Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2121

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201309661/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:12241, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 november 2012 heeft de staatssecretaris een verzoek om toekenning van een vergoeding van € 60,00 afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2015/27 met annotatie van T. Barkhuysen
JB 2014/157
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309661/1/A2.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 september 2013 in zaak nr. 13/3059 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 15 november 2012 heeft de staatssecretaris een verzoek om toekenning van een vergoeding van € 60,00 afgewezen.

Bij besluit van 8 maart 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

Desgevraagd hebben partijen toestemming verleend, als bedoeld in artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), om in het geding uitspraak te doen zonder zitting. Vervolgens heeft de Afdeling bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Op 1 mei 2012 is de Wet van 29 september 2011 tot wijziging van de Wet wapens en munitie, houdende een volledig verbod van stiletto’s, valmessen en vlindermessen en verduidelijking van de Wet wapens en munitie in werking getreden.

2. Bij besluit van 4 oktober 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om ontheffing als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Wet wapens en munitie (Wwm) ten behoeve van twee aan de politie in bewaring gegeven messen, afgewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Dit besluit is, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer uitspraak van 28 februari 2007 in zaak nr. 200606016/1, in rechte onaantastbaar. Derhalve moet van de rechtmatigheid ervan, zowel wat de inhoud als wat de wijze van tot stand komen betreft, worden uitgegaan.

3. Bij besluit van 15 november 2012 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om vergoeding van de schade, ontstaan door de weigering om ontheffing te verlenen en het daarop volgende verlies van eigendom van het door [appellant] in bewaring gegeven vlindermes en stiletto.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde schade binnen het normaal maatschappelijk risico van [appellant] valt. De omvang van de gestelde schade, € 60,00, is gering en daarbij had [appellant] rekening kunnen houden met de kans dat strengere regels zouden worden gesteld ten aanzien van het bezit van dit soort wapens. De omstandigheid dat [appellant] gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om zijn wapens in bewaring te geven voordat het verbod van kracht zou worden, maakt niet dat [appellant] aanspraak kan maken op nadeelcompensatie.

5. Voor zover [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij aanspraak maakt op nadeelcompensatie, omdat er geen deugdelijk onderzoek is gedaan of deze messen een maatschappelijk probleem vormen en er ook overigens geen grondslag bestaat voor het verbieden van deze messen, treft dit niet het gewenste doel. Nu van de rechtmatigheid van het besluit van 4 oktober 2012 moet worden uitgegaan, was de rechtbank derhalve niet gehouden inhoudelijk in te gaan op het verzoek om schadevergoeding, voor zover [appellant] daaraan alsnog de gestelde onrechtmatigheid van het besluit van 4 oktober 2012 ten grondslag heeft gelegd.

6. Ook het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat ten tijde van de aankoop van zijn messen het verbod op het bezit van niet de messen niet voorzienbaar was, treft geen doel. De rechtbank heeft niet overwogen dat het verbod op het bezit van vlindermessen en stiletto’s ten tijde van de aankoop voorzienbaar was. De rechtbank heeft wel terecht overwogen dat het verbod op stiletto’s en vlindermessen als een normale maatschappelijke ontwikkeling moet worden aangemerkt en dat de daaruit voortvloeiende schade in zoverre was te voorzien en voor rekening van [appellant] komt, nu de schade, € 60,00, relatief van omvang is. Anders dan [appellant] betoogt, speelt daarbij geen doorslaggevende rol of die ontwikkeling voorzienbaar was ten tijde van de aanschaf van de messen. Bij het normaal maatschappelijk risico gaat het om algemene maatschappelijke ontwikkelingen en nadelen waarmee men rekening kan houden, ook al bestaat geen zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze zich zal concretiseren en de omvang van de nadelen die daaruit eventueel zullen voortvloeien.

7. Anders dan [appellant] betoogt, is het besluit van 15 november 2012 niet in strijd met het in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het Eerste Protocol) neergelegde recht op een ongestoord genot van eigendom.

7.1. Ingevolge artikel 1 van het Eerste Protocol heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht.

7.2. Deze bepaling tast op geen enkele wijze het recht aan dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. In dit geval heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat een volledig verbod van stiletto’s en vlindermessen en het daarop volgende verlies van eigendom van de messen, indien geen ontheffing wordt ontleend, wordt gerechtvaardigd door de bescherming van de openbare orde en veiligheid. Anders dan [appellant] betoogt, is het arrest van 25 januari 2000 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Ian Edgar (Liverpool) Limited tegen het Verenigd Koninkrijk, nr. 37683/97 (www.echr.co.int.), in dit geval niet van toepassing en volgt daaruit niet dat de staatssecretaris gehouden is aan [appellant] een vergoeding toe te kennen. Dat [appellant] - naar eigen zeggen - door het ontbreken van talenkennis en de hoogte van eventuele verzendkosten niet goed in staat is geweest de messen in het buitenland te verkopen, is geen omstandigheid die maakt dat de staatssecretaris het verlies van de messen had dienen te compenseren.

8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Planken

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

299.