Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2077

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201306888/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Renkum-Heelsum 2013" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306888/1/R2.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellante sub 1], wonend te Heelsum, gemeente Renkum,

2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend te Heelsum, gemeente Renkum,

en

de raad van de gemeente Renkum,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Renkum-Heelsum 2013" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 mei 2014, waar [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. B. Oudenaarden, advocaat te Arnhem, en de raad, vertegenwoordigd door ing. A. Ruiter, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting J.W. [initiatiefnemer], als initiatiefnemer, gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan heeft grotendeels een conserverend karakter en voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor de dorpen Renkum en Heelsum. Het plan voorziet onder meer in de planologische inpassing van zeven woningen op de gronden gelegen tussen de Bennekomseweg, Narcislaan en Bloemenlaan te Heelsum (hierna: het plangebied). Het college van burgemeester en wethouders heeft, met gebruikmaking van de bij besluit van 22 juli 2010 verleende vrijstelling (hierna: het vrijstellingsbesluit), bij besluit van 22 juni 2012 een omgevingsvergunning verleend als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de bouw van deze zeven woningen. Met het plan is onder andere beoogd planologisch vast te leggen hetgeen met het vrijstellingsbesluit en de omgevingsvergunning ter plaatse van het plangebied mogelijk is gemaakt.

Aan het plangebied is voor het gedeelte van de gronden waarop de woningen zijn voorzien de bestemming "Wonen" toegekend.

3. [appellant sub 2] en anderen hebben de beroepsgronden ingetrokken die betrekking hebben op het Besluit hogere grenswaarden en het onderzoek dat is gedaan naar de in het plangebied aanwezige flora en fauna en de invloed van het plan op het nabij gelegen Natura 2000-gebied Veluwe.

Inhoudelijk

4. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan ten onrechte zeven woningen in het plangebied mogelijk maakt, nu de raad zelf als criterium hanteert dat alleen bouwplannen in het plan worden opgenomen waarvan de gehele ruimtelijke-juridische procedure reeds is afgerond. Omdat het vrijstellingsbesluit, waarmee deze woningen planologisch mogelijk zijn gemaakt, en de daarvoor benodigde omgevingsvergunning ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet in rechte onaantastbaar waren, is volgens [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen geen sprake van bestaande rechten waar de raad bij de vaststelling van het plan rekening mee had moeten houden.

Voorts betogen [appellant sub 2] en anderen dat het plan ten onrechte geen motivering bevat voor de in het plangebied voorziene woningbouw. Volgens hen kan de raad niet volstaan met een verwijzing naar de ruimtelijke afweging die hij in het kader van het vrijstellingsbesluit heeft gemaakt. In dat verband voeren [appellant sub 2] en anderen aan dat met de voorziene woningbouw wordt voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, waardoor ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) in de plantoelichting moet zijn beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

4.1. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;

b. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en

c. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt in het Bro en de daarop berustende bepalingen onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

4.2. Vast staat dat het vrijstellingsbesluit, voor zover dat specifiek betrekking heeft op het bouwplan voor de bouw van zeven woningen in het plangebied, en de daarvoor benodigde omgevingsvergunning, ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet rechtens onaantastbaar waren. In de plantoelichting staat dat in het plan bouwplannen zijn meegenomen waarvan de benodigde planologische procedure bij de gemeente is doorlopen en waarvoor de benodigde vergunningen zijn verleend. Ter zitting heeft de raad dit uitgangspunt bevestigd. Dat dit uitgangspunt in de toelichting van het ontwerpplan anders was geformuleerd, maakt het voorgaande niet anders. De raad acht het voorliggende plan door het verlenen van de benodigde vergunningen ruimtelijk aanvaardbaar. De raad heeft in dat verband toegelicht dat reeds tien jaar het voornemen en de wens bestaan om in het plangebied woningbouw te realiseren. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de raad niet aan dit voornemen en deze wens kon vasthouden omdat de procedures in verband met een door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renkum verleende vrijstelling en omgevingsvergunning voor het bouwen ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet waren afgerond. De raad heeft dan ook geen doorslaggevende betekenis hoeven toe te kennen aan het nog niet rechtens onaantastbaar zijn van het vrijstellingsbesluit, voor zover dat specifiek betrekking heeft op het bouwplan voor de bouw van zeven woningen, en de daarvoor benodigde omgevingsvergunning. Overigens zijn het vrijstellingsbesluit in zoverre en de omgevingsvergunning bij uitspraak van de Afdeling van 23 april 2014, in zaak nr. 201302554/1/A1 inmiddels rechtens onaantastbaar geworden.

De betogen falen.

4.3. Voorts staat vast dat in het plangebied zeven woningen mogelijk worden gemaakt binnen de dorpskern in Heelsum. De Afdeling is van oordeel dat gelet op de kleinschalige woningbouw die het plan mogelijk maakt binnen de bebouwde kom van Heelsum, het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie of een andere stedelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Nu de in het plan voorziene ontwikkeling niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro, komt de Afdeling aan de vraag of het plan een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt die nieuw is, nu in het verleden reeds een vrijstelling is verleend voor de in het plan voorziene woningbouw, reeds daarom niet toe.

