Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2104

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201308362/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Oud-Beijerland" gewijzigd vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308362/1/R4.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Oud-Beijerland,

2. [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), beiden wonend te Oud-Beijerland,

en

de raad van de gemeente Oud-Beijerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Oud-Beijerland" gewijzigd vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 april 2014, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. M. Huijgens, werkzaam bij Huijgens Consultancy, en de raad, vertegenwoordigd door J.P. Manni en F. van Waas, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het buitengebied van de gemeente Oud-Beijerland.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Het beroep van [appellant sub 1] is gericht tegen artikel 4, lid 4.4.5, aanhef en onder c, van de planregels. [appellant sub 1] betoogt dat deze planregel ten onrechte de tijdelijke huisvesting van werknemers in kampeermiddelen beperkt tot de periode 15 maart tot 1 november. Hij voert aan dat de arbeidspiek voor zijn buxuskwekerij in de periode januari tot en met april valt, waardoor hij in die periode werknemers tijdelijk wil kunnen huisvesten op zijn perceel. Volgens [appellant sub 1] heeft de raad met de beperking van de huisvesting van tijdelijke werknemers onvoldoende rekening gehouden met zijn belang. Voorts betwist [appellant sub 1] dat de tijdelijke huisvesting van werknemers buiten de toegestane periode leidt tot druk op het buitengebied. Daartoe voert hij aan dat het een rustige periode betreft, hij maximaal vijftien werknemers op zijn perceel wil huisvesten en hij de enige buxuskwekerij in het buitengebied heeft.

3.1. De raad stelt dat met de bestreden planregeling is aangesloten bij het op 14 mei 2013 vastgestelde Beleidskader voor de huisvesting van tijdelijke werknemers (hierna: het beleidskader). In het beleidskader en in het onderhavige plan is volgens de raad een afweging gemaakt tussen de belangen van de agrariërs en het beschermen van het landschap. Daarbij is aangesloten bij de sectorbrede arbeidspiek in de zomer en het najaar, waarbij de raad zich bewust is geweest van de omstandigheid dat hiermee niet tegemoet is gekomen aan de wensen van alle agrariërs, onder wie [appellant sub 1]. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat door tijdelijke huisvesting in kampeermiddelen in de winterperiode de druk op het buitengebied wordt vergroot. Daarbij wijst de raad erop dat de hoeveelheid groen in de winter beperkt is, waardoor het niet goed mogelijk is om de kampeermiddelen aan het oog te onttrekken. Met deze seizoensbeperking wil de raad de ruimtelijke kwaliteit ook in de winterperiode waarborgen. Ter zitting heeft de raad nog gesteld dat [appellant sub 1] voor de tijdelijke huisvesting van de werknemers gebruik kan maken van de stacaravans op een nabijgelegen camping.

3.2. Het perceel van [appellant sub 1] heeft de bestemming "Agrarisch met waarden". Binnen deze bestemming is het niet toegestaan om zonder omgevingsvergunning werknemers tijdelijk te huisvesten.

3.3. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder a tot en met g, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;

b. één bedrijfswoning met bijgebouwen per bouwvlak, dan wel het grotere bestaande aantal;

c. mantelzorg in de bedrijfswoning;

d. bestaande paardenbakken;

e. bestaande fruitteelt;

f. de bescherming van de openheid van het landschap;

g. nevenactiviteiten onder de daar genoemde voorwaarden.

Ingevolge lid 4.4.5, aanhef en onder a en c, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het in lid 4.4.1 bepaalde voor de tijdelijke huisvesting van werknemers onder de voorwaarden dat tijdelijke huisvesting mogelijk is in kampeermiddelen en de kampeermiddelen bij een agrarisch bedrijf worden toegestaan binnen het bouwvlak in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.

Ingevolge artikel 1, lid 1.67, wordt onder kampeermiddelen verstaan tenten, tentwagens, kampeerauto’s of caravans dan wel andere onderkomens of andere voertuigen, gewezen voertuigen of gedeelten daarvan, voor zover niet als bouwwerk aan te merken, die geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of ingericht dan wel worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf dan wel voor nachtverblijf van personeel, werkzaam op het kampeerterrein waar deze onderkomens of voertuigen zijn geplaatst. Onder kampeermiddelen wordt niet verstaan: stacaravans.

