Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:21

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-01-2014
Datum publicatie
15-01-2014
Zaaknummer
201211801/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning krachtens artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het oprichten van een varkenshouderij aan de [locatie] te Hulsel, gemeente Reusel-De Mierden.

Wetsverwijzingen
Natuurbeschermingswet 1998
Natuurbeschermingswet 1998 16
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/1031
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201211801/1/R2.

Datum uitspraak: 15 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Netersel, gemeente Bladel, handelend onder de naam [appellante sub 1],

2. [appellant sub 2], wonend te Hulsel, gemeente Reusel-De Mierden,

3. [appellant sub 3], wonend te Netersel, gemeente Bladel,

4. de stichting Stichting Megastallen Nee Lage Mierde, gevestigd te Reusel-De Mierden, en anderen,

appellanten,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning krachtens artikel 16 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor het oprichten van een varkenshouderij aan de [locatie] te Hulsel, gemeente Reusel-De Mierden.

Bij besluit van 13 november 2012, verzonden op 16 november 2012, heeft het college het door [appellant sub 2], [appellant sub 3], de Stichting en anderen hiertegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het door [appellante sub 1] gemaakte bezwaar geheel ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en de Stichting en anderen beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 oktober 2013, waar [appellant sub 2] en [appellant sub 3], vertegenwoordigd onderscheidenlijk bijgestaan door mr. F.H. Damen, advocaat te Tilburg, de Stichting en anderen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Uittenbosch, zijn verschenen. Voorts is [belanghebbende], vertegenwoordigd door mr. J. van Groningen, advocaat te Middelharnis, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Ontvankelijkheid

1. Ingevolge artikel 39, eerste lid, van de Nbw 1998, zoals dit luidde ten tijde van belang, kan uitsluitend een belanghebbende tegen een besluit op grond van deze wet beroep instellen.

Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

1.1. [appellant sub 3] woont op een afstand van ongeveer 1000 meter van de locatie waarop de veehouderij zal worden gevestigd, te weten [locatie] te Hulsel. Vanuit zijn woning heeft hij geen zicht op deze locatie.

Het beroep van de Stichting is mede ingesteld door [4 appellanten sub 4]. Ter zitting is gebleken dat de afstand van de woningen van [2 appellanten sub 4] tot de [locatie] ongeveer 700 meter onderscheidenlijk 800 meter bedraagt. Zij hebben vanuit hun woningen geen zicht op de locatie.

De Afdeling is van oordeel dat voornoemde afstanden te groot zijn om een rechtstreeks bij de vergunning betrokken belang te kunnen aannemen. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet aannemelijk is dat ter plaatse van de woningen van [appellant sub 3], [2 appellanten sub 4] milieugevolgen van het bedrijf kunnen worden ondervonden. Voorts hebben zij geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee moet worden geoordeeld dat ondanks deze afstanden zij een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang hebben.

De conclusie is dat [appellant sub 3], [2 appellanten sub 4] geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb zijn bij de vergunning. Het beroep van [appellant sub 3] en de Stichting en anderen, voor zover dat is ingesteld door [2 appellanten sub 4], is niet-ontvankelijk.

Beschermde natuurmonumenten

2. De vergunning is aangevraagd voor het oprichten van een varkenshouderij aan de [locatie] te Hulsel. De activiteiten van het bedrijf vinden plaats in de nabijheid van de beschermde natuurmonumenten Hildsven, De Kavelen en Zwartven.

3. Bij besluit van 24 november 1977 is het gebied Hildsven aangewezen als beschermd natuurmonument. In het aanwijzingsbesluit is onder meer vermeld dat het natuurmonument bestaat uit een betrekkelijk voedselrijk ven, dat aan de randen geleidelijk overgaat in hoger gelegen, deels voedselarme zandgronden. De natuurwetenschappelijke betekenis wordt in hoofdzaak bepaald door de afwisselingen en overgangen in hoogte, bodemsamenstelling, voedselrijkdom en grondwaterstand, die hebben geleid tot een verscheidenheid aan levensgemeenschappen van matig voedselrijk ondiep water, oeverstroken, broekbossen en voedselarme hooggelegen bossen.

