Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2039

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201310957/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 oktober 2013, kenmerk RV/13/00350, heeft de raad het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2e fase" vastgesteld. Bij besluit van 1 oktober 2013, kenmerk 02142163, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 14 huur- en 2 koopwoningen en 16 tuinbergingen binnen het plangebied.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2014/103 met annotatie van H.J. Breeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310957/1/R6.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Zoelen, gemeente Buren,

2. [appellant sub 2], wonend te Zoelen, gemeente Buren,

3. [appellant sub 3], wonend te Zoelen, gemeente Buren,

4. [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], wonend te Zoelen, gemeente Buren,

appellanten,

en

1. de raad van de gemeente Buren,

2. het college van burgemeester en wethouders van Buren,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2013, kenmerk RV/13/00350, heeft de raad het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2e fase" vastgesteld.

Bij besluit van 1 oktober 2013, kenmerk 02142163, heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 14 huur- en 2 koopwoningen en 16 tuinbergingen binnen het plangebied.

Tegen deze besluiten hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

[appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellanten sub 4] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2014, waar [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 4A], bijgestaan door mr. R. Benhadi, advocaat te Nijmegen, de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. ing. J. de Vries, M.A.J. van Ooijen en ing. N.J. Stam, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door C. Robbemondt, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Het plan voorziet in 33 nieuwe woningen in de woonbuurt Scharenburg te Zoelen. De omgevingsvergunning heeft betrekking op 16 van die woningen. Het plan en de omgevingsvergunning zijn op grond van de Coördinatieverordening gemeente Buren gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt als bedoeld in artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro).

Het bestemmingsplan

3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

4. De raad voert aan dat het beroep van [appellanten sub 4], voor zover zij betogen dat het toestaan van webwinkels negatieve gevolgen heeft voor hun woon- en leefklimaat en er geen behoefte bestaat aan de woningen, niet rust op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Verder stelt de raad dat artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) eraan in de weg staat deze gronden bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

4.1. Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2 alsmede met artikel 6:13, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan als hij daarover bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. Dit betekent dat besluitonderdelen die in de zienswijze niet zijn bestreden en die ongewijzigd worden vastgesteld, in de beroepsfase niet alsnog kunnen worden bestreden. [appellanten sub 4] hebben een zienswijze naar voren gebracht over het ontwerpplan als geheel. Anders dan de raad kennelijk veronderstelt, beperkt de zienswijze zich niet tot een onderdeel van het besluit tot vaststelling van het plan.

4.2. Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. De desbetreffende beroepsgronden zijn in het beroepschrift aangevoerd, zodat artikel 1.6a van de Chw zich er, anders dan de raad stelt, niet tegen verzet dat die gronden worden betrokken bij de beoordeling van het beroep.

4.3. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de beroepsgronden over webwinkels en de woningbehoefte buiten beschouwing te laten.

Woningbehoefte

5. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] betwisten dat een actuele behoefte bestaat aan de in het plan voorziene woningen. [appellanten sub 4] vrezen daarom dat leegstand ontstaat hetgeen een negatieve invloed heeft op hun woon- en leefklimaat en de waarde van hun woning. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] voeren onder meer aan dat de zogenoemde harde plancapaciteit in de gemeente Buren de woningbouwbehoefte overschrijdt. [appellant sub 1] betoogt dat de stichting Stichting Volkshuisvesting Tiel (hierna: stichting SVT) geen huurwoningen nodig heeft, omdat deze stichting elders in Zoelen juist huurwoningen verkoopt.

5.1. De raad stelt met de regio en de provincie te hebben afgesproken dat in de periode 2010-2020 plannen gemaakt kunnen worden voor maximaal 1040 woningen. De raad verwijst naar een prioriteitstelling woningbouw, waarbij een lijst met het aantal woningen in de projecten in de gemeente Buren is gevoegd. De raad wijst verder op een woningmarktonderzoek dat in 2011 is uitgevoerd. De raad stelt dat in Zoelen behoefte bestaat aan huurwoningen in het goedkope en middeldure segment, waarop het plan aansluit. Doordat sommige projecten zijn vervallen, kunnen de vrijgekomen woningen bij andere projecten, waaronder Scharenburg, worden ingepast. De woningen uit het plan vallen daardoor binnen het maximum aantal van 1040 woningen, aldus de raad. De raad stelt verder dat de stichting SVT en [belanghebbende] een overeenkomst hebben gesloten voor de afname van het aantal sociale woningen en verwijst naar een verklaring van de stichting SVT waaruit de behoefte aan de door het plan mogelijk gemaakte woningen zou blijken.

5.2. Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro), voor zover hier van belang, voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, aan de volgende voorwaarden:

a. er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, wordt verstaan onder stedelijke ontwikkeling: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

5.3. Zoals de voorzitter van de Afdeling heeft overwogen (uitspraak van 11 februari 2014, zaak nr. 201310957/2/R6), moet de in het plan mogelijk gemaakte ontwikkeling - 33 nieuwe woningen - worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Dit brengt mee dat ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro met het oog op zorgvuldig ruimtegebruik in de plantoelichting onder meer inzichtelijk moet zijn gemaakt dat deze ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

5.4. In de plantoelichting is vermeld dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland op 12 januari 2010 het Kwalitatief Woonprogramma 2010-2019 heeft vastgesteld waarin afspraken tussen de provincie, de gemeenten en de regio’s in Gelderland over de woningbouw en de bestaande woningvoorraad voor tien jaar zijn vastgelegd. In de regio Rivierenland - waartoe het plangebied behoort - mogen blijkens de plantoelichting in de periode tot 2020 9.800 woningen worden gebouwd. Verder is vermeld dat op basis van in 2012 tussen provincie, regio en gemeenten aanvullend gemaakte afspraken de gemeente Buren voor de periode tot 2020 een planvoorraad van 1040 op te leveren woningen mag hebben. De raad heeft in het rapport "Prioriteitstelling Woningbouwprojecten 2010-2012, november 2011, versie 7, eindrapport" (hierna: het rapport Prioriteitstelling) de prioriteitstelling woningbouw vastgesteld waarbij - zo is in de plantoelichting gesteld - het aantal woningen in plannen tot 2020 werd teruggebracht tot 1040 woningen. Dat door de plancapaciteit van 33 woningen dit contingent van 1040 woningen niet wordt overschreden is in de plantoelichting onvoldoende inzichtelijk gemaakt. De enkele verwijzing in de plantoelichting naar het rapport Prioriteitstelling is daartoe onvoldoende, omdat uit dit rapport - zonder nadere toelichting - niet eenduidig valt af te leiden uit hoeveel woningen de plancapaciteit in de gemeente Buren bestaat.