3.4. De keuze van de raad om de tijdelijke huisvesting van werknemers in kampeermiddelen te beperken tot de periode tussen 15 maart en 31 oktober is in overeenstemming met het beleidskader. Hetgeen [appellant sub 1] aanvoert, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat zich zodanige omstandigheden voordoen dat de raad niet in redelijkheid aan de uitvoering van dit beleid heeft kunnen vasthouden. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad zich bij de vaststelling van het plan bewust was van de gevolgen van de uitvoering van het beleid voor de bedrijfsvoering van [appellant sub 1] en dat er, naar ter zitting is toegelicht, andere huisvestingsmogelijkheden in de nabijheid zijn. Tevens heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de tijdelijke huisvesting van vijftien personen in kampeermiddelen in de winterperiode kan leiden tot aantasting van de ruimtelijke kwaliteit. Gelet op het vorenoverwogene heeft de raad in zoverre in redelijkheid tot het bestreden besluit kunnen komen.

Het betoog faalt.

4. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

5. [appellant sub 2] woont aan de [locatie]. Zijn beroep is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" voor het aangrenzende perceel met de kadastrale aanduiding sectie G, nummer 621 (hierna: perceel 621). Het beroep van [appellant sub 2] is tevens gericht tegen verschillende definitiebepalingen, de bestemmingsomschrijving voor de bestemmingen "Agrarisch" en "Agrarisch met waarden" en afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden voor de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden", "Wonen" en "Wonen - Linten".

6. [appellant sub 2] woont op een afstand van ongeveer 2 km van het plandeel met de bestemming "Agrarisch". Mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op het door [appellant sub 2] bestreden plandeel met de bestemming "Agrarisch" mogelijk worden gemaakt, is deze afstand naar het oordeel van de Afdeling te groot om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Het beroep van [appellant sub 2] is ook gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Wonen" en "Wonen - Linten". Voor zover het beroep is gericht tegen deze plandelen op percelen op een afstand van meer dan 150 m vanaf de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie], overweegt de Afdeling dat deze afstand, mede gelet op de aard en omvang van de ruimtelijke ontwikkelingen die op deze plandelen mogelijk wordt gemaakt, te groot is om een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang aan te kunnen nemen.

Over het betoog van [appellant sub 2] dat de regels van de bestemmingen "Agrarisch", "Agrarisch met waarden", "Wonen" en "Wonen - Linten" onjuist en onvolledig zouden zijn, overweegt de Afdeling dat dit naar het oordeel van de Afdeling geen omstandigheid is in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks de genoemde afstanden tot de betreffende plandelen een objectief en persoonlijk belang van [appellant sub 2] rechtstreeks door het besluit zou worden geraakt.

De conclusie is dat [appellant sub 2] geen belanghebbende is bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en voor zover het betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Wonen" en "Wonen - Linten", voor zover het percelen betreft op een afstand van meer dan 150 m van het perceel van [appellant sub 2], en hij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kan instellen. Het beroep is in zoverre niet-ontvankelijk.

7. [appellant sub 2] betoogt dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen betrokken zijn.

Het betoog faalt.

8. [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte voorziet in een bouwvlak voor de schuur op het perceel 621. Voorts kan hij zich er niet mee verenigen dat op dat perceel opslag en een paardenfokkerij zijn toegestaan, nu deze activiteiten op grond van het vorige plan niet waren toegestaan en [appellant sub 2] overlast vreest, onder meer door het ontbreken van een limitatieve opsomming van de toegestane opslag. Daarnaast betoogt [appellant sub 2] dat het plan ten onrechte niet voorziet in een nieuwe toegangsweg naar perceel 621, terwijl een nieuwe toegangsweg volgens hem noodzakelijk is. Daartoe voert [appellant sub 2] aan dat de planregeling voor het perceel leidt tot meer bestemmingsverkeer, welk verkeer niet via de bestaande toegangsweg langs zijn woning kan worden afgewikkeld. Verder stelt [appellant sub 2] dat de toegestane veehandel op het perceel leidt tot overlast.

