Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2023

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201308719/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2013, nummer 4382217, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Besluit externe veiligheid inrichtingen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TBR 2014/121 met annotatie van H.J. de Vries
JOM 2014/570
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308719/1/R2.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Amersfoort,

2. [appellant sub 2], wonend te Amersfoort,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Serva B.V., gevestigd te Amersfoort,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aucarmo B.V., gevestigd te Amersfoort,

5. [appellante sub 5], gevestigd te Amersfoort,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autohuis De Poort Amersfoort B.V., gevestigd te Woudenberg,

7. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B], beide gevestigd te Weesp,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Amersfoort,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2013, nummer 4382217, heeft de raad het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen e.o. en snelwegen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Aucarmo B.V., [appellante sub 5], Autohuis De Poort Amersfoort B.V., Serva B.V., [appellant sub 2], [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] en [appellant sub 1] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [belanghebbende A] en [belanghebbende B] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 maart 2014, waar [appellant sub 2], Serva B.V., Aucarmo B.V., Autohuis De Poort Amersfoort B.V., allen vertegenwoordigd door ing. B. Hurks, [appellante sub 5], vertegenwoordigd door G. Prinsen, [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B], vertegenwoordigd door hun [bestuurder], bijgestaan door mr. F. Frank, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 1] en de raad, vertegenwoordigd door mr. S.E. Eigenhuis, mr. K.E. Vlaar-Zijderveld en ing. B.H. Willighagen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn ter zitting [belanghebbende A] en [belanghebbende B], bewoners van [locatie 1], gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het plan

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bedrijventerreinen Isselt, De Hoef, Calveen, De Wieken Zuid, Bedrijvenpark Vathorst en De Brand, een deel van de omgeving van de bedrijventerreinen en de snelwegen.

Het beroep van [appellant sub 1]

3. Uit het beroepschrift, zoals dat ter zitting door [appellant sub 1] is toegelicht, volgt dat zijn beroep zich richt tegen de geluidbelasting ter plaatse van de huidige ligplaats van zijn woonboot aan de [locatie 2] die veroorzaakt wordt door omliggende bedrijven in het plangebied.

3.1. Vaststaat dat de huidige ligplaats van de woonboot van [appellant sub 1] buiten de begrenzing van het voorliggende plan valt. Bij besluit van [locatie 1] april 2011 heeft de raad het bestemmingsplan "Ligplaatsen voor woonboten" vastgesteld, waarin de huidige ligplaats van de woonboot van [appellant sub 1] is opgenomen. De Afdeling heeft het beroep daartegen bij uitspraak van 6 maart 2013 in zaak nr. 201107703/1/R3 ongegrond verklaard. Het besluit van [locatie 1] april 2011 is daarmee in rechte onaantastbaar geworden. Uit die uitspraak blijkt dat de raad bij de vaststelling van dat bestemmingsplan heeft nagegaan of voor de bewoners van de woonboten vanwege omliggende bedrijven een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat een goed woon- en leefklimaat voor wat betreft geluid ter plaatse van zijn woonboot als gevolg van het plan niet is gewaarborgd.

Het betoog faalt.

3.2. Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

De beroepen van [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V.

4. Ter zitting hebben Serva B.V. en Aucarmo B.V. hun beroepsgrond met betrekking tot het niet inhoudelijk behandelen van hun zienswijze ingetrokken.

5. [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. betogen dat de raad ten onrechte en anders dan hij blijkens de beantwoording van de zienswijze heeft beoogd, niet de bestemming "Bedrijventerrein 1" maar de bestemming "Verkeer" heeft toegekend aan de gronden op een deel van het bedrijfsperceel die onder meer zien op parkeerplaatsen, ondergrondse objecten waaronder brandstoftanks en een deel van de luifel van het tankstation aan de Nijverheidsweg Noord 24/ Amsterdamseweg 7-9-11, waardoor deze niet als zodanig zijn bestemd.