In de plantoelichting is derhalve niet, zoals vereist door artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro, inzichtelijk gemaakt dat met de binnen het plangebied voorziene woningbouw wordt voorzien in een actuele regionale behoefte. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling gelet daarop aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt is genomen in strijd met de genoemde bepaling.

5.5. De raad heeft bij nadere memorie van 20 maart 2014 en ter zitting een toelichting gegeven op de actuele regionale behoefte waarin de voorziene woningen volgens de raad voorzien en op het rapport Prioriteitstelling. De Afdeling zal onderzoeken of, indien zij gelet op hetgeen in 5.4 is overwogen tot vernietiging van het bestreden besluit overgaat, zij de rechtsgevolgen daarvan in stand kan laten. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

De raad heeft toegelicht dat voornoemde prioriteitstelling bestaat uit zogenoemde harde en zachte plannen. Onder harde plannen verstaat de raad woningbouw die bij recht in bestemmingsplannen mogelijk is gemaakt en onder zachte plannen worden woningbouwplannen verstaan waarover de gemeente weliswaar in gesprek is maar waarvoor nog geen ontwerpbestemmingsplan ter inzage is gelegd. Onder verwijzing naar een overzicht van harde en zachte plannen in de gemeente in de periode van 2010 tot 2020 dat als bijlage 5 bij de nadere memorie is gevoegd, stelt de raad dat de totale harde plancapaciteit in deze periode 991 woningen bedraagt, waaronder de woningen die het onderhavige plan mogelijk maakt. Van deze 991 woningen zijn 212 woningen reeds gerealiseerd in de periode 2010-2013 en kunnen nog 779 woningen worden gerealiseerd op grond van een geldend bestemmingsplan. Uit het bedoelde overzicht kan derhalve worden geconcludeerd dat de in het plan voorziene woningbouw binnen de met de provincie en de regiogemeenten afgesproken maximale harde plancapaciteit van 1040 woningen tot 2020 past. [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het overzicht van harde en zachte plannen zodanige onjuistheden bevat, dat de raad zich daarop niet in redelijkheid heeft kunnen baseren. Voorts heeft de raad toegelicht dat de binnen het plangebied te bouwen woningen behoren tot het marktsegment goedkopere woningen, waaraan op basis van het woningmarktonderzoek in de periode tot 2020 de meeste behoefte is. Daarbij neemt de Afdeling tevens in aanmerking dat voor een groot deel van de woningen in het goedkope segment reeds een afnemer is gevonden in de stichting SVT.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad met de nadere memorie van 20 maart 2014, de daarbij behorende bijlagen en de toelichting daarop ter zitting inzichtelijk heeft gemaakt dat met de binnen het plangebied voorziene woningbouw wordt voorzien in een actuele regionale behoefte. De Afdeling zal dit betrekken bij het in de einduitspraak te geven oordeel over de mogelijkheid van het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, voor zover dit zal worden vernietigd.

Het beroep van [appellanten sub 4] tegen het bestemmingsplan voor het overige

6. [appellanten sub 4] voeren aan dat bij de voor het plan gehanteerde verkeersintensiteiten geen rekening is gehouden met de vestiging van webwinkels in het plangebied, zodat ten onrechte niet is uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden. Zij wijzen er in dat kader op dat bestellingen door afnemers kunnen worden opgehaald en dat webwinkels in volumineuze goederen met vrachtwagens worden bevoorraad.

6.1. Volgens de raad is het afhalen van goederen in de planregels uitgesloten. Opslag van goederen is voorts volgens de raad gebonden aan beperkende bouwmogelijkheden. Gezien de kleinschaligheid van webwinkels is volgens de raad niet aannemelijk dat door de levering van goederen onevenredige verkeersbelasting en geluidbelasting optreedt.

6.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder a, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor bewoning en daarbij behorende doeleinden, incl. mantelzorg en/of aan huis gebonden beroep en/of webwinkel.

Ingevolge lid 5.3.1, onder b, wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming "Wonen" in ieder geval gerekend: het gebruik van gronden en bouwwerken voor (detail)handel, met uitzondering van detailhandel in de vorm van een webwinkel.

Ingevolge lid 5.3.4 wordt gebruik van ruimten ten behoeve van een webwinkel als gebruik overeenkomstig de bestemming aangemerkt voor zover de volgende bepalingen in acht worden genomen:

a. de hoofdfunctie moet over tenminste 70% van de totale inhoud van de gebouwen op het betreffende bouwperceel gehandhaafd blijven;

b. verkoop aan huis is niet toegestaan, alleen internetverkoop;

c. uitstalling, bezichtigen en buitenopslag van goederen is niet toegestaan; d. opslag en verkoop van gevaarlijke stoffen e.d. zijn niet toegestaan;

e. de levering van de goederen mogen niet leiden tot onveilige verkeerssituaties;

f. reclame uitingen zijn niet toegestaan.

Ingevolge artikel 1, lid 1.30, wordt verstaan onder detailhandel: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge lid 1.50, wordt verstaan onder webwinkel: het al dan niet hobbymatig dan wel bedrijfsmatig verkopen van goederen via internet, waarbij de goederen elders worden bezorgd. Er is geen sprake van een voor publiek toegankelijke winkelruimte of showroom.

6.3. Op grond van artikel 5, lid 5.3.1, en artikel 5, lid 5.3.4, van de planregels is verkoop aan huis niet toegestaan en wordt detailhandel met uitzondering van een webwinkel als strijdig gebruik aangemerkt. Hieruit en uit de voornoemde begripsbepaling van "webwinkel", waarvan slechts sprake is indien goederen elders worden bezorgd, volgt naar het oordeel van de Afdeling dat goederen, anders dan [appellanten sub 4] stellen, niet mogen worden verkocht aan huis en evenmin mogen worden opgehaald bij de woning waar de webwinkel bij behoort.