Het gebied De Kavelen is bij besluit van 26 juni 1973 aangewezen als staatsnatuurmonument. In het aanwijzingsbesluit staat dat De Kavelen een klein fragment vormt van de oorspronkelijke loofhoutbossen in het oostelijke gedeelte van Noord-Brabant. De betekenis is echter groter dan de omvang zou doen vermoeden. Doordat het natuurmonument het enige bos is in een omgeving van uitgestrekte cultuurgronden, is het een refugium voor diverse plant- en diersoorten.

Het gebied Zwartven is bij besluit van 4 februari 1992 aangewezen als beschermd natuurmonument. In dit besluit staat vermeld dat de vegetatie van het natuurmonument duidelijke kenmerken vertoont van het karakteristieke en waardevolle Kempisch heidelandschap. Door zijn ligging aan de rand van uitgestrekte bossen en cultuurgronden is het uit oogpunt van natuurschoon van grote betekenis.

Toetsingskader

4. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover hier van belang, is het verboden zonder vergunning van het college in een beschermd natuurmonument handelingen te verrichten, te doen verrichten of te gedogen, die schadelijk kunnen zijn voor het natuurschoon, voor de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument of voor dieren of planten in het beschermd natuurmonument of die het beschermd natuurmonument ontsieren.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel worden als schadelijke handelingen in elk geval aangemerkt handelingen die de in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument vermelde wezenlijke kenmerken van het beschermde natuurmonument aantasten.

Ingevolge het vierde lid is het in het eerste lid bedoelde verbod tevens van toepassing op handelingen als bedoeld in dat lid, die buiten het beschermd natuurmonument kunnen worden verricht en die zijn vermeld in het besluit tot aanwijzing als beschermd natuurmonument, bedoeld in artikel 10, of een besluit tot voorlopige aanwijzing, bedoeld in artikel 12.

Ingevolge artikel 65 van de Nbw 1998 geldt ten aanzien van beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten die op grond van de Nbw (oud) zijn aangewezen, in afwijking van artikel 16, vierde lid, het verbod van artikel 16, eerste lid, voor in dat artikellid bedoelde schadelijke handelingen die buiten het beschermde natuurmonument of staatsnatuurmonument worden verricht zonder dat deze handelingen vermeld zijn in het besluit tot aanwijzing.

5. Op 7 december 2010 heeft het college de Beleidsregel stikstof en beschermde natuurmonumenten Noord-Brabant (hierna: de beleidsregel) vastgesteld. Met de beleidsregel is invulling gegeven aan de bevoegdheid van het college om op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 vergunning te verlenen voor handelingen die schadelijk kunnen zijn voor beschermde natuurmonumenten.

Ingevolge artikel 1 van de beleidsregel wordt in deze regeling onder depositiebank verstaan: het registratiesysteem met betrekking tot de afname van N-depositie van veehouderijbedrijven, voor zover deze afname beschikbaar is voor saldering.

Ingevolge artikel 1 van de beleidsregel wordt in deze regeling onder N-depositie verstaan: neerslag van stikstofverbindingen uit de atmosfeer op een beschermd natuurmonument, waarbij de belasting op een punt binnen het gebied uitgedrukt wordt in mol N/ha/jaar en de belasting op het gebied als geheel in mol N/jaar.

Ingevolge artikel 1 van de beleidsregel wordt in deze regeling onder salderen verstaan: vereffenen van een door een bedrijf veroorzaakte toename van N-depositie (in mol N/jaar) op een beschermd natuurmonument met de afname van N-depositie op hetzelfde beschermde natuurmonument als gevolg van het geheel of gedeeltelijk beëindigen van de bedrijfsvoering van een of meer andere bedrijven.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de beleidsregel onderhoudt het college van gedeputeerde staten in aanvulling op de depositiebank voor Natura 2000-gebieden als bedoeld in artikel 12 van de Verordening een depositiebank voor beschermde natuurmonumenten.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt de depositiebank als bedoeld in het eerste lid gevuld met de vervallen N-deposities op beschermde natuurmonumenten van bedrijven die na 7 december 2004 hun bedrijfsvoering (gedeeltelijk) beëindigd hebben en waarvan de vergunning krachtens de Wet milieubeheer of de Hinderwet, dan wel de melding in het kader van een AMvB op basis van de Wet milieubeheer of de Hinderwet, is ingetrokken of vervallen, voor zover deze nog niet eerder gebruikt zijn voor saldering.

