Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2050

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
201302694/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Herziening Terlo" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201302694/1/R3.

Datum uitspraak: 11 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Bergeijk,

en

de raad van de gemeente Bergeijk,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 december 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Herziening Terlo" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 februari 2014, waar [appellant] bij monde van [appellant B], bijgestaan door mr. W. Krijger en drs. C. Snaterse, en de raad, vertegenwoordigd door mr. T. Duffhues, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. H.J.M. Wingens, advocaat te Nijmegen en door F.H.J. van den Heuvel en P.J. van Otterdijk, zijn verschenen.

Overwegingen

Algemeen

1. Het plan maakt deel uit van de nieuwbouwlocatie Terlo. Ten behoeve van deze nieuwbouwlocatie heeft de raad op 15 oktober 2007 het bestemmingsplan "Terlo" vastgesteld. Ter uitwerking van dit plan heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergeijk op 20 juli 2010 voor het zuidwestelijke deel van de nieuwbouwlocatie de uitwerkingsplannen "Terlo uitwerking 1" en "Terlo uitwerking 2" vastgesteld. Het bestreden besluit strekt tot gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan" Terlo" en omvat het noordelijke deel van de nieuwbouwlocatie Terlo alsmede het bedrijfsperceel [locatie 1], de woning met bijbehorende bedrijfsruimte op het perceel [locatie 2], de uitbreiding van een voetbalvereniging en het waterbergingsgebied ten oosten van de natuurtuin.

Toetsingskader

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Waterhuishouding

3. [appellant] betoogt dat de raad het plan ten onrechte heeft vastgesteld. Hiertoe voert hij aan dat het plangebied betrekking heeft op laaggelegen gronden waar nu al regelmatig wateroverlast is en dat de raad desondanks onvoldoende zorgvuldig de waterhuishoudkundige situatie van het gebied in beeld heeft gebracht en een goede waterhuishouding niet heeft gewaarborgd. Volgens [appellant] blijkt uit een aantal rapporten en onderzoeken dat het treffen van waterhuishoudkundige maatregelen noodzakelijk is en volgens [appellant] worden bij het plan minder maatregelen getroffen dan volgens deze rapporten en onderzoeken nodig zijn. Voorts betoogt [appellant] dat de berekende opvangcapaciteit van het gebiedseigen water niet kan worden gehaald bij de uitvoering van het plan en dat voor het water uit het afwateringsgebied geen opvang beschikbaar is. Het water uit het afwateringsgebied stroomt sneller het plangebied in, nu de duikers die naar het plangebied leiden niet langer dichtzitten.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat rekening is gehouden met de opvang van gebiedseigen en gebiedsvreemd water. Bij de berekening van de bergingsbehoefte is de afwatering van het achterliggend gebied expliciet meegenomen. Dat duikers, die water naar het plangebied afvoeren, zijn vervangen en onderhouden maakt dit niet anders. Met het water van het achterliggend gebied dat via deze duikers en sloten kan worden afgevoerd is rekening gehouden, aldus de raad. Voorts stelt de raad dat de benodigde waterhuishoudkundige maatregelen zijn of tijdig zullen worden getroffen.

3.2. Ingevolge artikel 4, lid 4.1, van de planregels, zijn de voor "Groen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. bermen en beplantingen;

c. speelvoorzieningen;

d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

e. waterberging ter plaatse van de aanduiding "waterberging";

f. een gronddam ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van

water - gronddam";

(…).

Ingevolge lid 4.4 is het college van burgemeester en wethouders bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen en de bestemming "Groen" te wijzigen in de bestemming "Water" indien uit een evaluatie blijkt dat dit noodzakelijk is ten behoeve van een goede waterhuishouding, waarbij de volgende voorwaarden gelden:

a. er is geen sprake van milieuhygiënische belemmeringen;

b. de belangen van derden worden niet onevenredig aangetast.

Ingevolge artikel 8, lid 8.1, zijn de voor "Water" aangewezen gronden bestemd voor:

a. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder voorzieningen voor waterberging, -aanvoer en -afvoer, zoals watergangen, waterlopen en waterpartijen;

b. groenvoorzieningen;

c. voorzieningen voor verkeer en verblijf, bruggen, duikers, en gelijksoortige voorzieningen.

3.3. Ingevolge artikel 3.1.6, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) dient in de plantoelichting een beschrijving te worden neergelegd van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.

In paragraaf 5.4 van de plantoelichting is een beschrijving opgenomen van de wijze waarop met de gevolgen voor de waterhuishouding rekening is gehouden. In het kader van de watertoets hebben er meerdere overleggen plaatsgevonden tussen het gemeentebestuur van Bergeijk, Waterschap De Dommel, de stedenbouwkundige en het onderzoeksbureau Oranjewoud. Uit deze overleggen is gebleken dat de waterhuishoudkundige situatie in het gebied vrij kritisch is.

