Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2078

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201306747/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Deltaplein" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306747/1/R4.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Voorschoten,

en

de raad van de gemeente Voorschoten,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Deltaplein" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2014, waar [appellanten], en de raad, vertegenwoordigd door J. Engelbert, A. van de Poel, en ir. S.J.W.P. Teerink, allen werkzaam bij Werkorganisatie Duivenvoorde, zijn verschenen.

Voorts is Deltaplein Ontwikkeling B.V., vertegenwoordigd door R.R. van der Post, als partij gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het bestemmingsplan maakt de realisatie van een woon-winkelcomplex met parkeerkelder met uitrit, alsmede een paviljoen met horecafunctie op het nabijgelegen plein mogelijk.

3. [appellanten] voeren aan dat zij hun vrije uitzicht verliezen door de bouwmogelijkheden waarin het plan voorziet. Zij voeren voorts aan dat de bouwmogelijkheden waarin het plan voorziet ertoe leiden dat er minder bezonning van hun dakterras is. Zij betogen dat de bezonningsstudie geen rekening heeft gehouden met het feit dat het dakterras ter hoogte van de eerste verdieping is gelegen. [appellanten] voeren ten slotte aan dat er minder lichtinval in hun woning zal zijn door de bouwmogelijkheden die het plan biedt.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de nieuwe bebouwing die door het plan mogelijk wordt gemaakt, gevolgen heeft voor de woonsituatie van [appellanten]. De raad wijst er op dat op grond van het vorige bestemmingsplan "Centrum" al een bouwdiepte van 15 meter was toegestaan op de eerste en de tweede verdieping. Wanneer deze mogelijkheid was benut, had het dakterras al vrijwel de gehele dag in de schaduw gelegen. Op grond van het onderhavige bestemmingsplan is een bouwdiepte van 13 meter toegestaan, welke een gunstig effect heeft op de lichtinval in de woning en het uitzicht aan de achterkant van de woning.

3.2. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich, mede op basis van de bezonningstudie, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlies aan uitzicht en van toetreding van licht niet dusdanig groot is dat [appellanten] daarvan onaanvaardbare hinder zullen ondervinden. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad bij het verweerschrift een nieuwe bezonningsstudie van 20 november 2013 heeft overgelegd, waarin de woning van [appellanten] meer gedetailleerd is weergegeven. Deze bezonningsstudie geeft geen aanleiding tot een ander standpunt.

Deze beroepsgrond faalt.

4. [appellanten] keren zich tegen de hoogte en de massaliteit van de nieuwbouw die door het plan mogelijk wordt gemaakt. Zij betogen dat een kille straat ontstaat met hoge muren van steen; geen knus winkel- en woongebied.

4.1. Gegeven de ligging in het centrum en de stedenbouwkundige onderbouwing in de toelichting bij het bestemmingsplan, waaruit blijkt dat ter plaatse een verhoging plaatsvindt met één bouwlaag ten opzichte van de huidige bebouwing, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bouwhoogten die het plan mogelijk maakt niet onaanvaardbaar zijn.

Deze beroepsgrond faalt.

5. [appellanten] keren zich ertegen dat het plan voorziet in nieuwe winkelruimte, terwijl al veel winkelruimte langdurig leeg staat. Volgens hen is een groot deel van de nieuwe winkelruimte bestemd voor een nieuwe supermarkt, maar is die overbodig omdat er al drie supermarkten in het centrum zijn.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de toevoeging van winkelruimte past binnen het gemeentelijk beleid. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor een grote winkel die moet fungeren als publiekstrekker aan de Schoolstraat, zodat het vestigingsklimaat aantrekkelijker wordt en leegstand wordt tegengegaan. Volgens de raad is deze ruimte geschikt voor een discountsupermarkt, maar is ook een andere invulling mogelijk.

5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Centrum" aangewezen gronden ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van centrum-grootschalig" op de begane grond bestemd voor één grootschalige detailhandelsunit.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder e, bedraagt het bruto vloeroppervlak ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van centrum-grootschalig" minimaal 800 m² en maximaal 1400 m².