6.4. Movares heeft onderzoek gedaan naar de te verwachten verkeersgeneratie van de uitbreiding van het aantal woningen in Scharenburg. Dat heeft geresulteerd in een memo van 25 juli 2013 (hierna: onderzoek van Movares). Volgens het onderzoek van Movares is er in de nieuwe situatie geen sprake van een te grote verkeersbelasting en voldoet ook de inrichting van de Scharenburg aan de maximale eisen die gesteld worden aan de verkeersveiligheid. Het aantal verkeersbewegingen op de Scharenburg bedraagt, inclusief de woningen die het plan mogelijk maakt, volgens de gehanteerde richtlijn van het CROW 598 motorvoertuigen per etmaal. Dit is een toename ten opzichte van de bestaande situatie van 312 motorvoertuigen. Volgens het onderzoek van Movares geeft de "ASVV 2004, Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van het CROW ter indicatie aan dat een intensiteit van 5.000 à 6.000 motorvoertuigen per etmaal in een 30 km-zone acceptabel is. In vergelijkbare situaties wordt in bestemmingsplannen regelmatig uitgegaan van een maximale capaciteit van de weg van 1.500 motorvoertuigen per etmaal, aldus Movares. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat bij het onderzoek van Movares naar de verkeersgeneratie in het plangebied rekening is gehouden met de mogelijkheid dat op gronden met de bestemming "Wonen" naast bewoning webwinkels zijn toegestaan. [appellanten sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek van Movares zodanige gebreken of leemten in kennis bevat dat de raad zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet heeft mogen baseren. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat het toestaan van webwinkels zal leiden tot een zodanige toename van het aantal en het type te verwachten verkeersbewegingen dat als gevolg daarvan onevenredige hinder te verwachten is. Het betoog faalt.

7. [appellanten sub 4] betogen dat is miskend dat webwinkels ingevolge de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012) moeten worden bestemd als "Detailhandel" en niet als "Wonen".

7.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012 (hierna: de Regeling), vinden de vormgeving, inrichting en elektronische beschikbaarstelling van een visie, plan, besluit of verordening als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, van het besluit en de elektronische beschikbaarstelling van de informatie, bedoeld in artikel 1.2.1, derde lid, een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 1.2.1a, van het besluit en een mededeling als bedoeld in artikel 6.14, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht, plaats overeenkomstig de standaarden IMRO2012, IMROPT2012, SVBP2012 en STRI2012, met dien verstande dat de standaard SVBP2012 alleen van toepassing is op bestemmingsplannen, rijksbestemmingsplannen en wijzigings- of uitwerkingsplannen.

7.2. Uit artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a van de Regeling, in samenhang met artikel 1.2.6 van het Bro, volgt dat de raad een bestemmingsplan dient vorm te geven, in te richten en beschikbaar te stellen overeenkomstig de SVBP 2012, die als bijlage 5 deel uitmaakt van de Regeling. In paragraaf 3.3 van de SVBP 2012 wordt verwezen naar een daarbij behorende functielijst. In deze lijst wordt voor een aantal functies een vaste hoofdgroep voorgeschreven. Als de specificatie niet voorkomt op de lijst of als er geen hoofdgroep is gegeven bij de functie, dan kiest de raad zelf de hoofdgroep die het meest van toepassing is, aldus de SVBP 2012. De functie "webwinkel" komt niet voor op de functielijst. Gelet hierop kon de raad een hoofdgroep kiezen die het meest van toepassing is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad er gelet op de begripsbepalingen in het plan en op artikel 5, lid 5.3.4, van de planregels in redelijkheid voor kunnen kiezen webwinkels in dit geval als ondergeschikte activiteit bij de hoofdfunctie wonen aan te merken en deze functie te scharen onder de bestemming "Wonen".

Het betoog faalt.

8. [appellanten sub 4] voeren aan dat de raad de mogelijkheid van een tweede ontsluitingsweg naar de Terweistraat onvoldoende bij zijn afweging heeft betrokken. Een tweede ontsluiting zou de verkeersdruk en de daarmee gepaard gaande geluidhinder bij hun woning verminderen, aldus [appellanten sub 4].

8.1. Het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2004" voorzag in twee ontsluitingen, aldus de raad. In fase 1 van de wijk Scharenburg is op basis van dat plan een eerste ontsluitingsweg op de Terweistraat gerealiseerd en in fase 3 wordt op grond van het bestemmingsplan "Kernen Buren" een tweede ontsluitingsweg op de Wethouder van den Burgstraat gerealiseerd. Het is volgens de raad niet nodig reeds in de tweede fase een tweede ontsluiting te realiseren, omdat het totaal van 598 verkeersbewegingen ruim binnen de normen van het CROW valt. In vergelijkbare situaties worden volgens de raad maximale verkeersintensiteiten van 1.500 verkeersbewegingen per etmaal gehanteerd.

8.2. De gronden met de bestemming "Verkeer" in het zuiden van het plangebied sluiten aan op de bestaande weg Scharenburg. Vast staat dat het plan daardoor voorziet in één ontsluiting in zuidoostelijke richting, waar de Scharenburg aansluit op de Terweistraat. Volgens het onderzoek van Movares, waarvan de raad zoals hiervoor is overwogen in redelijkheid kon uitgaan, vinden op de Scharenburg na realisatie van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt in totaal maximaal 598 voertuigbewegingen per etmaal plaats. Dit is een aanzienlijk lager aantal voertuigbewegingen dan de maximale capaciteit van de weg die volgens Movares in vergelijkbare situaties 1.500 motorvoertuigen per etmaal bedraagt. De raad heeft er gelet op het onderzoek van Movares naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid van kunnen uitgaan dat de capaciteit van de Scharenburg voldoende is om het verkeer af te kunnen wikkelen, en er derhalve ook in redelijkheid van kunnen afzien om een tweede ontsluiting richting de Terweistraat in het plan mogelijk te maken. Het betoog faalt.