Voor de nieuwbouwlocatie Terlo is door Oranjewoud op 8 november 2010 het rapport "Waterhuishoudingsplan Ontwikkelingslocatie Terlo" (hierna: het waterhuishoudingsplan) opgesteld. Aanvullend op dit waterhuishoudingsplan is door het onderzoeksbureau Arcadis een onderzoek uitgevoerd naar het functioneren van de Breerijt. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport "Functioneren Breerijt" van 14 juli 2011. Dit rapport is opgesteld naar aanleiding van de overstroming van het gebied op 13 en 14 november 2010. In beide rapporten zijn de kenmerken en het functioneren van het huidige watersysteem en het toekomstige watersysteem opgenomen. Beide rapporten zijn beoordeeld door het onderzoeksbureau Artesia B.V. (hierna: Artesia). De bevindingen van Artesia zijn beschreven in de rapporten "Hydrologisch Neutraal Bouwen" van 1 juli 2011.

3.4. Op 7 september 2010 heeft het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant besloten omtrent de goedkeuring van de uitwerkingsplannen "Terlo uitwerking 1" en "Terlo uitwerking 2". In de uitspraak van de Afdeling van 7 december 2011 in zaak nr. 201010657/1/R3 is vervolgens geoordeeld dat het aan die uitwerkingsplannen ten grondslag liggende onderzoek naar de waterhuishoudkundige gevolgen van de voorziene woningbouw onvoldoende is geweest. Voorts is overwogen dat in het rapport "Functioneren Breerijt" een aantal maatregelen wordt voorgesteld om wateroverlast te voorkomen en dit rapport door een onafhankelijke deskundige is beoordeeld, dat de raad ter zitting heeft toegezegd dat deze maatregelen voorafgaand aan de realisering van de uitwerkingsplannen zullen worden uitgevoerd en dat voor deze maatregelen inmiddels financiële middelen beschikbaar zijn gesteld. Gelet hierop heeft de Afdeling geen aanleiding gezien voor het oordeel dat aan de realisering van de maatregelen getwijfeld moet worden en heeft de Afdeling de goedkeuringsbesluiten van beide uitwerkingsplannen weliswaar vernietigd, maar bepaald dat de rechtsgevolgen van deze plannen geheel in stand blijven.

Aan het thans ter beoordeling staande plan liggen dezelfde rapporten ten grondslag die betrokken waren in de zaak nr. 201010657/1/R3.

3.5. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de raad, mede gelet op de huidige marktomstandigheden, heeft gekozen voor een gefaseerde ontwikkeling van het woongebied Terlo. Ook de benodigde waterhuishoudingsvoorzieningen worden fasegewijs uitgevoerd. Per fase wordt ook de benodigde watervergunning aangevraagd.

Ter zitting is gebleken dat [appellant] met name bezwaar heeft tegen de waterbergingen en de stuw die in het plangebied zullen worden aangelegd. [appellant] heeft een door onderzoeksbureau Snaterse civiele techniek en management opgesteld rapport "Advies waterproblematiek bestemmingsplan Terlo" van 13 september 2013 overgelegd met daarin opgenomen een aantal aanbevelingen om de risico’s voor wateroverlast tot een aanvaardbare omvang te beperken. In dit advies wordt gesteld dat de waterbergingen en de stuw, zoals deze nu zijn opgenomen in het plan, niet afdoende zullen werken dan wel verkeerde maatregelen betreffen.

De Afdeling is over de in het plangebied voorziene waterbergingen van oordeel dat, mede gelet op hetgeen zij eerder heeft overwogen in haar uitspraak in zaak nr. 201010657/1/R3, onvoldoende aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de daaraan ten grondslag liggende berekeningen. Voorts is ter zitting gebleken dat het waterschap heeft ingestemd met de capaciteit van de waterbergingen. Over de stuw is de Afdeling van oordeel dat het gaat om een uitvoeringsmaatregel die bij het bestemmingsplan mogelijk is gemaakt. Ook is een voor de stuw benodigde watervergunning verleend en inmiddels in rechte onaantastbaar. De Afdeling ziet geen reden om te twijfelen aan het standpunt van de raad dat ook bij extreme situaties, uitgaande van T=100, geen inundatie optreedt vanuit het oppervlaktewater.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond om terug te komen op de beoordeling van de waterhuishoudkundige gevolgen van de verwezenlijking van het woongebied Terlo.

Het betoog faalt.

Parkeren

4. [appellant] betoogt dat met betrekking tot het parkeren in het plangebied de raad ten onrechte van zijn eigen beleid afwijkt. Er is te weinig ruimte om 49 parkeerplaatsen te realiseren. [appellant] vreest voor een toename van de parkeerdruk.