5.3. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, onder e, van de planregels is ter plaatse van de functieaanduiding "specifieke vorm van centrum - grootschalig" één grootschalige detailhandelsunit mogelijk, met een minimum brutovloeroppervlak van 800 m2 en een maximum brutovloeroppervlak van 1400 m2. Ter zitting is gebleken dat uit distributieplanologisch onderzoek blijkt dat ruimte bestaat voor uitbreiding van het winkelareaal. Ook is gebleken dat interesse bestaat voor de locatie. Gelet hierop is naar het oordeel van de Afdeling niet aannemelijk dat het plan ertoe zal leiden dat leegstand ontstaat.

Deze beroepsgrond faalt.

6. [appellanten] keren zich tegen de parkeergarage waarin het plan voorziet. Volgens hen staan de reeds bestaande parkeergarages voor een belangrijk deel leeg en zijn ook de parkeerplaatsen buiten de parkeergarages nooit volledig bezet. [appellanten] voeren voorts aan dat de parkeermogelijkheden minder worden doordat op het bestaande parkeerterrein zal worden gebouwd, terwijl de nieuw te bouwen garage alleen voor de bewoners van de nieuwbouw is.

6.1. De raad streeft naar een maximale bezettingsgraad van parkeerterreinen op piekmomenten van 85%. Om dit te behalen heeft de gemeente de afgelopen jaren geïnvesteerd in het vergroten van het aanbod van parkeerplaatsen in het centrum. Het beleid is dat nieuwe ontwikkelingen de parkeerdruk niet opnieuw mogen verhogen.

De raad stelt dat op het parkeerterrein dat wordt verwijderd voor de nieuwbouw een maximum parkeertijd van twee uur geldt gedurende de dagperiode. Er worden geen andere parkeerplaatsen verwijderd. De raad betoogt dat de nieuwe parkeergarage openbaar is. Een ieder daarvan gebruik maken.

6.2. Volgens het rapport "Parkeerbalans Deltaplein en Knooppunt Voorschoten" (hierna: het rapport) dat als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan is opgenomen wordt de leegstand in de Hema-garage in de parkeerbalans benut voor de toename van de parkeervraag. Zonder dubbel gebruik heeft de parkeerbalans een negatief saldo van zeven parkeerplaatsen. Door conform het parkeerbeleid met dubbel gebruik te rekenen is er op het maatgevende moment een positieve balans van dertien parkeerplaatsen. Ook in de toekomstige situatie is voldoende parkeerruimte beschikbaar om aan de vraag te voldoen. Doordat er in alle situaties altijd vrije plekken beschikbaar zijn, zal er geen of nauwelijks zoekverkeer zijn, waardoor er geen parkeer- of verkeeroverlast zal optreden, aldus dit rapport.

6.3. De Afdeling overweegt dat de raad in redelijkheid een bezettingsgraad van 85% heeft kunnen hanteren om parkeer- en verkeeroverlast te voorkomen en in redelijkheid als beleid heeft kunnen hanteren dat nieuwe ontwikkelingen de parkeerdruk niet opnieuw mogen verhogen. Volgens het rapport verdwijnen ten gevolge van het plan vijftig parkeerplaatsen. De nieuw op te richten publieke parkeergarage voorziet in 115 parkeerplaatsen. Volgens het rapport heeft de parkeerbalans zonder dubbel gebruik een negatief saldo, maar is er met dubbel gebruik op het maatgevende moment een positieve balans.

6.4. In hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd ziet de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie. Gelet hierop heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid kunnen voorzien in een parkeergarage.

Deze beroepsgrond faalt.

7. [appellanten] keren zich ertegen dat drie beeldbepalende bomen worden verplaatst dan wel gekapt. Zij voeren aan dat er voor hen geen vluchtwegen overblijven, doordat de nieuw te bouwen terrassen zullen worden voorzien van schuttingen. Tevens vrezen zij voor wateroverlast door het hoogteverschil tussen hun dakterras en de nieuw aan te leggen dakterrassen en schade door trillingen bij de sloop van bestaande gebouwen en het aanbrengen van damwanden.

7.1. Deze gronden hebben geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgronden moeten derhalve buiten inhoudelijke bespreking blijven. De Afdeling tekent hierbij aan dat de raad ter zitting heeft gemeld dat inmiddels overleg tussen ontwikkelaar en appellant heeft plaatsgevonden en een aantal punten volgens beide partijen naar tevredenheid is opgelost.

8. [appellanten] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellanten] hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Bijleveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

433.