Ingevolge artikel 7 van de beleidsregel worden bedrijven op basis van de door de initiatiefnemer onderscheidenlijk door de drijver van de betrokken inrichting beoogde situatie al naar gelang hun maximale N-depositie op een beschermd natuurmonument ingedeeld in de volgende categorieën:

a. Bedrijven met een N-depositie van 5,0 mol N/ha/jaar of minder;

b. Bedrijven met een N-depositie boven 5,0, maar niet meer dan 50,0 mol N/ha/jaar;

c. Bedrijven met een N-depositie boven 50,0 mol N/ha/jaar.

Ingevolge artikel 10 van de beleidsregel vindt saldering plaats op basis van de totale toename van de aan het bedrijf toe te rekenen N-depositie op het beschermde natuurmonument, vergeleken met de referentiedatum als bedoeld in artikel 3, uitgedrukt in mol N/jaar, voor zover de toename 0,051 mol N/ha/jaar of meer is.

Ingevolge artikel 11 van de beleidsregel vindt saldering uitsluitend plaats met de N-deposities die zijn opgenomen in de depositiebank als bedoeld in artikel 5.

Ingevolge artikel 14 van de beleidsregel voert het college van gedeputeerde staten de saldering naar aanleiding van het verzoek uit, indien de depositiebank voldoende saldi bevat. In het geval van een dergelijke saldering, acht het college van gedeputeerde staten dat er geen sprake is van een handeling die schadelijk is voor het beschermd natuurmonument.

6. Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

Intrekking beroepsgrond

7. De Stichting en anderen hebben hun beroepsgrond over het berekenen van de invoergegevens voor de depositiebank met het zogenoemde Operationeel Prioritaire Stoffen model (OPS-model) ter zitting ingetrokken.

Depositietoename

8. De Stichting en anderen voeren aan dat niet duidelijk is hoe de depositietoename op de beschermde natuurmonumenten is berekend.

[appellante sub 1] stelt dat extra depositie op de beschermde natuurmonumenten niet kan worden toegestaan, omdat ter plaatse reeds sprake is van een overbelaste situatie.

8.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 26 september 2012 in zaak nr. 201110142/1/A4) bestaat met de inwerkingtreding van de Crisis- en herstelwet per 31 maart 2010 bij het verlenen van een vergunning op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 ruimte voor een belangenafweging. Bij die afweging geldt ingevolge artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, dat de nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen. De bestuursrechter kan bij de toetsing van deze afweging slechts concluderen dat deze in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, wanneer de betrokken belangen zodanig onevenwichtig zijn afgewogen dat het college niet in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.

8.2. Niet in geschil is dat het oprichten van de varkenshouderij een toename van stikstofdepositie op de beschermde natuurmonumenten Hildsven, De Kavelen en Zwartven tot gevolg heeft. Deze toename is door het college berekend op basis van de bij de aanvraag aangeleverde gegevens, waaruit blijkt dat de totale emissie in de beoogde situatie 1.589,47 kg NH3 per jaar bedraagt. Uit de stukken komt naar voren dat de depositie op de beschermde natuurmonumenten is berekend met behulp van een specifieke versie van het rekenmodel Aagro-Stacks. Gezien het vorenstaande faalt het betoog van de Stichting en anderen dat onduidelijk is waarop de toename is gebaseerd en op welke wijze dit is berekend. Gelet op het in de vorige overweging weergegeven toetsingskader, betekent de enkele omstandigheid dat ter plaatse van de beschermde natuurmonumenten reeds sprake is van een overbelaste stikstofsituatie niet dat de vergunning om die reden niet had mogen worden verleend. Het betoog van [appellante sub 1] faalt eveneens.

Saldering via de depositiebank

9. [appellante sub 1], [appellant sub 2] en de Stichting en anderen betogen dat de depositietoename ten onrechte met toepassing van de op grond van de beleidsregel opgerichte depositiebank is gesaldeerd.