5.1. De raad stelt dat aan het deel van het perceel dat is bebouwd met bedrijfsbebouwing de bestemming "Bedrijventerrein 1" is toegekend, ook waar dit gronden betreft die in eigendom zijn van de gemeente. Volgens de raad zijn de gronden waaraan volgens [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. de bestemming "Bedrijventerrein 1" moet worden toegekend, onbebouwd en in eigendom van de gemeente. Deze gronden worden feitelijk gebruikt als parkeerplaats, zodat de bestemming "Verkeer" passend is, aldus de raad.

5.2. Ingevolge artikel 31, lid 31.1, zijn de gronden met de bestemming "Verkeer" onder meer bestemd voor wegen en parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 50, aanhef en onder a, aanhef en sub 4, wordt tot een gebruik van onbebouwde gronden strijdig met de bestemming in ieder geval gerekend de opslag en verkoop van motorbrandstoffen en LPG.

5.3. De gronden waaraan volgens [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. de bestemming "Bedrijventerrein 1" had moeten worden toegekend, worden op straatniveau voor verkeersdoeleinden gebruikt. Een deel daarvan wordt overkapt door de luifel van het tankstation en onder een ander deel liggen de ondergrondse brandstoftanks ingegraven. Tevens wordt een deel gebruikt als parkeerplaats voor het autobedrijf van Serva B.V.. Gelet op het feitelijke gebruik van deze gronden op straatniveau en de stelling van de raad dat de gronden in eigendom van de gemeente zijn, heeft de raad in redelijkheid de bestemming "Verkeer" aan de gronden kunnen toekennen.

Ter zitting heeft de raad gesteld dat het deel van de gronden dat is overkapt met de luifel waaraan niet de bestemming "Bedrijventerrein 1" maar de bestemming "Verkeer" is toegekend, in strijd is met de bestemming "Verkeer". Voorts heeft de raad gesteld dat de ondergrondse objecten behorende bij het tankstation, waaronder de brandstoftanks, in strijd zijn met de bestemming "Verkeer" die aan de desbetreffende gronden is toegekend en met artikel 50, aanhef en onder a, aanhef en sub 4, van de planregels. De raad stelt zich op het standpunt dat het betreffende gedeelte van de luifel en de ondergrondse objecten, anders dan zijn bedoeling was, niet als zodanig zijn bestemd. Deze zouden binnen de bestemming "Verkeer" als zodanig moeten worden bestemd door de desbetreffende planregel aan te passen, aldus de raad.

Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

6. [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. hebben zich in de beroepschriften voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijzen. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. hebben in de beroepschriften, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

7. In hetgeen [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de ondergrondse objecten en de luifel van het tankstation aan de Nijverheidsweg Noord 24/ Amsterdamseweg 7-9-11 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De beroepen van [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. zijn gegrond; het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd.

Het beroep van [appellante sub 5]

Maanlander 9 tot en met 27

8. [appellante sub 5] betoogt dat het onderscheid dat in artikel 1, lid 1.90, van de planregels wordt gemaakt tussen een showroom bij een bedrijf en een showroom bij een winkel ertoe leidt dat het gebruik van een deel van haar bedrijfsverzamelgebouw aan de Maanlander 9 tot en met 27 als showroom waar aan groothandelaren en particulieren goederen worden verkocht ten onrechte onder het overgangsrecht wordt gebracht.

8.1. Aan het perceel Maanlander 9 tot en met 27 is de bestemming "Bedrijventerrein 2" toegekend.

Ingevolge artikel 1, lid 1.39, van de planregels wordt onder detailhandel verstaan: het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen een afhaalservice van etenswaren, de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

Ingevolge lid 1.90, wordt onder showroom verstaan: het tonen van goederen en/of diensten in een representatieve ontvangstruimte bij een bedrijf met bedrijfsmatige activiteiten, zoals bijvoorbeeld een productiebedrijf of een groothandel. Indien een showroom onderdeel is van een winkel of gebruikt wordt voor verkoop aan particulieren is sprake van detailhandel.

Ingevolge artikel 6, lid 6.5, onder c, is op de gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein 2" is toegekend detailhandel uitgesloten behalve voor productiegebonden detailhandel en ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten.

8.2. Ten opzichte van het ontwerpplan zijn voornoemde planregels ongewijzigd en deels slechts vernummerd, met uitzondering van de begripsbepalingen voor een showroom.