Gelet op het voorgaande is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in dit geval niet van toepassing, zodat in de plantoelichting niet behoefde te zijn beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Het gegeven dat artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro in dit geval niet van toepassing is, neemt echter niet weg dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte woningen binnen de planperiode in het kader van de uitvoerbaarheid van het plan dient te zijn onderbouwd. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben ten aanzien van de woningbehoefte geen andere gronden aangevoerd dan in de procedure tegen de verleende omgevingsvergunning, met gebruikmaking van de verleende vrijstelling. De Afdeling ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen dan zij heeft gedaan in haar uitspraak van 23 april 2014 in zaak nr. 201302554/1/A1, waarbij in overweging 6.1 is ingegaan op deze beroepsgrond en deze is verworpen. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de behoefte aan de voorziene woningen binnen de planperiode ontbreekt, zodat niet is gebleken dat het voorliggende plan in zoverre niet economisch uitvoerbaar is.

4.4. Het vorenstaande in aanmerking genomen en gelet op de omstandigheid dat het bestemmingsplan geen bouw- of gebruiksmogelijkheden biedt die in aard en omvang afwijken van de bouwmogelijkheden of het gebruik als voorzien in de verleende vrijstelling, sluit de afweging die de raad in het kader van het vaststellen van het plan heeft moeten maken nauw aan bij de ruimtelijke afweging van het college van burgemeester en wethouders in het kader van de verzochte vrijstelling. Gelet hierop heeft de raad mogen aansluiten bij de in het kader van de verzochte vrijstelling gemaakte afweging.

De betogen falen.

5. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat in de planregels ten onrechte niet is bepaald dat 50 procent van de voorziene woningen wordt gebouwd voor de sociale huur- of koopsector, terwijl in het vrijstellingsbesluit op grond van het Regionaal Woonbeleid van de Stadsregio Arnhem-Nijmegen, voorheen bekend als Knooppunt Arnhem-Nijmegen, uit juli 2005 deze voorwaarde wel was opgenomen.

5.1. Vast staat dat in de planregels geen percentage woningbouwcategorieën is opgenomen. Ingevolge artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro kan een bestemmingsplan ten behoeve van de uitvoerbaarheid regels bevatten met betrekking tot sociale huurwoningen, sociale koopwoningen of particulier opdrachtgeverschap. Uit artikel 3.1.2, eerste lid, van het Bro volgt echter niet een verplichting tot het opnemen hiervan. In beginsel behoort het tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. De raad heeft gelet op de gewenste flexibiliteit bij de uitvoering van het plan geen regels over woningbouwcategorieën opgenomen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. Voorts heeft de raad toegelicht dat binnen de gemeente Renkum niet wordt geëist dat elk plan dat voorziet in woningbouw ten minste voor 50 procent moet bestaan uit sociale woningbouw.

De betogen falen.

6. [appellante sub 1] betoogt dat het onderzoek dat in april 2008 is gedaan naar de in het plangebied aanwezige flora en fauna en de invloed van het plan op het nabij gelegen Natura 2000-gebied Veluwe gedateerd en onvolledig is. In dit verband voert zij aan dat het gedane onderzoek is gebaseerd op gedateerde gegevens en ten onrechte geen veldonderzoek heeft plaatsgevonden naar in het plangebied aanwezige flora en fauna anders dan vleermuizen.

6.1. De Afdeling overweegt dat niet is gebleken dat de raad het rapport dat aan het plan ten grondslag is gelegd, enkel door het tijdsverloop niet in redelijkheid aan het plan ten grondslag heeft kunnen leggen. Hoewel de gegevens die voor het onderzoek zijn gebruikt niet zijn geactualiseerd, blijkt uit het rapport dat deze gegevens nog wel bruikbaar zijn voor de beoordeling van het plangebied. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het voorgaande onjuist is. Zij heeft ook anderszins niet aannemelijk gemaakt dat, hoewel niet voor alle plant- en diersoorten veldonderzoek is gedaan, het rapport onvolledig is of op onjuiste gegevens is gebaseerd.

Het betoog faalt.

7. [appellante sub 1] betoogt dat uit het gedane onderzoek niet worden geconcludeerd dat een ontheffing op grond van de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) niet nodig is, nu uit het nader onderzoek blijkt dat het plangebied functioneert als foerageergebied voor vleermuizen.

7.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is, en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover de raad op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat.

7.2. AD.ECO heeft in april 2008 in opdracht van [initiatiefnemer] een onderzoek uitgevoerd in het kader van de Ffw naar het voorkomen van beschermde planten- en diersoorten in het plangebied. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport ‘Advies Flora-en faunawet en Natuurbeschermingswet voor de locatie Opheem te Heelsum’ (hierna: het rapport). In het rapport staat dat nader onderzoek moet plaatsvinden naar het voorkomen van vleermuizen in het plangebied en de omstandigheid dat het plangebied functioneert als foerageergebied voor vleermuizen. Op 14 juni 2008 heeft AD.ECO hiertoe nader onderzoek verricht. De resultaten hiervan zijn neergelegd in het rapport ‘Veldonderzoek in het kader van de Flora- en faunawet locatie Opheem te Heelsum, gemeente Renkum’ (hierna: nader onderzoek).

