Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2114

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201309334/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpskernen I" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/602
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309334/1/R1.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonende te Oostwoud, gemeente Medemblik

en

de raad van de gemeente Medemblik,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Dorpskernen I" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 mei 2014, waar [appellant] en anderen, in de persoon van [gemachtigden], bijgestaan door G.H. Voerman, en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Smak, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. [appellant] en anderen richten zich tegen het plandeel met de bestemming "Recreatie" voor zover dat ziet op het verbod op het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning, ter plaatse van de percelen [locatie 1] tot en met [locatie 2]. Voorts verzoeken zij om aan het bestreden plandeel tevens de bestemming "Wonen" toe te kennen. Zij betogen dat het bestemmingsplan in zoverre in strijd is met provinciaal beleid, nu in de beleidsnotitie "Permanente bewoning van recreatiewoningen", vastgesteld door het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland op april 2005 (hierna: de beleidsnotitie) beleidsregels zijn opgesteld met voorwaarden waaronder recreatiewoningen permanent bewoond kunnen worden, waaraan door in ieder geval enkele bewoners van de percelen [locatie 1] tot en met [locatie 2] volgens [appellant] en anderen voldaan wordt. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat de feitelijke situatie is dat de woningen permanent bewoond worden, dat de woningen hiertoe ook geschikt zijn, dat de woningen deel uitmaken van de bebouwde kom en dat nooit handhavend is opgetreden.

2.1. De raad voert aan dat artikel 18, lid 18.1, van de "Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie", voor het laatst gewijzigd op 8 januari 2013 door provinciale staten van Noord-Holland (hierna: Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie), zich tegen het permanent bewonen van recreatiewoningen verzet.

2.2. Ter plaatse van de woningen van [appellant] en anderen is de bestemming "Recreatie" toegekend.

Ingevolge artikel 15, lid 15.1, van de planregels zijn de voor "Recreatie" aangewezen gronden bestemd voor:

a. dagrecreatieve voorzieningen;

b. recreatiewoningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "recreatiewoning";

Ingevolge lid 15.5 wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Recreatie" in ieder geval gerekend:

a. het gebruik en laten gebruiken van recreatiewoningen voor permanente bewoning;

Ingevolge artikel 21, lid 21.1, zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen […].

2.3. In artikel 18, lid 18.1, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie staat dat een bestemmingsplan niet voorziet in de mogelijkheid van permanente bewoning van recreatiewoningen en stacaravans.

2.4. In de Woonvisie Medemblik 2012-2020, vastgesteld door de raad op 22 november 2012 (hierna: woonvisie), staat dat nog ruimte is voor 170 woningen. Voorts wordt vermeld dat met verzoeken voor de bouw van nieuwe woningen terughoudend wordt omgegaan.

2.5. Voor zover [appellant] en anderen zich richten tegen het verbod op het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning overweegt de Afdeling dat de raad zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 18, lid 18.1, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie aan permanente bewoning van recreatiewoningen in de weg staat. Derhalve heeft de raad terecht in artikel 15, lid 15.5, van de planregels een verbod opgenomen voor het gebruik van recreatiewoningen voor permanente bewoning. Hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd kan, wat daar ook van zij, deze strijd van het permanent bewonen van recreatiewoningen met artikel 18, lid 18.1, van de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie niet wegnemen.

Het betoog faalt.

2.6. De Afdeling overweegt dat de raad noch in het bestreden besluit, noch in de Nota van Zienswijzen, noch in het verweerschrift heeft onderbouwd waarom de bestemming "Wonen" ter plaatse van het bestreden plandeel niet kan worden toegestaan.

Artikel 18, lid 18.1, van de "Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie", voor het laatst gewijzigd op 8 januari 2013 door provinciale staten van Noord-Holland, staat niet aan de bestemming "Wonen" in de weg De raad heeft zich in dit verband niet op enige andere bepaling uit de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie beroepen.

Het betoog slaagt.

2.7. In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie" ter plaatse van de percelen [locatie 1] tot en met [locatie 2], is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

2.8. Ter zitting heeft de raad gemotiveerd waarom de bestemming "Wonen" niet kan worden toegestaan. De Afdeling zal daarom bezien of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Ter zitting heeft de raad betoogd dat de bestemming "Wonen" ter plaatse van het bestreden plandeel niet wenselijk is, omdat dit in strijd komt met de woonvisie. Ook wil de raad de woningen als recreatiewoning behouden. Voorts wordt woonbebouwing nooit achter de lintbebouwing toegestaan, terwijl de bebouwing op het bestreden plandeel zich wel achter de lintbebouwing bevindt. Ten slotte vreest de raad dat indien aan het bestreden plandeel de bestemming "Wonen" wordt toegekend, dit een ongewenste precedentwerking zal hebben.