Volgens [appellant sub 2] en de Stichting en anderen kan geen sprake zijn van één depositiebank voor beschermde natuurmonumenten en Natura 2000-gebieden.

[appellante sub 1] en de Stichting en anderen stellen dat de wijze van salderen onvoldoende inzichtelijk is, omdat niet duidelijk is met welke bedrijven is gesaldeerd en van welke locatie de in de depositiebank opgenomen rechten afkomstig zijn. Tevens is volgens hen onduidelijk en niet verzekerd of de saldi van de beëindigde bedrijven niet tweemaal voor saldering worden ingezet.

Verder voeren de Stichting en anderen aan dat de stikstofdepositie per hectare onduidelijk is, terwijl dit gelet op de artikelen 7 en 13 van de beleidsregel relevant is.

[appellante sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat salderen via de depositiebank in strijd is met de Nbw 1998 en de bestaande jurisprudentie. Zij voeren hiertoe aan dat de vereiste directe samenhang tussen de vergunde oprichting en het beëindigde bedrijf ontbreekt. Volgens [appellant sub 2] hebben de depositierechten waarmee wordt gesaldeerd ten onrechte geen betrekking op hetzelfde natuurmonument. [appellante sub 1] stelt dat de depositierechten en de depositietoename niet zien op exacte dezelfde punten in de beschermde natuurmonumenten.

De Stichting en anderen betogen dat ten onrechte geen belangenafweging in volle omvang heeft plaatsgevonden nu deze alleen is gebaseerd op saldering op grond van de beleidsregel.

9.1. Het college heeft aan het verlenen van de vergunning ten grondslag gelegd dat de toename van stikstofdepositie op grond van de met de beleidsregel ingestelde depositiebank is gesaldeerd. Het college stelt dat de depositiebank vrijwel op dezelfde wijze werkt als de depositiebank zoals deze op grond van de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant is ingesteld. Volgens het college is het systeem van de depositiebank helder en transparant. Vanwege de uitgevoerde saldering en gelet op de betrokken belangen acht het college de toename van stikstofdepositie op de beschermde natuurmonumenten Hildsven, De Kavelen en Zwartven aanvaardbaar.

9.2. In de toelichting bij de beleidsregel staat dat deze beleidsregel weergeeft op welke manier het college met de bevoegdheid op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 omgaat waar het gaat om de invloed van stikstofdeposities afkomstig van veehouderijen op beschermde natuurmonumenten. Indien een saldering als bedoeld in artikel 14 van de beleidsregel wordt uitgevoerd, laat dit onverlet dat gelet op artikel 16 van de Nbw 1998 een brede belangenafweging gemaakt dient te worden. De gemaakte afweging is, zo blijkt uit het bestreden besluit, niet beperkt gebleven tot saldering op grond van de beleidsregel, zodat het betoog van de Stichting en anderen in zoverre niet slaagt.

9.3. De Afdeling stelt vast dat het college voor beschermde natuurmonumenten een afzonderlijke depositiebank heeft ingesteld. Anders dan [appellant sub 2] en de Stichting en anderen mogelijk veronderstellen, is van één depositiebank voor zowel beschermde natuurmonumenten als Natura 2000-gebieden geen sprake. Wel hanteert het college voor beide depositiebanken één registratiesysteem. Daarin is voor ieder stikstofgevoelige habitat per Natura 2000-gebied een registratie opgenomen. Daarnaast is voor de beschermde natuurmonumenten eenzelfde registratie opgezet, waarbij een onderverdeling per beschermd natuurmonument is gemaakt. Ten behoeve van de invoer en uitgifte van N-deposities in het registratiesysteem worden berekeningen uitgevoerd op dezelfde meet/rekenpunten in de beschermde natuurmonumenten en Natura 2000-gebieden. Deze deposities per meet/rekenpunt worden per beschermd natuurmonument dan wel per habitat per Natura 2000-gebied gesommeerd. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het registratiesysteem zo is ingericht dat de deelregistraties strikt gescheiden zijn en dat uitwisseling van de gegevens uit deze deelregistraties onderling niet mogelijk is. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen reden om hieraan te twijfelen.

Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat een depositietoename ten onrechte niet wordt gesaldeerd met depositierechten die betrekking hebben op hetzelfde beschermde natuurmonument, overweegt de Afdeling dat ingevolge de definitiebepaling van het begrip salderen zoals neergelegd in artikel 1 van de beleidsregel een toename van N-depositie wordt vereffend met een afname op hetzelfde beschermde natuurmonument.

9.4. De depositiebank wordt gevuld met depositierechten van veehouderijbedrijven die hun bedrijfsvoering na 7 december 2004 geheel of gedeeltelijk hebben beëindigd. In artikel 5 van de beleidsregel is bepaald dat de depositiebank alleen met de N-deposities van deze bedrijven wordt gevuld als van deze bedrijven de vergunning krachtens de Wet milieubeheer of de Hinderwet, dan wel de melding in het kader van een Algemene Maatregel van Bestuur (hierna: AMvB) op basis van de Wet milieubeheer of Hinderwet is ingetrokken of vervallen, voor zover deze nog niet eerder zijn gebruikt voor een saldering. In het verweerschrift is uiteengezet dat voorafgaande aan de invoer van een ingetrokken of vervallen vergunning dan wel melding in de depositiebank gecontroleerd wordt of deze in het verleden voor saldering is gebruikt. Als dat zo is, dan worden de met de vergunning of melding verband houdende N-deposities niet in de bank opgenomen. Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de Afdeling voldoende gewaarborgd dat de depositiebank is gevuld met N-deposities van beëindigde of ingekrompen bedrijven die niet eerder voor saldering zijn gebruikt.

Voor zover de beroepsgrond van [appellante sub 1] en de Stichting en anderen dat onduidelijk is of de rechten van beëindigde bedrijven niet tweemaal voor saldering worden ingezet mede ziet op de uitgifte van saldi, overweegt de Afdeling dat de met de ingetrokken of vervallen vergunning dan wel melding verband houdende N-deposities die in de depositiebank worden opgenomen relevant zijn. Deze N-deposities worden per gebied een keer in het registratiesysteem opgenomen. Bij een onttrekking van saldo vindt een onttrekkingsmutatie plaats. Hierdoor sluit het systeem van de depositiebank uit dat een eerder uitgegeven saldo opnieuw voor saldering wordt gebruikt. Het betoog faalt.

9.5. Nadat de ingetrokken of vervallen vergunningen dan wel meldingen zijn gecontroleerd en depositieberekeningen zijn uitgevoerd, worden deze vergunningen en/of meldingen in de depositiebank geregistreerd. De registratie werkt op basis van het rekening courant systeem: een chronologische tabel met opeenvolgende mutaties, bestaande uit toevoegingen en onttrekkingen. De registratie wordt gekoppeld aan een invoerdatum, de postcode en het huisnummer van het saldo gevende bedrijf. Gelet hierop faalt het betoog dat de herkomst van de saldi niet duidelijk is.

9.6. Ter zitting hebben de Stichting en anderen toegelicht dat hun beroepsgrond dat de stikstofdepositie per hectare onduidelijk is geen betrekking heeft op de categorie-indeling van bedrijven, maar is gericht tegen de keuze om alleen de N-depositie op een gebied als geheel in beschouwing te nemen en niet per hectare of habitats. Het college heeft ter zitting toegelicht dat voor beschermde natuurmonumenten geen gegevens over N-gevoelige habitats beschikbaar zijn omdat deze nimmer zijn geïnventariseerd. Uit artikel 16 van de Nbw 1998 volgt niet dat niet voor het beschermd monument als geheel de gevolgen van een handeling kunnen worden afgewogen zonder per hectare of afzonderlijke habitat een beoordeling te maken. Dat in de beleidsregel de stikstofbelasting op het beschermd natuurmonument als geheel wordt beoordeeld acht de Afdeling niet onredelijk. Het betoog faalt.