7.3. Uit het nader onderzoek blijkt - en is tussen partijen niet in geschil - dat het plangebied functioneert als foerageergebied voor dwergvleermuizen en in het plangebied vaste vliegroutes voorkomen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 18 juli 2012 in zaak nr. 201109200/1/R3) wordt een foerageergebied of vaste vliegroute niet gerekend tot een vaste rust- of verblijfplaats die op grond van de Ffw bescherming geniet, tenzij deze als zodanig samenvalt met een vaste rust- of verblijfplaats. In het nader onderzoek staat dat in het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen van vleermuizen in de binnen het plangebied aanwezige bomen zijn gevonden. Verder is niet gebleken dat het binnen het plangebied gelegen foerageergebied en de daarin voorkomende vaste vliegroutes samenvallen met mogelijke buiten het plangebied gelegen vaste rust- of verblijfplaatsen. In hetgeen [appellante sub 1] heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan wat betreft de gevolgen voor door de Ffw beschermde soorten niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van het rapport en het nader onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode in de weg staat.

Het betoog faalt.

8. [appellante sub 1] betoogt verder dat het plan invloed heeft op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe en de raad ten onrechte geen passende beoordeling heeft gemaakt van de gevolgen voor het gebied.

8.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Nbw 1998 houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijk voorschrift waarop het berust, zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstelling van dat gebied.

8.2. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Heelsum en in de nabijheid van het Natura 2000-gebied Veluwe.

AD.ECO heeft in april 2008 in opdracht van initiatiefnemer [initiatiefnemer] tevens een onderzoek uitgevoerd in het kader van de Nbw 1998 naar de invloed van het plan op het nabij gelegen Natura 2000-gebied Veluwe. De resultaten hiervan zijn eveneens neergelegd in het rapport. In het rapport staat dat de voorziene woningen gezien de ligging van het plangebied in een villawijk geen negatieve invloed hebben op het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe.

8.3. De Afdeling overweegt dat [appellante sub 1] niet gemotiveerd heeft betwist dat deze conclusie uit het rapport onjuist is. In hetgeen zij heeft aangevoerd bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het plan wat betreft de gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Veluwe niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid. Evenmin bestaat aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van het rapport niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen significante effecten als gevolg van het plan worden verwacht. Gelet hierop behoefde in het kader van het vaststellen van het plan geen passende beoordeling te worden gemaakt.

Het betoog faalt.

9. [appellante sub 1] betoogt dat in het advies van het Waterschap Vallei & Eem (hierna: het Waterschap) onvoldoende rekening is gehouden met de niveauverschillen binnen het plangebied in combinatie met de uitbreiding van het bebouwd oppervlak en de gevolgen daarvan voor de afvoer van het hemelwater.

9.1. De Afdeling overweegt dat in het advies van het Waterschap staat dat een gescheiden rioolstelsel in het plangebied wordt aangelegd, waarbij het afvalwater wordt afgevoerd en het hemelwater wordt geïnfiltreerd. Het op deze wijze afvoeren van het hemelwater is volgens het Waterschap overeenkomstig de checklist watertoets Renkum en het beleid van het Waterschap. [appellante sub 1] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het aspect waterhuishouding geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Het betoog faalt.

10. Ten aanzien van het betoog van [appellante sub 1] dat het plan niet voldoet aan de duurzaamheidseisen die op grond van onder meer het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen worden gesteld, overweegt de Afdeling dat zij haar betoog niet nader heeft onderbouwd, zodat het betoog reeds daarom faalt.

11. Wat betreft het betoog van [appellante sub 1] dat de vrijstelling niet verleend had mogen worden en het bouwplan dat ten grondslag ligt aan het vrijstellingsbesluit onvoldoende concreet is, overweegt de Afdeling dat het vrijstellingsbesluit thans niet voorligt. Gelet hierop behoeven deze beroepsgronden geen bespreking.

12. Ten aanzien van de overige beroepsgronden van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen die betrekking hebben op de ruimtelijke uitstraling van de in het plan voorziene woningbouw en de invloed hiervan op de monumentale waarde van het nabij gelegen rijksmonument, alsmede op de parkeervoorzieningen en de verkeersbewegingen als gevolg van het plan volstaat de Afdeling met een verwijzing naar de uitspraak van 23 april 2014 in zaak nr. 201302554/1/A1. [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben met betrekking tot deze onderwerpen geen andere gronden aangevoerd dan in laatstgenoemde zaak.

De betogen falen.

Slotoverwegingen

13. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen van [appellante sub 1] en [appellant sub 2] en anderen ongegrond.

14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

12-772.