Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2043

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201400351/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:17935, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 augustus 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201400351/1/V1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2013 in zaak nr. 13/23051 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 19 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de grieven klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van de vreemdeling ongeloofwaardig is, omdat de vreemdeling de aanleiding voor zijn vertrek uit Togo uitgebreid heeft toegelicht en de staatssecretaris hem voorts niet heeft tegengeworpen dat hij tegenstrijdig heeft verklaard, de overgelegde documenten het asielrelaas onderbouwen en de staatssecretaris hetgeen bekend is over de situatie in Togo had moeten betrekken bij het besluit.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 18 februari 2011 in zaak nr. 201002537/1/V2 voert de staatssecretaris daartoe aan dat de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling tot zijn verantwoordelijkheid behoort en dat de rechtbank, door voorbij te gaan aan de motivering in het besluit, een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd.

1.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 wijst de staatssecretaris een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 af, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 13 december 2013 in zaak nr. 201301501/1/V2) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van het door een vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde, tot de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris en kan de bestuursrechter die beoordeling slechts terughoudend toetsen. De maatstaf voor die toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, maar of de staatssecretaris, gelet op de motivering in voornemen en besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

1.2. De staatssecretaris heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, omdat de vreemdeling vage, summiere, ongerijmde en onaannemelijke verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft de vreemdeling zelfs niet bij benadering kunnen aangeven hoe lang de demonstraties op 10, 11 en 12 januari 2013 hebben geduurd, terwijl deze demonstraties de reden van zijn vertrek waren en dus mag worden verwacht dat hij hierover meer kan verklaren. Voorts is het volgens de staatssecretaris ongerijmd dat de autoriteiten de vreemdeling op dat moment ineens zouden zoeken, terwijl hij vaker deelnam aan demonstraties en niet eerder problemen heeft gehad. De verklaringen over het bezoek van de politie bij hem thuis, waarover hij geen nadere informatie kan geven, zijn slechts gebaseerd op verklaringen van zijn eigen neef, die geen objectieve bron is, aldus de staatssecretaris. Ten slotte heeft de vreemdeling summier verklaard over de Alliance Nationale pour le Changement (hierna: de ANC), is de vreemdeling niet in staat de route naar het kantoor van de ANC te beschrijven, noch een beschrijving van de omgeving van dat kantoor te geven en heeft hij verklaard nooit een lidmaatschapskaart van de ANC te hebben gehad. Volgens de staatssecretaris is dit bevreemdingwekkend, omdat de vreemdeling stelt dat hij al sinds februari 2012 actief lid was van de ANC en vaak op het kantoor kwam.

De documenten die de vreemdeling heeft overgelegd, dragen volgens de staatssecretaris niet bij aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Uit de overgelegde foto's volgt niet dat de vreemdeling lid was van de ANC. Het opsporingsbericht is geen origineel document en hieruit blijkt evenmin waarom de autoriteiten de vreemdeling zoeken. De verklaring van de ANC over de betrokkenheid van de vreemdeling bij genoemde demonstraties is evenmin origineel en voorts opgemaakt op verzoek van de neef van de vreemdeling, waardoor er niet de waarde aan kan worden gehecht die de vreemdeling eraan gehecht wil zien, mede gelet op de inhoud ervan, die niet overeenkomt met wat de vreemdeling zelf heeft verklaard, aldus de staatssecretaris.

1.3. Gelet op deze motivering en het onder 1.1 vermelde toetsingskader is de Afdeling, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en daarom ongeloofwaardig is. De omstandigheid dat de rechtbank bepaalde onderdelen van het asielrelaas anders waardeert dan de staatssecretaris bij de beoordeling ervan heeft gedaan, maakt niet dat die beoordeling derhalve in redelijkheid onhoudbaar is, noch dat het besluit ondeugdelijk is gemotiveerd.

De grieven slagen.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover deze, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog bespreking behoeven.

3. De vreemdeling betoogt tevergeefs dat de staatssecretaris nader onderzoek had moeten verrichten naar de door hem overgelegde documenten, gelet op de samenwerkingsplicht zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchtelingen of als personen die anderszins internationale bescherming behoeven en de inhoud van de verleende bescherming (PB 2004 L 304 en - rectificatie - PB 2005 L 204). De staatssecretaris heeft zich immers, gelet op hetgeen in 1.2 is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat de overgelegde documenten niet kunnen bijdragen aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 12 maart 2014 in zaak nr. 201307165/1/V1).

4. Het betoog van de vreemdeling dat zijn asielrelaas overeenkomt met de beschikbare landeninformatie en dat de staatssecretaris deze informatie bij het besluit had moeten betrekken faalt, reeds omdat de staatssecretaris zich, mede gelet op hetgeen in 1.2 en 1.3 is overwogen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij de beschikbare landeninformatie heeft betrokken bij de beoordeling van het asielrelaas, maar dat de omstandigheid dat die informatie overeenkomt met het asielrelaas, onverlet laat dat het asielrelaas ongeloofwaardig is.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 19 december 2013 in zaak nr. 13/23051;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

488-785.