9.7. Wat betreft het aangevoerde dat saldering via de depositiebank in strijd is met de jurisprudentie van de Afdeling omdat niet aan de voorwaarde van directe samenhang wordt voldaan, overweegt de Afdeling dat deze jurisprudentie, anders dan saldering op grond van de beleidsregel, betrekking heeft op externe saldering als mitigerende maatregel in het kader van vergunningverlening op grond van artikel 19d van de Nbw 1998. Gelet hierop faalt het betoog dat het betrekken van saldering via een depositiebank bij de beoordeling van een vergunningaanvraag op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 wegens het ontbreken van directe samenhang in strijd is met de Nbw 1998.

10. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het vaststellen van de beleidsregel heeft kunnen komen.

Aagro-stacks

11. [appellant sub 2] voert aan dat de rekenmethoden voor het berekenen van N-deposities ondeugdelijk zijn, omdat verschillende grootheden worden gebruikt.

[appellant sub 2] en de Stichting en anderen stellen dat de berekeningen niet controleerbaar zijn.

11.1. Het college stelt dat de depositieberekeningen worden uitgevoerd met een aangepaste versie van het rekenprogramma Aagro-stacks.

11.2. De Afdeling overweegt dat in de beleidsregel voor N-deposities twee verschillende grootheden worden gebruikt. De belasting op een punt binnen een gebied wordt uitgedrukt in mol N/ha/jaar en de belasting op het gebied als geheel in mol N/jaar. De rekenmethode voor beide grootheden is het rekenmodel Aagro-stacks. Het gebruik van dit rekenmodel is vastgelegd in het Protocol Depositiebank versie 13 juli 2010. Daarin staat dat de door de depositiebank te gebruiken Aagro-stacks versie op een aantal punten afwijkt van de reguliere Aagro-stacks versie. Deze aangepaste versie staat meer rekenpunten toe en heeft een groter bereik dan de oorspronkelijke versie van Aagro-stacks. De Afdeling ziet in hetgeen is aangevoerd geen reden om te oordelen dat het aangepaste rekenprogramma Aagro-stacks niet als deugdelijk kan worden aangemerkt. De omstandigheid dat [appellant sub 2] en de Stichting en anderen niet beschikken over deze aangepaste versie en derhalve, naar zij stellen, de berekeningen niet kunnen controleren, maakt dit niet anders. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de gegevens om de berekeningen te kunnen controleren door een ieder opgevraagd kunnen worden bij de beheerder van de depositiebank.

Beroepsgronden over de toepassing van de beleidsregel

12. [appellant sub 2] betwist dat aan de vereisten voor saldering op grond van de beleidsregel is voldaan, omdat niet gebleken is dat een salderingsberekening is gemaakt en nimmer een salderingsbesluit is genomen. Onder verwijzing naar het salderingsbesluit van 8 februari 2012 en het advies van de hoor- en adviescommissie stelt [appellant sub 2] dat het beroep mede is gericht tegen de instemming met de verzochte saldering.

12.1. Het college stelt dat een salderingsberekening is uitgevoerd en dat voor saldering in het kader van de vergunningprocedure op grond van artikel 16 van de Nbw 1998 geen salderingsbesluit behoeft te worden genomen. Voorts merkt het college op dat het salderingsbesluit van 8 februari 2012 uitsluitend betrekking heeft op de gevolgen van het bedrijf op de Natura 2000-gebieden.

12.2. De resultaten van de uitgevoerde salderingsberekening staan vermeld in het bestreden besluit. Gelet hierop is een salderingsberekening uitgevoerd. Het betoog faalt in zoverre.

12.3. Ingevolge artikel 8 van de beleidsregel kunnen bedrijven als bedoeld in artikel 7, onder a en b, tegelijkertijd met het aanvragen van een vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Nbw 1998 aan het college van gedeputeerde staten een verzoek doen om de N-depositie van de beoogde situatie op een of meer beschermde natuurmonumenten door middel van de depositiebank te salderen, voor zover die N-depositie 0,051 mol N/ha/jaar of hoger is dan de N-depositie in de referentiesituatie als bedoeld in artikel 3. Het college heeft toegelicht dat saldering een integraal onderdeel van de vergunningprocedure is en dat de in de beleidsregel omschreven werkwijze is gericht op de vergunningverlening. Nu de beleidsregel niet voorschrijft dat op een verzoek om saldering afzonderlijk besloten dient te worden, kan het betoog van [appellant sub 2] dat een salderingsbesluit ten onrechte ontbreekt, niet slagen.