Ingevolge artikel 1, lid 1.88, van de planregels van het ontwerpplan wordt onder showroom verstaan: toonzaal bij een opslag- en/of distributiebedrijf, waarbij het afhandelen van de financiële transactie niet ter plaatse plaatsvindt en het afhalen van de goederen niet is inbegrepen.

8.3. Het beroep van [appellante sub 5] voor zover gericht tegen de vaststelling van artikel 1, lid 1.90, van de planregels steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. Bij de vaststelling van het plan zijn weliswaar wijzigingen aangebracht ten opzichte van het ontwerp, doch tegen de gewijzigde planvaststelling kan - zonder het tijdig indienen van zienswijzen - uitsluitend worden opgekomen voor zover de bij de vaststelling aangebrachte wijzigingen voor betrokkenen een ongunstiger positie bewerkstelligen. Hiervan is thans geen sprake.

In het ontwerpbestemmingsplan was in het bedrijfsverzamelgebouw detailhandel uitgesloten behalve voor productiegebonden detailhandel en ter plaatse vervaardigde of bewerkte producten. De gewijzigde vaststelling van het plan ziet op artikel 1, lid 1.90, van de planregels, waarin staat dat er sprake is van detailhandel wanneer een showroom onderdeel is van een winkel of gebruikt wordt voor verkoop aan particulieren. Nu het beroep van [appellante sub 5] erop is gericht om detailhandel in het bedrijfsverzamelgebouw toe te staan, valt niet in te zien dat zij door deze wijziging bij de vaststelling van het plan in een ongunstiger positie is gebracht.

Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de vaststelling van artikel 1, lid 1.90, van de planregels.

De driehoek Rondweg-Noord, Laan van Duurzaamheid en Oude Zevenhuizerstraat

9. [appellante sub 5] betoogt dat aan de westzijde van haar perceel gelegen in de driehoek Rondweg-Noord, Laan van Duurzaamheid en Oude Zevenhuizerstraat ten onrechte de bestemmingen "Groen" en "Water" zijn toegekend. Zij voert daartoe aan dat zij daardoor gedwongen wordt oeverbeschermingsmaatregelen te nemen en hekwerken aan te leggen, wat voor haar tot onevenredig hoge kosten leidt.

[appellante sub 5] betoogt voorts dat de planregels ten onrechte niet voorzien in een wijzigingsbevoegdheid, zoals die in artikel 14, eerste lid, onder b, van de planvoorschriften van het voorheen geldende plan was opgenomen. Daarmee is het volgens haar niet langer mogelijk om via een eenvoudige en in tijd beperkte procedure de bestemmingsgrens met ten hoogste 75 meter te verschuiven. Zij stelt belang te hebben bij een zo flexibel mogelijke bestemmingsregeling, omdat de grond nog ontwikkeld wordt.

9.1. De raad stelt dat het toekennen van de bestemmingen "Groen" en "Water" geen belemmeringen voor [appellante sub 5] oplevert, omdat beide bestemmingen groenvoorzieningen en bermen toelaten. De raad heeft ter zitting gesteld dat niet om waterhuishoudkundige redenen is vereist dat ter plaatse van de bestemming "Water" ook water wordt gerealiseerd. Het is volgens de raad niet aannemelijk dat [appellante sub 5] hoge kosten moet maken ten gevolge van de bestemmingen.

De raad stelt voorts dat in het bestemmingsplan "Nieuwland" een wijzigingsbevoegdheid is opgenomen in verband met de precieze invulling van het gebied en de uitgifte van kavels. Op grond van die bevoegdheid is het plan "bestemmingsplan Nieuwland, uitwerkingsplan Calveen" vastgesteld. Nu deze fase is afgerond, vervalt de noodzaak voor de wijzigingsbevoegdheid, aldus de raad.

9.2. Aan de westzijde van het perceel gelegen in de driehoek Rondweg-Noord, Laan van Duurzaamheid en Oude Zevenhuizerstraat is het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein 2" door een plandeel met de bestemming "Water" gescheiden van een plandeel met de bestemming "Groen".