8.1. De raad stelt dat de schuur in het verleden legaal is gebouwd en om deze reden als zodanig is bestemd. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat de op het perceel 621 toegestane opslag voldoende is geclausuleerd in de planregels, temeer nu de opslag enkel binnen in een deel van de schuur is toegestaan. Volgens de raad zal de paardenfokkerij op perceel 621 niet leiden tot onaanvaardbare hinder, nu de afstand tussen de paardenfokkerij en de woning van [appellant sub 2] 50 m bedraagt. Hiermee wordt voldaan aan de normen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer, aldus de raad. Verder stelt de raad dat een bestemmingsplan niet het instrument is om te regelen waar een ontsluitingsweg wordt aangelegd. Daarbij wijst de raad erop dat reeds een ontsluitingsweg naar perceel 621 aanwezig is. Voorts stelt de raad zich op het standpunt dat handel in paarden bij een paardenfokkerij niet ongebruikelijk is en niet zal leiden tot onaanvaardbare hinder.

8.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1.1, van de planregels zijn de gronden met de bestemming "Agrarisch met waarden" bestemd voor:

a. de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf;

d. bestaande paardenbakken;

[…]

met daarbij behorende:

m. tuinen en erven;

n. wegen en paden;

o. parkeervoorzieningen;

p. verkeersvoorzieningen.

Ingevolge lid 4.1.6 is ter plaatse van de aanduiding "opslag" uitsluitend opslag toegestaan ten dienste van de agrarische functie.

Ingevolge lid 4.1.7 is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenfokkerij" uitsluitend een (volwaardige of niet-volwaardige) paardenfokkerij- en houderij toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.84, is een paardenfokkerij een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en training en verhandelen van paarden.

8.3. Blijkens de verbeelding is aan het perceel 621 de bestemming "Agrarisch met waarden toegekend". Op het perceel is een schuur aanwezig met een oppervlakte van ongeveer 600 m2. Voor deze schuur is een bouwvlak en de functieaanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" opgenomen. Voorts is aan de schuur gedeeltelijk de functieaanduiding "opslag" en gedeeltelijk de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenfokkerij" toegekend.

8.4. Vast staat dat de schuur op perceel 621 een bestaand, legaal gebouw is. Met betrekking tot legale bouwwerken staat voorop dat deze in beginsel, gelet op de rechtszekerheid, geheel als zodanig dienen te worden bestemd. Op dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering worden gemaakt indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de beoogde nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet dan met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode van tien jaar zal worden verwezenlijkt. [appellant sub 2] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de raad, gelet op het vorenstaande, niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de schuur als zodanig te bestemmen.

8.5. Over de toegekende functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenfokkerij", overweegt de Afdeling dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en het schuurdeel dat als paardenfokkerij mag worden gebruikt, 50 m bedraagt, waarbij de raad ter zitting heeft verklaard dat de op de verbeelding aangebrachte scheiding tussen beide schuurdelen wordt gehandhaafd. Hiermee wordt voldaan aan de afstandsnorm uit artikel 3.117 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorts heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de paardenfokkerij, inclusief de handel in paarden, ondanks deze afstand onaanvaardbare hinder tot gevolg heeft voor hem. Dat kopers van paarden zich in het verleden bij [appellant sub 2] hebben gemeld en niet op perceel 621, acht de Afdeling in dat kader onvoldoende. Gelet op het voorgaande heeft de raad, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid de functieaanduiding "specifieke vorm van agrarisch - paardenfokkerij" aan het oostelijke schuurdeel kunnen toekennen.

8.6. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een nadere clausulering van de toegestane opslag op perceel 621 niet nodig was. Daarbij heeft de raad in aanmerking mogen nemen dat de afstand tussen het schuurdeel met deze functieaanduiding en de woning van [appellant sub 2] 35 m bedraagt, de opslag alleen in de schuur mag plaatsvinden en de opslag ten dienste van de agrarische functie van het perceel moet zijn.