12.4. Bij besluit van 8 februari 2012 heeft het college [belanghebbende] meegedeeld dat zijn melding krachtens de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant voor de oprichting van een varkenshouderij aan de [locatie] te Hulsel is geaccepteerd en dat voor de saldering een reservering is gemaakt voor stikstofgevoelige habitats. De Afdeling overweegt dat dit besluit alleen ziet op de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant. Saldering op grond van deze verordening speelt geen rol in deze procedure, zodat deze beroepsgrond geen bespreking behoeft.

13. [appellante sub 1] voert aan dat de reservering uit de depositiebank zoals opgenomen in het salderingsbesluit van 8 februari 2012 ten tijde van het nemen van het primaire besluit was vervallen, zodat de vergunning niet had mogen worden verleend.

13.1. In het salderingsbesluit van 8 februari 2012 is vermeld dat de op 28 februari 2011 gemaakte reservering voor de saldering op 28 februari 2012 vervalt. In 12.4 is overwogen dat dit besluit alleen op de Verordening stikstof en Natura 2000 Noord-Brabant ziet. Deze reservering heeft betrekking op saldo uit de depositiebank voor Natura 2000-gebieden. Het vervallen van deze reservering raakt het bestreden besluit niet. Gelet hierop faalt het betoog.

14. De Stichting en anderen voeren aan dat de wijze waarop de depositiebank wordt gebruikt tot gevolg kan hebben dat de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiedatum toeneemt, terwijl het uitgangspunt van de beleidsregel juist is dat de N-depositie ten opzichte van de referentiedatum niet toeneemt.

14.1. Voor zover de Stichting en anderen betogen dat toepassing van de beleidsregel niet tot het beoogde doel kan leiden, raakt dit betoog niet de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

15. [appellant sub 2] en de Stichting en anderen stellen dat niet duidelijk is of de depositiebank voldoende saldo heeft, althans dat dit niet is aangetoond. Dit is naar aanleiding van het advies van de hoor- en adviescommissie ten onrechte ook niet nader gemotiveerd, aldus de Stichting en anderen.

15.1. De Afdeling overweegt dat in de beleidsregel is bepaald dat de saldering wordt uitgevoerd indien de depositiebank voldoende saldi bevat. In het bestreden besluit staat dat voor de saldering voldoende saldi in de depositiebank aanwezig zijn. Het college heeft ervoor gekozen om de overzichten waaruit dit blijkt vanwege de omvang niet als bijlagen bij het primaire besluit of het bestreden besluit te voegen. Deze overzichten kunnen volgens het verweerschrift evenwel door een ieder opgevraagd worden bij de beheerder van de depositiebank. De Afdeling acht het niet onredelijk dat deze overzichten niet bij het bestreden besluit zijn gevoegd. Daarbij betrekt zij dat gelet op de werking van de depositiebank voldoende saldi in de depositiebank beschikbaar moeten zijn om de saldering uit te voeren. De omstandigheid dat in het advies van de hoor- en adviescommissie van 10 juli 2012 is vermeld dat het college de nodige duidelijkheid en inzichtelijkheid kan verschaffen door bij de beslissing op bezwaar overzichten van de vullingen, uitgiften en het resterende depositiesaldo per gebied te betrekken, leidt niet tot een ander oordeel, omdat het college niet aan dit advies is gebonden.

16. [appellant sub 2] voert tevens aan dat de depositierechten waarmee in onderhavig geval is gesaldeerd niet op dezelfde natuurmonumenten zien als de vergunde depositie.

16.1. Uit het bestreden besluit blijkt dat de voor de saldering benodigde N-deposities op de beschermde natuurmonumenten Hildsven, De Kavelen en Zwartven uit de depositiebank voor deze gebieden zijn onttrokken. Het betoog slaagt niet.

17. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen grond voor het oordeel dat handelen door het college overeenkomstig de beleidsregel gevolgen zou hebben die onevenredig zijn in verhouding tot het met de beleidsregel te dienen doel.

Het beroep van [appellante sub 1] voor het overige

18. Volgens [appellante sub 1] had het bedrijf moeten kiezen voor een systeem met een chemische luchtwasser met een emissiereductie van 95%, omdat dit de best beschikbare techniek is.

