Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2057

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201305132/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 maart 2012 heeft de raad een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Woningwet
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2014/56
ABkort 2014/227
JOM 2014/595
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305132/1/A2.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Warnsveld, gemeente Zutphen,

en

de raad van de gemeente Zutphen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2012 heeft de raad een verzoek van [appellant] om schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 10 juli 2012 heeft de raad het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en de raad hebben elk nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. T.W. Franssen, advocaat te Breda, is verschenen.

Overwegingen

1. [appellant] is eigenaar van de woning aan de [locatie] te Warnsveld (hierna: de woning). Ingevolge artikel 7, derde lid, onder h, van de bij het bestemmingsplan ‘Warnsveld 1978’ (hierna: het oude bestemmingsplan) behorende voorschriften was het niet toegestaan om op het bouwvlak van het naast de woning gelegen perceel (hierna: het belendende perceel) een woning op te richten.

Op 28 mei 2009 heeft de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan ‘Warnsveld Kom Noord 2008’ (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) plaatsgevonden. Ingevolge de bij het ontwerp behorende voorschriften zou het belendende perceel geen bouwvlak meer hebben.

Op 18 november 2009 is het belendende perceel gesplitst. Als gevolg daarvan was de bouw van een woning op het bouwvlak niet langer in strijd met artikel 7, derde lid, onder h, van de bij het oude bestemmingsplan behorende voorschriften. Op 12 april 2010 is een aanvraag om een reguliere bouwvergunning eerste fase ingediend. Bij besluit van 4 juni 2010 is die aanvraag ingewilligd. Bij besluit van 29 oktober 2010 is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 juni 2010 heeft de raad het nieuwe bestemmingsplan vastgesteld. Bij uitspraak van 10 augustus 2011 in zaak nr. 201009160/1/R2 heeft de Afdeling het daartegen door de eigenaar van het belendende perceel ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd voor zover het ziet op het belendende perceel. In deze uitspraak is overwogen dat, nu de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat hij in de verleende bouwvergunning geen aanleiding heeft gezien om het nieuwe bestemmingsplan gewijzigd vast te stellen en dat de bouwmogelijkheid onder het overgangsrecht is gebracht en bij de eerstvolgende actualisering als zodanig bestemd zal worden, de raad geen planologische bezwaren tegen de toekenning van een bouwvlak heeft, zodat hij zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwvlak niet als zodanig in het nieuwe bestemmingsplan behoefde te worden vastgelegd.

2. Bij brief van 17 november 2011 heeft [appellant] de raad verzocht om vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van het overschrijden van de termijn, als bedoeld in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: de Wro), bij het vaststellen van het nieuwe bestemmingsplan. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de aanhoudingsplicht voor de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning, als bedoeld in artikel 50, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet (oud), ingevolge artikel 50, tweede lid, aanhef en onder b, van deze wet op 20 augustus 2009 is komen te vervallen, dat het als gevolg daarvan niet meer mogelijk was bouwvergunning voor het belendende perceel te weigeren en dat de waarde van de woning door het verlenen van bouwvergunning is aangetast. In het standpunt van [appellant] ligt besloten dat hij meent dat, indien het nieuwe bestemmingsplan binnen de termijn was vastgesteld, daarin niet alsnog in een bouwvlak voor het belendende perceel zou zijn voorzien.

3. [appellant] betoogt dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de geschonden norm niet strekt tot bescherming tegen de schade die hij stelt te hebben geleden, zodat het zogenoemde relativiteitsvereiste, als bedoeld in artikel 6:163 van het Burgerlijk Wetboek, zich tegen vergoeding van die schade verzet. Daartoe voert hij aan dat het verlenen van bouwvergunning voor het belendende perceel gedurende de zogenoemde voorbereidingsbescherming niet mogelijk was en dat het standpunt van de raad impliceert dat de termijn van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro inhoudsloos is.

3.1. De door [appellant] ingeroepen norm van artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro, gelezen in verbinding met artikel 50, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet (oud), heeft tot doel te voorkomen dat, na de terinzagelegging van het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan, dat bestemmingsplan wordt gefrustreerd doordat, voorafgaand aan de vaststelling ervan, een aanvraag om bouwvergunning wordt ingediend die volgens het geldende planologische regime voor inwilliging in aanmerking komt. De aanhoudingsplicht strekt tot bescherming van het planologische regime van het nieuwe bestemmingsplan, dat, naar de laatste inzichten, het meest wenselijke is. Dat de aanhoudingsplicht vervalt als het nieuwe bestemmingsplan niet binnen de in artikel 3.8, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wro gestelde termijn wordt vastgesteld, is om de bescherming, die met die plicht wordt bewerkstelligd, in de tijd te begrenzen en de raad aan te sporen met de nodige voortvarendheid te handelen. Die termijn strekt niet tot bescherming tegen de vermogensrechtelijke schade zoals [appellant] die stelt te hebben geleden. De raad heeft het verzoek om schadevergoeding reeds hierom terecht afgewezen.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt voorts dat de raad, door zich ten behoeve van de beslissing op het verzoek om schadevergoeding door de schadeverzekeraar van de gemeente te laten adviseren, in strijd met artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft gehandeld, omdat die schadeverzekeraar belang heeft bij het niet hoeven uitkeren van schadepenningen en niet objectief en onbevooroordeeld is.

4.1. De raad is, anders dan [appellant] betoogt, in het besluit van 10 juli 2012, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarschriftencommissie van 4 juni 2012, ingegaan op het beroep op artikel 2:4 van de Awb. In dat advies is uiteengezet dat het voor de hand ligt en volstrekt legitiem is dat de schadeverzekeraar in het begin van de procedure is ingeschakeld, dat de schadeverzekeraar niet verplicht is om [appellant] te horen, dat de besluitvorming door het college, bijgestaan door een gespecialiseerde advocaat, is voorbereid en dat daartegen geen bezwaar bestaat. In beroep zijn geen redenen aangevoerd op grond waarvan de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet in strijd met artikel 2:4 van de Awb is gehandeld.

Het betoog faalt.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. G. Snijders, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

452.