9. [appellanten sub 4] voeren aan dat de aanleg en instandhouding van een noodontsluitingsweg ten onrechte niet is gewaarborgd. De raad had daartoe volgens [appellanten sub 4] een voorwaardelijke verplichting op moeten nemen in het plan.

9.1. De raad stelt dat met [belanghebbende] een anterieure overeenkomst is gesloten, waarin de overdracht van openbaar gebied is geregeld waaronder ook de gronden vallen die zijn aangeduid als noodontsluitingsweg. De realisatie van de noodontsluitingsweg maakt deel uit van het bestek voor de bouwwerkzaamheden waarmee het college op 10 december 2013 akkoord is gegaan. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze weg tijdelijk gebruikt zal moeten worden door bouwverkeer, zodat de weg hoe dan ook zal worden aangelegd. Voor het overige is een noodontsluitingsweg op de desbetreffende locatie volgens de raad uit een oogpunt van veiligheid niet noodzakelijk, omdat zich direct ten zuiden van het plangebied reeds een halfverharde noodontsluitingsroute voor hulpdiensten bevindt. Daarom heeft de raad het opnemen van een voorwaardelijke verplichting in het plan niet noodzakelijk geacht.

9.2. De gronden in de groenstrook tussen de twee-onder-een-kapwoningen en de vrijstaande woningen in het zuidoosten van het plangebied hebben de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - noodontsluiting".

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, zijn de gronden met de bestemming "Groen" en de aanduiding "specifieke vorm van verkeer - noodontsluiting" bestemd voor groenvoorzieningen en bermen, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding, waterberging, waterzuivering en hemelwaterinfiltratie, in- en uitritten, buis- en kabelverbindingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomstige doeleinden, nutsvoorzieningen, extensief dagrecreatief medegebruik en een noodontsluiting.

9.3. De Afdeling stelt vast dat in het plan geen voorwaardelijke verplichting is vervat, inhoudende dat de noodontsluitingsweg moet worden aangelegd voordat de woningen mogen worden gerealiseerd. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat de raad de noodontsluitingsweg niet noodzakelijk acht met het oog op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan, omdat de wijk Scharenburg reeds een noodontsluitingsroute heeft. De bestaande noodontsluiting bevindt zich ongeveer 60 m ten zuiden van de gronden waar het plan de noodontsluitingsweg mogelijk maakt. [appellanten sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat een tweede noodontsluitingsweg richting de Terweistraat noodzakelijk is. Onder deze omstandigheden heeft de raad er naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid van af kunnen zien de realisatie van de noodontsluitingsweg in het plan te waarborgen door het opnemen van een voorwaardelijke verplichting. Het betoog faalt.

10. [appellanten sub 4] voeren aan dat de vanwege de ontsluiting van het plangebied via de Scharenburg te vrezen lichthinder van koplampen onvoldoende is meegewogen.

10.1. De raad stelt dat [appellanten sub 4] bij de aanschaf van de woning op de hoogte waren van de ligging van de woning ten opzichte van de Scharenburg. Een toename van het aantal verkeersbewegingen van 178 per etmaal ten opzichte van de mogelijkheden die het vorige bestemmingsplan bood leidt volgens de raad niet tot een onaanvaardbare situatie.

10.2. Zoals hiervoor is overwogen onder 6.4, heeft de raad het onderzoek van Movares in redelijkheid aan het plan ten grondslag kunnen leggen, zodat ervan kan worden uitgegaan dat in totaal maximaal 598 voertuigbewegingen per etmaal zijn te verwachten op de Scharenburg. Dit is een toename van 312 voertuigbewegingen per etmaal ten opzichte van de bestaande situatie en een toename van 178 voertuigbewegingen per etmaal ten opzichte van de situatie die zou zijn ontstaan als het aantal woningen zou zijn gerealiseerd die het bestemmingsplan "Kernen Buren" van 25 juni 2013 mogelijk maakt.

[appellanten sub 4] hebben foto’s overgelegd aan de hand waarvan inzichtelijk is gemaakt dat koplampen van auto’s die op de woning en de t-splitsing waaraan de woning zich bevindt af rijden in de woning kunnen schijnen. [appellanten sub 4] hebben evenwel niet aannemelijk gemaakt dat het aantal verkeersbewegingen in de desbetreffende rijrichting in de avond dermate hoog zal zijn, dat dit leidt tot onaanvaardbare lichthinder in de woning. De raad kon bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid aan de belangen van [appellanten sub 4] minder gewicht toekennen dan aan de belangen die met het plan worden gediend.

Het betoog faalt.

11. [appellanten sub 4] voeren aan dat de ontsluiting van het plangebied via de Scharenburg leidt tot geluidhinder ter plaatse van hun woning. Ten onrechte is volgens [appellanten sub 4] geen onderzoek verricht naar de akoestische gevolgen van het plan voor hun woning. Dat het gaat om een 30 km-zone en de Wgh niet van toepassing is, betekent niet dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening geen onderzoek behoeft te worden verricht, aldus [appellanten sub 4]. Daarbij moet worden betrokken dat ter plaatse van de woning van [appellanten sub 4] piekniveaus optreden van afremmend en optrekkend verkeer, omdat zij aan een t-splitsing wonen.