18.1. Het college stelt dat het gehouden is om de vergunningaanvraag te beoordelen op basis van de aangevraagde situatie en niet op basis van mogelijke uitvoeringsalternatieven.

18.2. De vergunning is aangevraagd voor een totale emissie van 1.589,47 kg NH3 per jaar. De Afdeling overweegt dat het college, zoals het terecht heeft gesteld, dient te beslissen op basis van de aanvraag zoals deze is ingediend. Uit de Nbw 1998 noch uit enig ander wettelijk voorschrift kan worden afgeleid dat een vergunning moet worden geweigerd omdat een milieuvriendelijker alternatief bestaat. Deze beroepsgrond treft geen doel.

19. [appellante sub 1] brengt naar voren dat onvoldoende is gekeken naar de cumulatie van depositie. Daarbij wijst [appellante sub 1] op een vrijwel gelijktijdig met de onderhavige vergunning verleende Nbw-vergunning voor eveneens een locatie aan de [locatie] te Hulsel.

19.1. Voor zover [appellante sub 1] betoogt dat de Nbw-vergunningen voor dezelfde locatie ten onrechte zijn opgeknipt ten einde onder de drempelwaarde voor het opstellen van een milieueffectrapport te blijven, wordt overwogen dat dit geen rol speelt in deze procedure.

Niet gebleken is dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit voor een andere locatie aan de [locatie] te Hulsel een vergunning op grond van de Nbw 1998 was verleend, zodat het college de cumulatieve effecten daarvan in redelijkheid niet in de belangenafweging heeft hoeven betrekken.

Het beroep van de Stichting en anderen voor het overige

20. De Stichting en anderen betogen dat het college de belangen onvoldoende heeft afgewogen. Daartoe voeren zij aan dat het college in de beslissing op bezwaar enkel de waarden van de natuurmonumenten beschrijft, maar niet de aantasting van de beschermde natuurmonumenten afweegt tegen de economische en maatschappelijke belangen.

20.1. Naar aanleiding van het advies van de hoor- en adviescommissie, waarin is geconstateerd dat de beoordeling van mogelijk schadelijke gevolgen is beperkt tot de invloed van stikstofdepositie, heeft het college in de beslissing op bezwaar een aanvullende motivering gegeven. Door het college is onder verwijzing naar het aanwijzingsbesluit voor het meest dichtbij de locatie van de voorziene varkenshouderij gelegen beschermde natuurmonument Zwartven gesteld dat de voorgenomen vestiging van de varkenshouderij op een afstand van meer dan 5 kilometer ook geen invloed heeft op de niet N-depositiegevoelige waarden van het gebied. Voor de nog verder gelegen beschermde natuurmonumenten Hildsven en De Kavelen geldt volgens het college hetzelfde.

20.2. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende met de natuurbelangen rekening is gehouden. De Stichting en anderen hebben hun stelling dat sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken van de beschermde natuurmonumenten niet onderbouwd. Gelet hierop en gelet op de uitgevoerde saldering heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aangevraagde handeling niet tot een onaanvaardbare aantasting van de natuurwaarden in de beschermde natuurmonumenten zal leiden. Dit in aanmerking genomen ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college de in geding zijnde belangen op onevenwichtige wijze heeft afgewogen.

Het beroep van [appellant sub 2] voor het overige

21. [appellant sub 2] heeft verzocht om de gronden van het bezwaar als herhaald en ingelast te beschouwen.

21.1. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze bezwaren. [appellant sub 2] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

22. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt de Afdeling tot het oordeel dat het college na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verlenen van de vergunning als bedoeld in artikel 16 van de Nbw 1998.

23. De beroepen zijn, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskostenveroordeling

24. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen van [appellant sub 3] en de stichting Stichting Megastallen Nee Lage Mierde en anderen voor zover dat is ingediend door [2 appellanten sub 4] niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] en [appellant sub 2] geheel en het beroep van de stichting Stichting Megastallen Nee Lage Mierde en anderen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, ambtenaar van staat.

w.g. Van Buuren w.g. Van der Hoorn

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2014

586.