Ingevolge artikel 20, lid 20.1, aanhef en onder a en c, van de planregels zijn de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend, onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, bermen, taluds, beplantingen, oppervlaktewater en watergangen en -partijen.

Ingevolge artikel 34, lid 34.1, zijn de gronden waaraan de bestemming "Water" is toegekend, bestemd voor:

a. de bescherming van het waterschapsbelang, zoals de instandhouding van de waterkering en de waterhuishouding;

b. watergangen en -partijen;

c. onderhoudspaden, taluds, oeverbeschoeiingen, groenvoorzieningen en bermen met de daarbij behorende kunstwerken;

d. overbouwingen en onderdoorgangen ten behoeve van het wegverkeer en langzaam verkeer.

9.3. In het voorheen geldende plan "bestemmingsplan Nieuwland, uitwerkingsplan Calveen" was aan de westzijde van het perceel de bestemming "Doeleinden van Natuur en Landschap" toegekend.

Blijkens de plankaart van het bestemmingsplan "Nieuwland" valt het gebied niet binnen de "grens waarvoor wijzigingsbevoegdheid A geldt".

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "Nieuwland" is het college van burgemeester en wethouders bevoegd met inachtname van artikel 11 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening het plan te wijzigen wat betreft:

a. het gebied binnen de op de plankaart aangegeven grenzen:

de bestemmingen "Woondoeleinden", als bedoeld in artikel 5 en "Doeleinden voor Natuur en Landschap", als bedoeld in artikel 9 in "Bedrijfsdoeleinden I", als bedoeld in artikel 7, indien en voor zover nodig;

b. voor het overige:

het verschuiven van de bestemmingsgrenzen over maximaal 75 meter en met dien verstande, dat de totale oppervlakte van de betreffende bestemmingen niet wijzigt.

9.4. Op de gronden waaraan de bestemming "Water" is toegekend zijn tevens groenvoorzieningen toegestaan, terwijl op de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend tevens water kan worden gerealiseerd. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad de bestemmingen "Groen" en "Water" niet uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar heeft kunnen achten. Daarbij is in aanmerking genomen dat [appellante sub 5] niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in geval van het realiseren van watergangen of andere watervoorzieningen onevenredig hoge kosten moet maken voor het aanbrengen van oeverbeschermingsmaatregelen en hekwerken.

Het betoog faalt.

9.5. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een wijzigingsbevoegdheid voor het wijzigen van de bestemmingen door de bestemmingsgrenzen met ten hoogste 75 meter te verplaatsen niet langer noodzakelijk is, nu in het omliggende gebied reeds bebouwing en infrastructuur is gerealiseerd. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad ter zitting heeft gesteld dat de bestemmingen "Water" en "Groen" niet in de weg staan aan een goede ruimtelijke invulling van het plandeel met de bestemming "Bedrijventerrein 2" in de driehoek Rondweg-Noord, Laan van Duurzaamheid en Oude Zevenhuizerstraat en dat de raad ter zitting heeft gesteld niet onwelwillend te staan tegenover het verlenen van medewerking aan een goede ruimtelijke inpassing van een passend bouwplan.

Het betoog faalt.

[locatie 3]

10. [appellante sub 5] betoogt dat de gebruiksmogelijkheden van haar pand aan de [locatie 3] ten onrechte zijn beperkt doordat het pand, anders dan in het ontwerpplan, in het plan niet mede voor een hotel is bestemd. Zij stelt belang te hebben bij een zo ruim mogelijke bestemmingsregeling om aan de wensen van de toekomstige huurders te kunnen voldoen, mede omdat zij al een concrete aanvraag voor de verhuur ten behoeve van een hotel heeft gekregen.

10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de vestiging van een hotel in het pand niet bij recht in het plan dient te worden toegestaan. De raad voert daartoe aan dat in de Horecanota Amersfoort 2013 staat dat de gemeente openstaat voor nieuwe hotelontwikkelingen, waarbij per initiatief een afweging moet plaatsvinden van onder meer de meerwaarde ten opzichte van het bestaande aanbod.