8.7. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in een nieuwe toegangsweg naar perceel 621, overweegt de Afdeling als volgt. In de huidige situatie is het perceel reeds ontsloten via een toegangsweg langs de woning van [appellant sub 2]. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het huidige of in het plan toegestane gebruik van perceel 621 leidt of zal leiden tot onaanvaardbare hinder op zijn perceel door het gebruik van de bestaande toegangsweg. Voorts is het op grond van artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder n, van de planregels toegestaan om een nieuwe toegangsweg op het perceel aan te leggen. Gelet op het vorenstaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het apart bestemmen van een nieuwe toegangsweg achterwege kon blijven.

Het betoog faalt.

9. Het beroep van [appellant sub 2] is voorts gericht tegen een aantal definitiebepalingen in de planregels, voor zover deze betrekking hebben op de plandelen waarbij hij belanghebbende is.

9.1. [appellant sub 2] betoogt dat in artikel 1, leden 1.10, 1.11 en 1.61, en artikel 4, lid 4.1.1, onder a, de woorden "volwaardig" en "bestaand" ontbreken. Volgens hem leidt het ontbreken van deze woorden in de definitiebepalingen ertoe dat er een wildgroei zal ontstaan van nieuwe en niet-volwaardige agrarische bedrijven, hetgeen ruimtelijk ongewenst is. Voorts betoogt [appellant sub 2] dat artikel 1, leden 1.62 en 1.78, in strijd zijn met de rechtszekerheid, omdat de definities van Nederlandse grootte eenheid (hierna: Nge) en standaardopbrengst (hierna: SO) ontbreken, en dat lid 1.62 ten onrechte hobbyboeren toelaat in het buitengebied. Verder stelt [appellant sub 2] dat de definitie van paardenfokkerij in artikel 1, lid 1.84, in strijd met de rechtszekerheid is, nu de raad geen onderscheid maakt tussen een paardenfokkerij, een paardenhouderij en een paardenstoeterij en het handelen in paarden niet wordt uitgesloten. Daarnaast ontbreken volgens [appellant sub 2] in artikel 1, lid 1.71, ten onrechte objectieve toetsingskaders voor de bescherming van kwetsbare objecten.

9.2. Volgens de raad zijn de woorden "volwaardig" en "bestaand" niet in de definitiebepalingen opgenomen, omdat de raad nieuwvestiging van agrarische bedrijven niet wil uitsluiten en in het buitengebied veel niet-volwaardige bedrijven zijn gevestigd. Volgens de raad hebben niet-volwaardige agrarische bedrijven niet tot gevolg dat de kwaliteit van het landschap vermindert. Voorts bestrijdt de raad dat de definities in artikel 1, leden 1.62, 1.78 en 1.84, van de planregels in strijd zijn met de rechtszekerheid. Voor de definitie van kwetsbaar object heeft de raad aangesloten bij de gangbare definitie hiervan in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit externe veiligheid inrichtingen.

9.3. Ingevolge artikel 1, lid 1.10, van de planregels is een agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of houden en/of fokken van dieren (hieronder wordt niet verstaan: fruit- en sierteeltbedrijven en boomkwekerijen).

Ingevolge lid 1.11 is een agrarisch akkerbouwbedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (hieronder wordt niet verstaan: fruit- en sierteelbedrijven en boomkwekerijen).

Ingevolge lid 1.61 is een grondgebonden veehouderij een agrarisch bedrijf dat voor de bedrijfsvoering geheel of hoofdzakelijk gebruik maakt van de grond als agrarisch productiemiddel in de vorm van veeteelt.

Ingevolge lid 1.62 is een hobbyboer een agrarische activiteit die niet de omvang heeft van een volledige arbeidskracht, maar waarbij wel sprake is van ten minste 1 ha grond en van vier Nge of een vergelijkbare grootte gemeten in SO;

Ingevolge lid 1.71 zijn kwetsbare objecten:

a. woningen, niet zijnde

- verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee per hectare;

- dienst- en bedrijfswoningen van derden;

b. gebouwen bestemd voor het verblijf van al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten;

c. gebouwen waarin grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig plegen te zijn, te weten:

- kantoorgebouwen en hotels met een bedrijfsvloeroppervlakte (hierna: bvo) van meer dan 1500 m2 per object;

- complexen waarin meer dan vijf winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijke bvo meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bvo van 2000 m2 per object; voor zover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd;

d. kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan vijftig personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar.

