verbonden voorschriften 1.19 en 11.10 vernietigd. Deze voorschriften zagen op de situatie na beëindiging van de zandwinning, namelijk op de verplichting een risicoanalyse uit te voeren en herstelwerkzaamheden te verrichten. Het besluit, voor zover daarin is voorgeschreven dat voor de onderwatertaluds van het nog te vergraven zandpakket een taludhelling van 1:6 niet mag worden onderschreden, is in stand gebleven. Dit brengt mee dat het besluit van 31 januari 2011 in zoverre in rechte onaantastbaar is en thans van de rechtmatigheid ervan, zowel wat betreft inhoud, als wat betreft de wijze van tot stand komen, wordt uitgegaan. Niet valt in te zien derhalve dat [appellant] en anderen recht op schadevergoeding zouden hebben, omdat bij het nemen van het besluit van 31 januari 2011 ten onrechte geen rekening is gehouden met hun financiële belangen.

6. [appellant] en anderen voeren verder aan dat het college hun verzoek om schadevergoeding ten onrechte niet heeft aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding als bedoeld in artikel 26 van de Ontgrondingenwet.

6.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Ontgrondingenwet wordt, voor zover blijkt dat de aanvrager, de houder van de vergunning of degene die overeenkomstig afdeling 3.4 of afdeling 4.1.2 van de Algemene wet bestuursrecht zijn zienswijze naar voren heeft gebracht, ten gevolge van een beschikking ter zake van een ontgronding als bedoeld in artikel 8 schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende op andere wijze is verzekerd, hem een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toegekend, en wel door het college van gedeputeerde staten ten laste van de provinciale kas, indien het betreft een ontgronding als bedoeld in artikel 8, tweede lid.

Ingevolge het tweede lid kan de vergoeding worden toegekend, hetzij bij de beschikking inzake de vergunning, hetzij bij afzonderlijke beschikking.

Ingevolge artikel 28 van de Ontgrondingenwet kan, indien bij een beschikking als bedoeld in artikel 8 geen vergoeding is toegekend, zij worden aangevraagd.

6.2. [appellant] en anderen hebben geen zienswijze ingebracht tegen de ontwerp-ontgrondingsvergunning. Voor zover zij stellen dat de Stichting Platform Achternesse wel een zienswijze heeft ingediend, is van belang dat uit de ondertekening niet blijkt dat deze zienswijze mede namens hen is ingediend. Er is voorts geen grond voor het oordeel dat de belangen van [appellant] en anderen zo verweven zijn en parallel lopen aan dat van de Stichting Platform Achternesse, dat [appellant] en anderen in dit opzicht met de Stichting kunnen worden vereenzelvigd. Artikel 26 in samenhang met artikel 28 van de Ontgrondingenwet kan in dit geval derhalve niet als basis dienen voor het toekennen van schadevergoeding. Nu het besluit van 31 januari 2011, met uitzondering van eerder genoemde voorschriften, in rechte onaantastbaar is en van de rechtmatigheid ervan wordt uitgegaan, brengt dit mee dat het college het verzoek terecht heeft aangemerkt als een verzoek om toekenning van nadeelcompensatie gebaseerd op het algemene rechtsbeginsel van gelijkheid voor de openbare lasten.

Het betoog faalt.

7. [appellant] en anderen betogen voorts dat het college heeft miskend dat de gestelde schade het gevolg is van het besluit van 31 januari 2011. Daartoe stellen zij dat als gevolg van dit besluit de nog winbare hoeveelheid zand met 3,3 miljoen m3 afnam en zij daardoor schade hebben geleden.

7.1. [appellant] en anderen kunnen aan de overeenkomst geen enkel recht ontlenen wat betreft de hoeveelheid te winnen zand. In zoverre hebben zij geen schade geleden. Dat zij bij het sluiten van de overeenkomst er kennelijk vanuit gingen dat de maximaal toegestane hoeveelheid te winnen zand in de ontgrondingenvergunning van 6 juli 1999, ook daadwerkelijk zou worden gewonnen, komt voor hun rekening en is geen omstandigheid die valt toe rekenen aan het besluit van 31 januari 2011.

Voor zover [appellant] en anderen in dit verband verder betogen dat het college bij het besluit van 31 januari 2011 de contouren van de zandwindput had moeten wijzigen, zodat toch de eerder maximaal vergunde hoeveelheid te winnen zand daadwerkelijk zou kunnen worden gewonnen, treft dit geen doel. Zoals is betoogd onder 5.1. dient van de rechtmatigheid van het besluit van 31 januari 2011, met uitzondering van genoemde voorschriften, te worden uitgegaan en valt niet in te zien dat het college andere dan door de Ontgrondingenwet te beschermen, had moeten betrekken. Voorts is van belang dat het besluit van 31 januari 2011 niet in de weg stond aan verdere zandwinning door [belanghebbende] De beslissing om de zandwinning te beëindigen zes maanden voor het van kracht worden van het besluit van 31 januari 2011 is genomen door [belanghebbende] Dat, zoals [appellant] en anderen betogen, die beslissing mede was ingegeven door de bij uitspraak van 15 augustus 2012 onrechtmatig geoordeelde voorschriften, betekent niet dat de gestelde schade daarmee het rechtstreekse gevolg kan worden geacht van het besluit van 31 januari 2011.

De slotsom is dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de gestelde schade en het besluit van 31 januari 2011.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Planken

Voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

299.