10.2. In hetgeen [appellante sub 5] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om het vestigen van een hotel in het pand niet bij recht in het plan toe te staan. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vestiging van een nieuw hotel op een bedrijventerrein maatwerk is, waarbij per initiatief een afweging moet plaatsvinden.

Het betoog faalt.

11. [appellante sub 5] betoogt dat de begripsbepaling voor een internetwinkel, anders dan in het ontwerpplan, niet in het plan is opgenomen. Zij stelt een concreet verzoek te hebben gehad voor het verhuren van een deel van haar pand aan de [locatie 3] ten behoeve van een internetwinkel.

Artikel 1, lid 1.61, van de planregels bevat de begripsbepaling van het begrip internetwinkel. Het betoog dat het plan geen begripsbepaling voor een internetwinkel bevat, mist derhalve feitelijke grondslag.

12. Het beroep van [appellante sub 5] is ongegrond.

Het beroep van Autohuis De Poort Amersfoort B.V.

13. Autohuis De Poort Amersfoort B.V. betoogt dat de raad ten onrechte binnen de bestemming "Bedrijventerrein 1" geen detailhandel toestaat op haar perceel Havenweg 2 (hierna: het perceel). Zij voert daartoe aan dat er van 1999 tot 2012 het bedrijf Van Altena Gereedschap en Bedrijfskleding was gevestigd dat diverse artikelen aan particulieren verkocht.

13.1. De raad stelt dat het plan conserverend van aard is en ziet geen reden om op het perceel detailhandel toe te staan, nu dat gebruik op grond van het voorheen geldende plan niet was toegestaan en ten tijde van de vaststelling van het plan reeds was beëindigd. Bovendien is het alsnog toekennen van een detailhandelsbestemming aan het perceel in strijd met het gemeentelijk detailhandelsbeleid.

13.2. Aan het perceel was onder het voorheen geldende bestemmingsplan "Binnenring Noord I en II" de bestemming "bedrijfsdoeleinden industriële bedrijven" toegekend.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de planvoorschriften van dat plan zijn de gronden met de bestemming "bedrijfsdoeleinden industriële bedrijven" bestemd voor industriële-, handels-, ambachtelijke en vervoersbedrijven, opslagterreinen, (groot)handelsbedrijven, showrooms, pakhuizen en daarmee gelijk te stellen bedrijven, alsmede de daartoe behorende gebouwde en ongebouwde voorzieningen zoals bedrijfskantoren, zulks met inachtneming van de hierna genoemde regelen.

Ingevolge het vijfde lid is detailhandel verboden.

13.3. In het voorliggende plan is aan het perceel de bestemming "Bedrijventerrein 1" toegekend zonder nadere functieaanduiding.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, onder k, van de planregels is op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein 1" ter plaatse van de aanduiding "(dh)" detailhandel toegestaan.

13.4. Het bestemmingsplan "Binnenring Noord I en II" is op [locatie 1] september 1995 door de raad vastgesteld, waarna het op 30 januari 1996 door gedeputeerde staten van Utrecht is goedgekeurd. Gelet op de stelling van Autohuis De Poort Amersfoort B.V. dat het gebruik van het perceel door Van Altena Gereedschap en Bedrijfskleding pas in 1999 is aangevangen, heeft Autohuis De Poort Amersfoort B.V. niet aannemelijk gemaakt dat het gebruik van het perceel voor detailhandel is aangevangen voor de inwerkingtreding van het bestemmingsplan "Binnenring Noord I en II". Het gebruik voor detailhandel was derhalve niet toegestaan onder dat plan, daarbij inbegrepen het overgangsrecht van dat plan. Het enkele feit dat dit gebruik volgens Autohuis De Poort Amersfoort B.V. heeft voortgeduurd tot 2012 geeft geen aanspraak op voortzetting van het gebruik van het perceel voor detailhandel. Nu geen sprake is van bestaande rechten heeft de raad in redelijkheid geen detailhandel hoeven toe te staan op het perceel.

Het betoog faalt.