Ingevolge lid 1.78 is Nge een maat waarmee de economische omvang van agrarische activiteiten wordt weergegeven.

Ingevolge artikel 24, lid 24.3, aanhef en onder a, zijn burgemeester en wethouders bevoegd om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 24.2 en toe te staan dat ten dienste van de andere daar voorkomende bestemmingen mag worden gebouwd, mits de veiligheid met betrekking tot de gasleiding niet wordt geschaad en geen nieuwe kwetsbare objecten worden toegelaten.

9.4. Ten aanzien van het betoog dat de definitiebepalingen ten onrechte geen nieuwe en niet-volwaardige bedrijven in het plangebied uitsluiten, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze nieuwe en niet-volwaardige agrarische bedrijven leiden tot een zodanige verslechtering van de ruimtelijke kwaliteit van het buitengebied dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om nieuwe en niet-volwaardige agrarische bedrijven in het buitengebied niet uit te sluiten in de definitiebepalingen. Dat in het verleden handhavend is opgetreden tegen de bedrijfsvoering van een niet-volwaardig bedrijf op perceel 621, acht de Afdeling daartoe onvoldoende.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat de definities in artikel 1, leden 1.62, 1.78 en 1.84 in strijd zijn met de rechtszekerheid, overweegt de Afdeling als volgt. De begrippen Nge en SO in leden 1.62 en 1.78 zijn rekeneenheden voor de omvang van een agrarisch bedrijf, zodat een definitiebepaling daarvan achterwege kon blijven. Voorts is hierboven reeds overwogen dat niet-volwaardige agrarische bedrijven niet uitgesloten hoeven te worden in de planregels en derhalve ook niet in lid 1.62. Ten aanzien van lid 1.84 overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ruimtelijke gevolgen van onderscheidenlijk een paardenhouderij, een paardenstoeterij en een paardenfokkerij zodanig verschillen, dat de raad deze activiteiten niet onder één definitie heeft mogen rubriceren. Daarbij heeft de raad ter zitting toegelicht dat een paardenfokkerij alleen aldaar gefokte paarden mag verhandelen. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat artikel 1, leden 1.62, 1.78 en 1.84 in strijd zijn met de rechtszekerheid.

Over het betoog dat artikel 1, lid 1.71, ten onrechte niet voorziet in een toetsingskader voor kwetsbare objecten, overweegt de Afdeling dat onder meer het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Besluit externe veiligheid inrichtingen voorzien in regels betreffende de bescherming van kwetsbare objecten. Voorts is in artikel 24, lid 24.3, aanhef en onder a, bepaald dat het plan niet voorziet in nieuwe kwetsbare objecten op gronden met de dubbelbestemming "Leiding - Gas". Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten dat een toetsingskader voor de bescherming van kwetsbare objecten in de definitiebepalingen achterwege kon blijven.

Het betoog faalt.

10. [appellant sub 2] betoogt voorts dat op grond van artikel 4, lid 4.1.1, aanhef en onder d, artikel 18, lid 18.1, aanhef onder e, en artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder e, van de planregels ten onrechte bestaande illegale paardenbakken worden gelegaliseerd.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in artikel 1, lid 1.29, van de planregels voldoende duidelijk is beschreven dat onder "bestaand" enkel legale bouwwerken en legaal gebruik moet worden verstaan.

10.2. Ingevolge artikel 18, lid 18.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor bestaande paardenbakken.

Ingevolge artikel 19, lid 19.1, aanhef en onder e, zijn de voor Wonen - Linten" aangewezen gronden bestemd voor bestaande paardenbakken.

Ingevolge artikel 1, lid 1.29, wordt onder bestaand verstaan:

a. bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het moment van inwerkingtreding van het plan bestaat of wordt gebouwd dan wel nadien kan worden gebouwd, krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarvoor de aanvraag voor het tijdstip van inwerkingtreding is ingediend, tenzij in de regels anders is bepaald;

b. bij gebruik: het gebruik dat op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaat en in overeenstemming is met het voorheen geldend planologisch regime.