11.1. Volgens de raad is onderzoek ingevolge artikel 74, tweede lid, van de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) niet noodzakelijk bij woonerven en wegen in een 30 km-zone. De Scharenburg kent een 30 km-zone. Verder stelt de raad dat gelet op het aantal verkeersbewegingen bij bestaande woningen een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. Zekerheidshalve is naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 4] alsnog akoestisch onderzoek verricht naar de geluidbelasting van het verkeer op de woning aan de Scharenburg 7. De raad stelt zich op het standpunt dat dit nadere onderzoek aantoont dat het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

11.2. Nu ingevolge artikel 74, tweede lid, van de Wgh geen geluidzone geldt voor wegen, zoals de wegen in het plangebied, waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u geldt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de Wgh in zoverre geen verplichtingen voortvloeien. Dit neemt echter niet weg dat in het kader van een goede ruimtelijke ordening moet worden vastgesteld of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niet in geschil is dat in het "Akoestisch onderzoek wegverkeer Scharenburg 2e fase, Zoelen" van SAB van 21 december 2012 (hierna: Akoestisch onderzoek wegverkeer) dat aan het plan ten grondslag is gelegd uitsluitend is onderzocht wat de geluidbelasting ten gevolge van de Terweistraat is op de woningen die het plan mogelijk maakt en dat de geluidbelasting van de overige wegen in en nabij het plangebied, waaronder de Scharenburg, in dit onderzoek niet is onderzocht. Zoals hiervoor is overwogen zullen per etmaal maximaal 598 voertuigbewegingen plaatsvinden op de Scharenburg. Naar aanleiding van het beroep van [appellanten sub 4] is aanvullend onderzoek verricht naar de gevolgen van dit verkeer voor de geluidbelasting op hun woning. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een memo van SAB van 2 januari 2014 (hierna: memo van SAB). In het memo van SAB wordt uitgegaan van 598 voertuigbewegingen per etmaal op het doorgaande deel van de Scharenburg en 82 voertuigbewegingen per etmaal op het doodlopende deel van de Scharenburg. Het memo vermeldt verder dat de geluidbelasting op de woning aan de Scharenburg 7 op vier waarneempunten op verschillende hoogten is berekend aan de hand van voornoemde verkeersintensiteiten. Hierbij is een aftrek als bedoeld in artikel 110g van de Wgh gehanteerd van 5 dB. Uit de berekening komt naar voren dat de geluidbelasting inclusief voornoemde aftrek maximaal 52 dB zal bedragen ter plaatse van de erker van de woning. Dit is hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, maar lager dan de ten hoogste toelaatbare waarde van 63 dB. Volgens het memo van SAB is dat acceptabel, onder meer omdat de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2003 niet wordt overschreden. Hierbij wordt er in het memo van uitgegaan dat bij de woning van [appellanten sub 4] een minimale geluidisolatie van 24 dB wordt bereikt, omdat deze woning recent is gebouwd.

11.2.1. [appellanten sub 4] hebben op het memo van SAB gereageerd door te verwijzen naar een advies van LBP Sight van 23 januari 2014 (hierna: advies van LBP Sight). Volgens het advies van LBP Sight is in het memo van SAB ten onrechte geen rekening gehouden met een optrekcorrectie. Dit is een correctie die wordt gehanteerd bij het afremmen en optrekken van het verkeer door de aanwezigheid van een kruispunt of een situatie die de gemiddelde snelheid van het verkeer sterk beperkt. Door de optrekcorrectie niet bij de berekening te betrekken, ontstaat volgens het advies van LBP Sight een onderschatting van de optredende geluidbelasting. Het advies van LBP Sight vermeldt daarnaast dat een aftrek van 5 dB(A), zoals die door SAB is toegepast in navolging van artikel 110g van de Wgh, discutabel is, omdat die aftrek verband houdt met toekomstige maatregelen voor het reduceren van geluid van zowel de motor als de banden. Bij snelheden van 30 km/u of minder wordt de geluidemissie hoofdzakelijk veroorzaakt door het motorgeluid en minder door het bandengeluid zodat het toepassen van de volledige aftrek niet opportuun is. Ten slotte wordt in het advies van LBP Sight opgemerkt dat geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de feitelijk aanwezige gevelgeluidwering, zodat er ten onrechte van is uitgegaan dat een binnenwaarde van 33 dB gegarandeerd is.

11.2.2. Voorop staat dat de bepalingen uit de Wgh, waaronder grenswaarden, aftrekbepalingen of optrekcorrecties, niet van toepassing zijn op het beoordelen van de geluidbelasting van de Scharenburg waar een maximumsnelheid geldt van 30 km/u. Dit betekent niet dat de raad, zoals hij heeft gedaan, geen aansluiting mag zoeken bij het bepaalde in de Wgh. De raad heeft bij het bepalen van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting voor het woon- en leefklimaat van [appellanten sub 4] aansluiting gezocht bij de op grond van de Wgh maximaal toelaatbare geluidbelasting van 63 dB en de op grond van het Bouwbesluit 2003 vereiste binnenwaarde van 33 dB en heeft daarnaast de aftrek van 5 dB uit artikel 110g Wgh toegepast.

De Afdeling ziet in hetgeen [appellanten sub 4] naar voren hebben gebracht aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat aan die waarden voldaan zal worden en overweegt daartoe het volgende. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 november 2013, zaak nr. 201301854/1/R2), is niet uitgesloten dat de aftrek in de zin van artikel 110g van de Wgh in de praktijk niet volledig kan worden toegepast bij snelheden van 30 km/u of minder, omdat de geluidemissie bij deze snelheden meer wordt veroorzaakt door het motorgeluid en minder door het bandengeluid. De raad heeft niet toereikend gemotiveerd waarom in dit specifieke geval een aftrek van 5 dB mocht worden toegepast.

Verder heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling niet kunnen aannemen dat een binnenwaarde van 33 dB wordt gehaald, zonder te onderzoeken welke gevelgeluidwering ter plaatse is aangebracht. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in dit kader is uitgegaan van een geluidbelasting van 57 dB en de gevelgeluidwering derhalve minimaal 24 dB moet bedragen om een binnenwaarde van 33 dB te halen. De enkele algemene stelling dat woningen die de afgelopen 5 jaar zijn gebouwd een typische gevelwering van 25 dB of meer hebben door de verbeterde thermische isolatie, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de binnenwaarde in dit specifieke geval maximaal 33 dB bedraagt. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het ten tijde van de bouw van de woning van [appellanten sub 4] geldende artikel 3.2, eerste lid, van het Bouwbesluit 2003 een minimale geluidwering van 20 dB voorschreef.

De raad heeft voorts naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid piekgeluiden vanwege optrekkend of afremmend verkeer buiten beschouwing kunnen laten bij de beoordeling van de geluidbelasting. Ingevolge het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012 wordt een optrekcorrectie immers uitsluitend toegepast als de gemiddelde snelheid van verkeer met een constante snelheid van 50 km/u door het afremmen en optrekken door de aanwezigheid van een kruispunt wordt gehalveerd. Op de Scharenburg is de constante snelheid van het verkeer maximaal 30 km/u, zodat de correctie niet behoeft te worden toegepast.