14. Het beroep van Autohuis De Poort Amersfoort B.V. is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B]

Ontvankelijkheid

15. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat artikel 1, lid 1.16, van de planregels afwijkt van de standaard begripsbepaling van een bedrijfswoning, waardoor de noodzaak om bij een bedrijf een bedrijfswoning te hebben geen voorwaarde meer vormt om van een bedrijfswoning te spreken.

Zij richten zich voorts tegen de afwijkingsbevoegdheid die in artikel 51, lid 51.3, van de planregels is opgenomen waarbij mantelzorg kan worden toegestaan bij bedrijfswoningen. Daartoe voeren zij aan dat een bedrijfswoning waar mantelzorg is toegestaan als kwetsbaar object zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) kan worden aangemerkt, wat belemmerend kan zijn voor hun bedrijf.

15.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.16, van de planregels wordt onder bedrijfswoning verstaan: een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk bedoeld voor het huishouden van een persoon welke woning in eigendom is van een (bijbehorend) bedrijf.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder r, is uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "(bw)" één bedrijfswoning met de daarbij behorende aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen toegestaan.

Ingevolge artikel 51, lid 51.3, kan het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning afwijken van de voorliggende regels voor het gebruik van aan, uit- en bijgebouwen bij (bedrijfs)woningen als afhankelijke woonruimte in combinatie met de noodzakelijke verbouw daarvan voor mantelzorg of een mantelzorgwoning, met inachtneming van de volgende voorwaarden:

[…]

b. door de vestiging van extra woonruimte mag er geen onevenredige aantasting plaatsvinden van de in het geding zijnde belangen, waaronder die van omwonenden en bedrijven;

[…].

15.2. De kleinste afstand van het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] tot de dichtstbijzijnde aanduiding "(bw)" is ongeveer 210 meter. Nu ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder r, van de planregels een bedrijfswoning uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding "(bw)", kan op grond van het plan geen bedrijfswoning worden gebouwd en geen mantelzorg in een bedrijfswoning worden toegestaan op een kleinere afstand dan 210 meter van het bedrijf. Vanuit het bedrijf is geen zicht op de dichtst bij het bedrijf gelegen grond waaraan de aanduiding "(bw)" is toegekend. Het desbetreffende perceel valt buiten de veiligheidscontour die in de milieuvergunning voor het bedrijf is opgenomen en tevens buiten het gebied waaraan de aanduiding "veiligheidszone - bevi" is toegekend. Naar het oordeel van de Afdeling is de afstand van 210 meter te groot om een rechtstreeks en actueel betrokken belang bij het bestreden besluit in zoverre te kunnen aannemen.

Voorts hebben [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] geen feiten of omstandigheden aangevoerd in verband waarmee zou moeten worden geoordeeld dat ondanks deze afstand een objectief en eigen belang van hen in zoverre rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken.

De conclusie is dat [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] in zoverre geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb en dat zij daartegen ingevolge artikel 8:1 van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, geen beroep kunnen instellen. Het beroep, voor zover gericht tegen artikel 1, lid 1.16, en artikel 51, lid 51.3, van de planregels, is niet-ontvankelijk.

Inhoudelijk

16. De in het beroepschrift van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] aan de orde gestelde onduidelijkheid over de gehanteerde terminologie met betrekking tot een geluidgezoneerd bedrijventerrein dat wordt omgeven door een geluidzone, is ter zitting opgehelderd. Verdere bespreking daarvan kan volgens partijen achterwege blijven.

17. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat de aanduiding "veiligheidszone - bevi" die in het plan ter plaatse van hun bedrijf aan de [locatie 4] is opgenomen ten onrechte en anders dan de raad stelt kleiner is dan de veiligheidscontour die geldt op basis van de geldende revisievergunning.

17.1. De raad stelt dat de risicocontour is verkleind als gevolg van de voorwaarden die zijn opgenomen in de vergunning die het college van gedeputeerde staten van Utrecht heeft verleend. Volgens de raad komt de aanduiding "veiligheidszone - bevi" nu overeen met de veiligheidscontour uit de vergunning.

17.2. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, sub a, onder 1, van het Bevi wordt in dit besluit en de daarop berustende bepalingen onder beperkt kwetsbaar object verstaan: verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare.