4.1. Over het aantal parkeerplaatsen stelt de raad dat bij het bepalen van de parkeerbehoefte is uitgegaan van de parkeer-kencijfers 2008 van het Nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte CROW (hierna: CROW).

4.2. De Afdeling stelt ten eerste vast dat ten aanzien van de bestemming "Woongebied" in artikel 10, lid 10.1, aanhef en onder i, van de planregels, is voorzien in een medebestemming voor parkeren. Voorts stelt de Afdeling vast dat niet het aantal parkeerplaatsen in geschil is, maar de fysieke ruimte die hiervoor beschikbaar is. Gelet op het aantal te realiseren woningen, bezien in het licht van de omvang van het plangebied, heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende fysieke ruimte beschikbaar is voor de realisering van de benodigde parkeerplaatsen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene ontwikkelingen niet tot parkeeroverlast zullen leiden. Het betoog faalt.

[locatie 2]

5. Ten aanzien van het perceel [locatie 2] stelt

[appellant A] dat het college van burgemeester en wethouders na de uitspraak van de Afdeling van 25 november 2009 in zaak nr. 200806057/1/R2, met hem in overleg is getreden. [appellant A] heeft hierbij aangegeven dat indien een bouwkavel zou worden opgenomen op zijn perceel hij bereid was om tot een minnelijke regeling te komen. Het college heeft in dat gesprek aangegeven bereid te zijn om een extra bouwblok toe te kennen voor dit perceel. Deze toezegging is volgens [appellant A] ten onrechte niet in het plan opgenomen, terwijl hiervoor geen belemmeringen zijn.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het voornemen van [appellant A] nog onvoldoende concreet is om op te nemen in het voorliggende plan. Dat geen bouwvlak is toegekend aan het plandeel dat ziet op het perceel van [appellant A] betekent volgens de raad niet dat geen bereidheid bestaat om planologische medewerking te verlenen aan een eventueel bouwplan. Indien in de toekomst door [appellant A] een concreet verzoek wordt ingediend kan - indien dit ruimtelijk wenselijk en passend is - alsnog medewerking aan het voornemen worden verleend, aldus de raad.

5.2. Door [appellant A] zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat ten tijde van de vaststelling van het plan reeds een concreet bouwplan bestond voor de bouw van een woning op zijn perceel, noch is anderszins aannemelijk gemaakt dat het voornemen zodanig concreet was dat de raad de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan heeft kunnen beoordelen. Met de wens voor een extra bouwkavel op het perceel hoefde de raad bij de vaststelling van dit plan dan ook geen rekening te houden.

Het betoog faalt.

[locatie 1]

6. [appellant B] betoogt ten aanzien van zijn perceel [locatie 1] dat toegezegd is dat een gronddam zal worden aangelegd rondom dit perceel en dat de sloot die om het perceel ligt de functie van afvoersloot zal krijgen voordat met de woningbouw wordt gestart. Deze toezegging is niet in het plan opgenomen.

6.1. De raad stelt dat de gronddam aan de oost- en zuidzijde van dit perceel al is aangelegd. Het resterende deel, de westzijde, is voorzien in het plan en zal worden aangelegd. De gronddam heeft de aanduiding "specifieke vorm van water - gronddam" binnen de bestemming "Groen". Met betrekking tot de sloot die om het perceel ligt, stelt de raad dat de functie van de sloot is gewijzigd. Het gaat niet meer om een hoofdwaterloop, maar om een afwateringssloot die mede en vooral ten dienste staat van dit perceel. De sloot heeft een beperktere functie dan voorheen was voorzien. Om deze reden is voor de sloot niet een specifieke bestemming opgenomen. De raad stelt voorts dat de benodigde watervergunning is verkregen, zodat tot de aanleg kan en volgens de raad ook zal worden overgegaan.

6.2. Zoals in artikel 4, lid 4.1, onder f, van de planregels is bepaald, is ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van water - gronddam" de aanleg van een gronddam mogelijk. Ook in de door [appellant B] bedoelde sloot is planologisch voorzien. De wijze waarop de gronddam tot stand zal komen en de sloot zal functioneren betreft in beginsel de uitvoering van het plan, die in deze procedure niet ter beoordeling staat. In het kader van de verleende watervergunning hebben afzonderlijke rechtsmiddelen opengestaan. Nu voorts, mede gelet op de uitdrukkelijke verklaring van de raad, geen aanleiding bestaat om te twijfelen dat een en ander tijdig zal worden gerealiseerd, ziet de Afdeling in hetgeen door [appellant B] op dit punt is aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het plan ten aanzien van het perceel [locatie 1] in strijd met gedane toezeggingen is vastgesteld.

Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

7. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Matulewicz

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 juni 2014

45-774.