11.2.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellanten sub 4] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting van verkeer op de Scharenburg op de woning van [appellanten sub 4] betreft, niet berust op een deugdelijke motivering.

De beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] tegen het bestemmingsplan voor het overige

12. [appellant sub 1] stelt dat ten onrechte binnen een periode van tien jaar na het onherroepelijk worden van het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2004" een nieuw plan met nieuwe bouwmogelijkheden is vastgesteld. Volgens [appellant sub 1] wordt voorts niet voldaan aan de vrijstellings- en wijzigingsbepalingen uit het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2004".

12.1. Ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wro wordt de bestemming van gronden, met inbegrip van de met het oog daarop gestelde regels, binnen een periode van tien jaar telkens opnieuw vastgesteld. Dit artikellid sluit niet uit dat de raad binnen een periode van minder dan tien jaar een nieuw bestemmingsplan vaststelt. In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Omdat de voorziene woningbouw niet mogelijk gemaakt kon worden door toepassing van een afwijkings- of wijzigingsbevoegdheid die in het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2004" was opgenomen, heeft de raad een nieuw bestemmingsplan vastgesteld. De raad was daartoe gelet op het voorgaande bevoegd.

Het betoog faalt.

13. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] voeren aan dat bij de aankoop van hun kavel is gegarandeerd dat achter de erfgrens of ten noorden van De Soel niet gebouwd zou worden. Het vertrouwen in de gemeente is geschaad, aldus [appellant sub 3] en [appellant sub 2]. [appellant sub 1] voert voorts aan dat het plan in strijd is met een overeenkomst die hij met de gemeente heeft gesloten.

13.1. De raad stelt dat geen toezegging is gedaan die inhoudt dat ten noorden van De Soel geen woningbouw gerealiseerd wordt. De plannen voor de uitbreiding van de kern Zoelen zijn sinds 2004 bekend, omdat destijds een bestemmingsplan is vastgesteld dat voorzag in de realisatie van fase 1, 2 en 3 van Scharenburg.

13.2. Over het betoog van [appellant sub 3], [appellant sub 2] en [appellant sub 1] dat het vertrouwensbeginsel is geschonden, wordt overwogen dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de raad verwachtingen zijn gewekt dat het plan niet in bebouwing ten noorden van De Soel zou voorzien. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de bestemmingsplannen "Zoelen, Scharenburg 2004" en "Kernen Buren" reeds bebouwing ten noorden van De Soel mogelijk maakten. De raad heeft het plan op dit punt derhalve niet in strijd met het vertrouwensbeginsel vastgesteld. De betogen falen.

14. [appellant sub 1] voert aan dat de maximale bouwhoogte ten opzichte van het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2004" is verhoogd van 9 m naar 11 m. [appellant sub 1] stelt dat door die bouwhoogte van de woningen directe inkijk in zijn tuin en woning ontstaat, waardoor zijn privacy wordt aangetast. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] betogen dat hun privacy wordt aangetast doordat aaneengebouwde woningen worden toegestaan, door de hoogte van de woningen en de korte afstand tussen de erfgrens en de te bouwen woningen.

14.1. De raad stelt onder verwijzing naar een tekening met een aanduiding van de afstanden tussen de woningen en percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en de woningen die het plan mogelijk maakt dat de privacy van appellanten niet onevenredig wordt geschaad. Voorts bevinden zich tussen de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] en de rijwoningen een weg of voetpad, wadi of een groenzone, aldus de raad. Volgens de raad leidt de maximale hoogte van de te bouwen woningen, de daaruit voortvloeiende maximale hoogte van ramen en deuren van waaruit zicht kan bestaan op de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en de afstand tot hun woningen niet tot onevenredige aantasting van de privacy.

14.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.2, van de planregels gelden voor het bouwen van de in lid 5.2.1, sub a, genoemde woningen (i.c. hoofdgebouwen) de bepalingen zoals deze in de onderstaande tabel zijn opgenomen.

Ter plaatse van de aanduiding "vrijstaand" geldt een maximale bouwhoogte van 8 m en een afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van 3 m. Ter plaatse van de aanduiding "twee-aaneen" geldt een maximale bouwhoogte van 11 m en een afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van 3 m. Ter plaatse van de aanduiding "aaneengebouwd" geldt een maximale bouwhoogte van 11 m en een afstand tot de zijdelingse bouwperceelgrens van 2 m.

14.3. Vast staat dat de afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en de dichtstbijzijnde woning die in het plan wordt mogelijk gemaakt ongeveer 31 m, tussen de woning van [appellant sub 3] en een rijwoning ongeveer 50 m en tussen de woning van [appellant sub 1] en een rijwoning ongeveer 50 m bedraagt. Gelet op deze afstanden en de zich aan de noordzijde daartussen bevindende weg of voetpad, wadi en groenzone waarin het plan ook voorziet, heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1]. De toegestane bouwhoogte maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

15. [appellant sub 1] stelt dat zijn uitzicht wordt verstoord, doordat de woningen parallel aan de woningen aan De Soel worden gerealiseerd, in plaats van haaks op die bebouwing zoals voorzien in het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2004". [appellant sub 3] en [appellant sub 2] voeren aan dat het uitzicht vermindert doordat meer woningen worden gebouwd, die aaneengesloten in plaats van vrijstaand zijn en doordat de maximale bouwhoogte wordt verhoogd ten opzichte van het vorige bestemmingsplan. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] voeren aan dat de architectuur en de ruimtelijke uitstraling van de woningen niet past bij het bestaande dorpskarakter.

15.1. De raad stelt dat een stedenbouwkundig plan is ontwikkeld waarbij de situering van de bouwvlakken niet verandert ten opzichte van de structuur van de openbare ruimte in het vorige plan. De afstand tussen de te realiseren woningen en de woningen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 2] blijft hierdoor nagenoeg gelijk, aldus de raad. Verder stelt de raad dat bouwplannen voor woningen in het plangebied worden getoetst aan het welstandsbeleid en het beeldkwaliteitsplan dat voor alle woningen in de wijk geldt, zodat de uitstraling van de te bouwen woningen niet zal afwijken van de uitstraling van bestaande woningen.