10.3. In artikel 1, lid 1.29, van de planregels heeft de raad een definitie van bestaand opgenomen. Uit deze definitie volgt dat onder bestaande bouwwerken alleen wordt verstaan bouwwerken die krachtens omgevingsvergunning zijn gebouwd, worden gebouwd of in de toekomst kunnen worden gebouwd en dat onder bestaand gebruik alleen gebruik wordt verstaan dat reeds onder het vorige bestemmingsplan was toegestaan. Hieruit volgt naar het oordeel van de Afdeling dat bestaande bouwwerken en bestaand gebruik enkel legale bouwwerken en legaal gebruik omvatten. Gelet hierop mist het betoog van [appellant sub 2] dat in het onderhavige plan illegale paardenbakken worden gelegaliseerd feitelijke grondslag.

11. [appellant sub 2] kan zich evenmin verenigen met verschillende afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden binnen de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Wonen" en "Wonen - Linten". Volgens hem kunnen deze bevoegdheden ongewenste ontwikkelingen mogelijk maken. Hij bepleit een verplicht advies van een deskundige bij toepassing van afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Voorts stelt [appellant sub 2] dat de wijzigingsbevoegdheden over de vergroting van het bouwvlak en het omschakelen van een agrarisch bouwvlak naar een andere functie in strijd zijn met de rechtszekerheid.

11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat in de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden voldoende beperkingen zijn opgenomen om onevenredige hinder na toepassing van de bevoegdheden te voorkomen. Verder stelt de raad dat de toetsing van de aanvraag om een omgevingsvergunning een gemeentelijke taak is. Indien gewenst kan het bevoegde bestuursorgaan daarbij extern advies inwinnen. Volgens de raad gaat het echter te ver om in iedere situatie verplicht extern advies in te winnen.

11.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.3.1, van de planregels kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2 voor het overschrijden van bouwgrenzen met gebouwen, voor zover het geen kassen betreft, met in achtneming van de daar opgenomen voorwaarden.

Ingevolge lid 4.3.2 kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.2.1 voor het bouwen van schuilstallen voor vee en paarden buiten het bouwvlak, mits wordt voldaan aan de genoemde voorwaarden.

Ingevolge lid 4.4.1 kan bij omgevingsgunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1.1, onder f [lees: g], sub 5, onder a, voor bedrijfsmatige, niet-agrogerelateerde nevenactiviteiten, waaronder begrepen stalling en opslag volumineuze goederen, opslag, distributie en verpakking van landbouwproducten en de opslag en verhuur van grondwerkverzetmachines, met in achtneming van de opgenomen voorwaarden.

Ingevolge lid 4.4.4 kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1.1 voor het toestaan van paardenbakken, met in achtneming van de opgenomen voorwaarden.

Ingevolge lid 4.4.5 kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1.1 voor de tijdelijke huisvesting van werknemers onder de genoemde voorwaarden.

Ingevolge lid 4.6.1 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ten behoeve van het vergroten van een bouwvlak, met inachtneming van de daar genoemde voorwaarden.

Ingevolge lid 4.6.8 kan het college van burgemeester en wethouders het plan wijzigen ten behoeve van het veranderen van een bouwvlak in de bestemming "Recreatie", met inachtneming van de genoemde voorwaarden.

Ingevolge lid 4.6.9 kan het college het plan wijzigen, voor zover gelegen binnen het bouwvlak, na bedrijfsbeëindiging in de bestemming "Bedrijf" met inachtneming van de opgenomen voorwaarden.

Ingevolge artikel 18, lid 18.5.2, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 18.1 voor het toestaan van paardenbakken, met inachtneming van de genoemde voorwaarden.

Ingevolge artikel 19, lid 19.5.2, kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 19.1 voor het toestaan van paardenbakken, met in achtneming van de genoemde voorwaarden.