[appellant] en anderen hebben ter zitting de mogelijkheid gehad om hierop te reageren. Zij hebben hetgeen de raad hierover naar voren heeft gebracht niet betwist. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze motivering onvoldoende is.

3. Voorts voeren [appellant] en anderen aan dat de bestemming "Recreatie" niet binnen de planperiode zal worden verwezenlijkt, omdat niet feitelijk gehandhaafd wordt op permanente bewoning en omdat handhaving afhankelijk is gesteld van de personele capaciteit.

3.1. De raad voert aan dat vanwege de handhavingscapaciteit een prioritering is aangebracht in de aanpak van permanente bewoning van recreatiewoningen. Dit beleid is neergelegd in de "Beleidsregel handhaving verbod onrechtmatig gebruik recreatiewoningen in de gemeente Medemblik", vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Medemblik op 15 januari 2013 (hierna: Beleidsregel handhaving verbod onrechtmatig gebruik recreatiewoningen), waarbij de percelen [locatie 1] tot en met [locatie 2] prioriteit 2 hebben gekregen. Dit betekent dat de handhavingstrajecten voor deze recreatiewoningen naar verwachting binnen het tijdspad 2015 tot en met 2017 worden uitgevoerd.

3.2. Ingevolge artikel 2, lid 2.1, van de Beleidsregel handhaving verbod onrechtmatig gebruik recreatiewoningen, treedt het college van burgemeester en wethouders van Medemblik eenduidig, doortastend en consistent op tegen onrechtmatig gebruik van recreatiewoningen.

Ingevolge artikel 3, zal het college van burgemeester en wethouders, gelet op de beperkte handhavingscapaciteit binnen de gemeente, de volgende prioritering hanteren:

1. De handhavingstrajecten op de recreatieparken en campings worden in de volgende volgorde en binnen de daarbij genoemde tijdspaden uitgevoerd:

Prioriteit 2 - 2015/2017

h. Park gelegen bij bungelowpark De Kogge, aan Oosteinde 35, Oostwoud.

3.3. De Afdeling overweegt dat uit de Beleidsregel handhaving verbod onrechtmatig gebruik recreatiewoningen volgt dat een handhavingstraject is voorzien in de periode 2015 tot en met 2017 voor de percelen [locatie 1] tot en met [locatie 2]. Derhalve is aannemelijk dat ter plaatse de feitelijke situatie binnen de planperiode in overeenstemming wordt gebracht met de toegekende bestemming "Recreatie".

Het betoog faalt.

4. [appellant] en anderen betogen dat de raad in strijd met het gelijkheidsbeginsel heeft gehandeld. Hiertoe voeren zij aan dat op het recreatiepark "De Vlietlanden" permanente bewoning van recreatiewoningen wel is toegestaan.

4.1. Over de door [appellant] en anderen gemaakte vergelijking met recreatiepark "De Vlietlanden" wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie, omdat het bestemmingsplan dat in de mogelijkheid van permanente bewoning op dat park voorziet, nog is vastgesteld door de raad van de voormalige gemeente Wervershoof. De raad had bezwaar tegen deze ontwikkeling en heeft nog getracht de vaststelling van dit bestemmingsplan tegen te houden met een planherziening, maar dat bestemmingsplan heeft geen stand gehouden bij de Afdeling (uitspraak van 13 juni 2012, zaak nr. 201105656/1/R1). In hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de situatie ter plaatse van het park gelegen bij bungelowpark De Kogge, aan Oosteinde 35 vanwege deze voorgeschiedenis niet overeenkomt met de situatie op recreatiepark "De Vlietlanden".

Het betoog faalt.

5. Gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.8 tot en met 4.1 ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Medemblik van 4 juli 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Dorpskernen I", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Recreatie" ter plaatse van de percelen

[locatie 1] tot en met [locatie 2];

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Medemblik tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V. gelast dat de raad van de gemeente Medemblik aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjaković, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Bosnjakovic

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

410-812.