15.2. Ingevolge artikel 7, lid 7.2.1, van de planregels dienen hoofdgebouwen, voor zover het woningen betreffen, met een naar de weg gekeerd gevelvlak in de bouwgrens aan de wegzijde van het bouwvlak geplaatst te worden.

Op grond van het bestemmingsplan "Kernen Buren" geldt voor de vrijstaande woningen die op de percelen ten noorden en oosten van de percelen van [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 2] gerealiseerd kunnen worden een maximale bouwhoogte van 8 m.

15.3. De Afdeling stelt voorop dat er geen recht op een blijvend vrij uitzicht bestaat. Het plan kan weliswaar door de grotere hoeveelheid, de deels aaneengesloten en 3 m hogere bebouwing leiden tot verlies van uitzicht vanuit de woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 3]. Het bestemmingsplan "Kernen Buren" maakte echter reeds bebouwing op dezelfde percelen mogelijk, zodat van vrij uitzicht ook bij realisatie van bebouwing op grond van dat plan geen sprake meer is. Ten noorden van het perceel van [appellant sub 1] kunnen op basis van het bestemmingsplan "Kernen Buren" twee vrijstaande woningen worden gerealiseerd. Daarin brengt dit plan geen wijziging. Mede gelet op de hiervoor genoemde afstanden tussen het plangebied en de woningen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] en de beperkte verhoging van de maximale bouwhoogte, heeft de raad in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de belangen die met de verwezenlijking van het plan zijn gemoeid dan aan de belangen van [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 1] bij een vrij uitzicht.

[appellant sub 3] en [appellant sub 2] hebben voorts niet nader onderbouwd dat de voorziene woningen een andere ruimtelijke uitstraling hebben dan de bestaande woningen. Aannemelijk is dat die uitstraling overeen zal komen met de uitstraling van bestaande woningen in de directe omgeving van het plangebied, nu bouwplannen worden getoetst aan hetzelfde welstandsbeleid en beeldkwaliteitsplan.

De betogen falen.

16. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] betogen dat door de toename van het aantal woningen en de toename van de bouwhoogte lichtvermindering zal optreden ter plaatse van hun woningen.

16.1. De raad stelt onder verwijzing naar een bezonningsstudie dat de hogere bouwhoogte geen effect heeft op de lichtinval in de woningen en tuinen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2].

16.2. Geesink Weusten Architecten heeft een studie verricht naar de gevolgen van het plan voor de bezonningssituatie en schaduwwerking in het plangebied en ter plaatse van de percelen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] (hierna: bezonningsstudie). Volgens de bezonningsstudie heeft het plan geen gevolgen voor de bezonning op de percelen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2], omdat hun percelen ten zuiden van het plangebied en derhalve ten opzichte van de stand van de zon gunstig gesitueerd zijn. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de uitkomsten van de bezonningsstudie onjuist zijn. Evenmin is gelet op de hiervoor vastgestelde afstand tussen de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] en de woningen die het plan mogelijk maakt aannemelijk dat de realisatie van die woningen leidt tot vermindering van enige betekenis van daglicht ter plaatse van de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2]. Het betoog faalt.

17. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] stellen dat de luchtverontreiniging zal toenemen doordat het plan leidt tot een toename van verkeer.

17.1. In paragraaf 4.4.5 van de plantoelichting is op het aspect luchtkwaliteit ingegaan en is geconcludeerd dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen initiatief omdat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] hebben dit niet gemotiveerd bestreden. Het betoog faalt.

18. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 2] voeren aan dat extra woningen in Scharenburg leiden tot meer verkeer dat gebruik zal maken van de ontsluitingsroute richting de wijk Vergarde. Dit leidt tot een toename van geluidhinder ter plaatse van hun woningen, aldus [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 2].

18.1. Ten noorden van de woonpercelen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bevinden zich gronden met de bestemming "Verkeer". Deze gronden sluiten aan op gronden die op grond van het bestemmingsplan "Kernen Buren" een verkeersbestemming hebben. De door [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] bedoelde weg wordt derhalve niet in het nu voorliggende plan mogelijk gemaakt. Zoals in 8.1 uiteen is gezet wordt deze weg naar verwachting in de derde fase van de ontwikkeling van Scharenburg gerealiseerd. Het verkeer dat wordt gegenereerd als gevolg van de realisatie van het onderhavige plan zal geen gebruik maken van De Soel, de doodlopende straat waaraan [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] wonen. In het Akoestisch onderzoek wegverkeer is vermeld dat De Soel een ontsluitingsweg voor de aanliggende woningen met een zeer lage verkeersintensiteit is. Dit komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] hebben niet nader onderbouwd dat onaanvaardbare verkeers- of geluidhinder zal ontstaan door de realisatie van het plan. Het betoog faalt.

19. [appellant sub 3] en [appellant sub 2] voeren aan dat het plan leidt tot waardevermindering van hun woningen.

19.1. Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woningen van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Het betoog faalt.

20. [appellant sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 2] stellen dat het woongenot jarenlang zal worden verstoord door het extra bouwverkeer en bouwwerkzaamheden.

20.1. Dit heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet derhalve buiten beschouwing blijven.

Conclusie over het bestemmingsplan

21. In aanmerking genomen hetgeen hiervoor is overwogen in 5.4, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3], [appellanten sub 4] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3.1.6, tweede lid, onder a, van het Bro. Het geconstateerde gebrek in het bestreden besluit is, zo volgt uit hetgeen is overwogen in 5.5, nadien hersteld. In hetgeen is overwogen in 11.2.2 en 11.2.3 ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Met betrekking tot dit laatstgenoemde gebrek ziet de Afdeling in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 11.2.2 alsnog toereikend te motiveren waarom ter plaatse van de woning van [appellanten sub 4] een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd, dan wel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

De omgevingsvergunning

22. Mocht het besluit tot vaststelling van het plan niet in stand blijven, dan zal - in het verlengde daarvan - het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning evenmin in stand blijven. De Afdeling ziet uit het oogpunt van finale geschilbeslechting niettemin aanleiding de beroepsgronden van [appellanten sub 4] tegen de omgevingsvergunning te bespreken.