11.3. Voor de toepassing van de afwijkingsbevoegdheden in artikel 4, leden 4.3.1, 4.4.1, 4.4.4 en 4.4.5, artikel 18, lid 18.5.2, en artikel 19, lid 19.5.2, van de planregels geldt onder meer als voorwaarde dat de toepassing niet mag leiden tot onevenredige aantasting van alle betrokken belangen, waaronder de belangen van omwonenden. Voorts zijn in de afwijkingsbevoegdheden beperkingen ten aanzien van de omvang van de afwijking opgenomen en dient sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing. Verder heeft [appellant sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat de toepassing van de afwijkingsmogelijkheid in artikel 4, lid 4.3.2, voor een schuilstal leidt tot onevenredige hinder. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de oppervlakte van de schuilstal maximaal 18 m2 mag zijn en de hoogte beperkt is tot 3 m. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat de raad de afwijkingsbevoegdheden niet in redelijkheid in het plan heeft kunnen opnemen. Evenmin ziet de Afdeling in het aangevoerde aanleiding voor het oordeel dat de genoemde afwijkingsbevoegdheden ten onrechte niet voorzien in een verplicht advies van een onafhankelijke deskundige.

11.4. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Mede gelet op de rechtszekerheid van belanghebbenden dient in een wijzigingsbepaling in voldoende mate te worden bepaald in welke gevallen en op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt. Een op artikel 3.6 van de Wro berustende wijzigingsbevoegdheid dient derhalve in deze beide opzichten door voldoende objectieve normen te worden begrensd. De vraag of een wijzigingsbepaling door voldoende objectieve normen wordt begrensd hangt af van de omstandigheden van het geval. Hierbij kan onder meer belang worden gehecht aan de aard van de wijziging, de omvang van het gebied waarop de wijzigingsbevoegdheid ziet en de aanleiding voor het opnemen van de wijzigingsbevoegdheid. Onder omstandigheden kan voldoende zijn dat duidelijk is welke bij het plan gelegde bestemming in welke andere bestemming kan worden gewijzigd.

11.5. In artikel 4, leden 4.6.1, 4.6.8 en 4.6.9, van de planregels zijn voorwaarden opgenomen waaronder toepassing kan worden gegeven aan de wijzigingsbevoegdheid. Met deze voorwaarden is in voldoende mate bepaald in welke gevallen hiervan gebruik mag worden gemaakt, onder meer nu in lid 4.6.9 is bepaald dat de wijzigingsbevoegdheid slechts na bedrijfsbeëindiging mag worden toegepast en in lid 4.6.1 is bepaald dat de vergroting van een agrarisch bouwvlak noodzakelijk dient te zijn voor een doelmatige uitoefening van het gevestigde agrarische bedrijf. Voorts is in voldoende mate bepaald op welke wijze hiervan gebruik mag worden gemaakt, nu in lid 4.6.1 de uitbreiding van het bouwvlak is beperkt tot maximaal twee hectare, de wijzigingsbevoegdheden in leden 4.6.8 en 4.6.9 alleen van toepassing zijn binnen bouwvlakken en in de drie leden voorwaarden zijn gesteld om hinder voor omwonenden en aantasting van het landschap te voorkomen. Derhalve bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de wijzigingsbevoegdheden onvoldoende objectief zijn begrensd. Gelet op het voorgaande heeft de raad in redelijkheid de wijzigingsbevoegdheden in artikel 4, leden 4.6.1, 4.6.8 en 4.6.9, van de planregels in het plan kunnen opnemen.

Het betoog faalt.

12. [appellant sub 2] heeft zich voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze en de inspraakreactie. In de overwegingen van het bestreden besluit is hierop ingegaan. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting, redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

13. Het beroep van [appellant sub 2] is niet-ontvankelijk, voor zover het is gericht tegen het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en voor zover het is gericht tegen de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Wonen" en "Wonen - Linten", voor zover het percelen betreft op een afstand van meer dan 150 m van het perceel [locatie]. Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] niet-ontvankelijk voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch" en voor zover het is betreft de plandelen met de bestemmingen "Agrarisch met waarden", "Wonen" en "Wonen - Linten" op percelen waarbij niet is gebleken van een rechtstreeks betrokken belang van [appellant sub 2];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2 A] en [appellante sub 2 B] voor het overige ongegrond;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1] ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T.L.J. Drouen, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Drouen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

271-767.