Ontvankelijkheid

23. Het college stelt dat het beroep van [appellanten sub 4], voor zover zij betogen dat de omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan en de Bouwverordening en dat bij het verlenen van omgevingsvergunning geen rekening is gehouden met de parkeerbehoefte voor webwinkels, niet rust op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Verder voert het college aan dat artikel 1.6a van de Chw eraan in de weg staat deze gronden bij de beoordeling van het beroep te betrekken.

23.1. Onder verwijzing naar 4.1 en 4.2 wordt overwogen dat [appellanten sub 4] een zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerpbesluit. Anders dan het college stelt, beperkt de zienswijze zich niet tot een onderdeel van de omgevingsvergunning. Daarnaast zijn de voornoemde beroepsgronden in het beroepschrift aangevoerd, zodat artikel 1.6a van de Chw zich er, anders dan het college stelt, niet tegen verzet dat die gronden worden betrokken bij de beoordeling van het beroep.

23.2. De Afdeling ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de beroepsgronden over strijd met het bestemmingsplan en de Bouwverordening en over de parkeerbehoefte voor webwinkels buiten beschouwing te laten.

Inhoudelijk

24. [appellanten sub 4] voeren aan dat onduidelijk is waarom bij omgevingsvergunning toestemming is verleend om af te wijken van het bestemmingsplan, nu het bouwplan lijkt te passen in het plan.

24.1. Volgens het college past de omgevingsvergunning binnen het plan. In de omgevingsvergunning is vermeld onder "Besluit" dat omgevingsvergunning wordt verleend voor de activiteit "handelen in strijd met het bestemmingsplan". Onder de "Overwegingen" is vermeld dat de bouwactiviteit is getoetst aan het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Buren 1996" en dat de gevraagde bouwactiviteit hiermee in strijd is. Ter zitting heeft het college gesteld dat deze passages abusievelijk in het bestreden besluit zijn opgenomen.

24.2. Nu de aanvraag om omgevingsvergunning ingevolge artikel 3.30, derde lid, van de Wro wordt getoetst aan het bestemmingsplan waarmee de omgevingsvergunning gecoördineerd wordt voorbereid, en niet in geschil is dat het bouwplan in overeenstemming is met dat bestemmingsplan, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat de voornoemde zinsneden uit de omgevingsvergunning waar [appellanten sub 4] op doelen op een vergissing berusten. Het college heeft dit ter zitting erkend. Het bestreden besluit is in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

25. [appellanten sub 4] voeren aan dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning onvoldoende rekening is gehouden met de parkeerbehoefte bij webwinkels en dat niet is gewaarborgd dat in de benodigde parkeerplaatsen wordt voorzien. Verder is volgens [appellanten sub 4] niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan voldoet aan artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Buren 2013 (hierna: Bouwverordening), waarin is bepaald dat in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien indien de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft.

25.1. Volgens het college is in het plan rekening gehouden met 2,0 parkeerplaatsen per woning, welke norm hoger is dan de CROW-norm. Bij vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen wordt een deel van de parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. In het openbare gebied worden 50 parkeerplaatsen van het totaal van 70 parkeerplaatsen gerealiseerd, aldus het college. Ter waarborging hiervan zijn volgens het college in de planregels bij de bestemmingen "Verkeer" en "Wonen" bepalingen over parkeren opgenomen. Daarnaast wordt het bouwbestek getoetst op voldoende parkeerruimte, aldus het college. Omdat het afhalen van goederen bij webwinkels niet is toegestaan, is het bouwplan voorts volgens het college niet in strijd met artikel 2.5.30 van de Bouwverordening.

25.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.3.5, van de planregels dient ten aanzien van de in artikel 5, lid 5.1, bedoelde gronden met de bestemming "Wonen" voorzien te worden in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein en/of in de openbare ruimte waarbij de volgende parkeernormen gelden per woningtype:

Vrijstaand: 2,0 pp (volledig op eigen terrein);

Tweeaaneen: 2,0 pp (minimaal 0,5 pp in openbare ruimte);

Rijwoningen: 2,0 pp (minimaal 2,0 pp in openbare ruimte).

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, onder b, zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor parkeervoorzieningen.

25.3. Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

25.4. Zoals is overwogen in 6.3, maakt het plan het niet mogelijk dat klanten van webwinkels hun bestellingen komen ophalen, zodat niet voorzien hoeft te worden in extra parkeerplaatsen voor bezoekers van webwinkels. De omgevingsvergunning heeft betrekking op rijwoningen, zodat de parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd moeten worden ingevolge artikel 5, lid 5.3.5, van de planregels. Op gronden met de bestemming "Verkeer" zijn parkeervoorzieningen toegestaan. Volgens de schets die op pagina 6 van de plantoelichting is weergegeven kunnen de benodigde plaatsen in de openbare ruimte worden gerealiseerd. [appellanten sub 4] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dat onjuist is. Het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening en artikel 5, lid 5.3.5, van de planregels geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren. Het betoog faalt.

Conclusie over de omgevingsvergunning

26. Gelet op hetgeen in 24.2 is overwogen slaagt het beroep van [appellanten sub 4] voor zover in het bestreden besluit is besloten om af te wijken van het bestemmingsplan "Buitengebied Buren 1996".

Aangezien het bestemmingsplan bepalend kan zijn voor de vraag of de omgevingsvergunning terecht is verleend, zal de Afdeling pas in de einduitspraak oordelen over de vraag of de omgevingsvergunning in stand kan blijven.

Proceskosten

27. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Buren op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

1. met inachtneming van hetgeen in 11.2.2 en 21 is overwogen het daar omschreven gebrek in het besluit van 1 oktober 2013, kenmerk RV/13/00350, tot vaststelling van het bestemmingsplan "Zoelen, Scharenburg 2e fase" te herstellen, dan wel dit besluit te wijzigen of een nieuw besluit te nemen;

2. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd of nieuw besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.A. Oudenaarden, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Oudenaarden

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

568-780.