Ingevolge het eerste lid, aanhef en onder l, sub a, wordt onder kwetsbaar object verstaan: woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld in onderdeel b, onder a.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en h, van het Bevi is het Bevi van toepassing op de besluiten, bedoeld in artikel 4, eerste tot en met vierde lid, met betrekking tot:

a. een inrichting waarop het Besluit risico's zware ongevallen 1999 van toepassing is;

h. andere door Onze Minister bij regeling aangewezen categorieën van inrichtingen, bedoeld in de onderdelen e tot en met g, waarvan het plaatsgebonden risico, berekend volgens bij die regeling gestelde regels, hoger is of kan zijn dan 10-6 per jaar en waarvoor bij die regeling afstanden tot al dan niet geprojecteerde kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten zijn vastgesteld, niet zijnde inrichtingen waarvoor regels gelden krachtens artikel 8.40 van de wet.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, is het Bevi, voor zover van belang, van toepassing op besluiten, bedoeld in artikel 5, eerste, tweede en zesde lid, met betrekking tot de bestemming van de grond, voor zover die grond ligt binnen het invloedsgebied van een inrichting als bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, voor zover hier van belang, neemt het bevoegd gezag bij de vaststelling van een besluit als bedoeld in artikel 3.1, eerste tot en met derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) op grond waarvan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten wordt toegelaten, de grenswaarde genoemd in artikel 8, eerste lid, in acht.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, geeft de gemeenteraad geen toepassing aan artikel 3.1, derde lid, van de Wro voor zover het bestemmingsplan de bouw of vestiging van kwetsbare objecten of beperkt kwetsbare objecten toelaat ten aanzien waarvan niet wordt voldaan aan de grenswaarde of de afstanden, bedoeld in het eerste lid.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is de grenswaarde voor kwetsbare objecten in een gebied waarvoor een besluit als bedoeld in artikel 5, eerste lid, wordt vastgesteld 10-6 per jaar.

17.3. Ingevolge artikel 47, lid 47.6.1, van de planregels, is ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bevi" het vestigen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen niet toegestaan, tenzij de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten onderdeel uitmaken van de betreffende risicovolle inrichting.

17.4. Op 8 mei 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [appellante sub 7A] een revisievergunning verleend krachtens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer. Daarin is onder meer bepaald dat de bedrijfsvoering met name gericht op opslag van ADR geclassificeerde stoffen zodanig moet plaatsvinden dat binnen de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico geen kwetsbare objecten voorkomen. De vergunning is, met uitzondering van twee hier niet van belang zijnde voorschriften, bij uitspraak van de Afdeling van 25 september 2013 in zaak nr. 201206138/1/A4 in rechte onaantastbaar geworden. In deze uitspraak is overwogen dat het college de woningen aan de [locatie 1], [locatie 5] en [locatie 6] terecht heeft aangemerkt als kwetsbare objecten.

17.5. In hetgeen [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanduiding "veiligheidszone - bevi" aansluit bij de uit de revisievergunning voortvloeiende 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico.

De raad heeft ter zitting gesteld dat hij beoogd heeft de aanduiding "veiligheidszone - bevi" één op één te laten overeenstemmen met de contour uit de revisievergunning. Ter zitting hebben [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] gesteld dat de aanduiding aan de zuidwestelijke kant net iets krapper is dan de contour die in de revisievergunning is opgenomen. Dit betreft echter gronden waaraan de bestemming "Verkeer" is toegekend en waarop geen kwetsbaar object kan worden gevestigd of gebouwd. Ten gevolge van de gestelde discrepantie tussen de contour en de aanduiding, wat daar ook van zij, wordt geen bouw of vestiging van beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten mogelijk gemaakt.

Het betoog faalt.

18. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat aan de bedrijfswoningen aan de [locatie 1], [locatie 5] en [locatie 6] ten onrechte de bestemming "Wonen - 3" is toegekend. Zij voeren daartoe aan dat het toekennen van een nieuwe woonbestemming voor burgerwoningen op een industrieterrein in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij stellen dat zij door de woonbestemming belemmerd worden in de bedrijfsvoering van hun inrichting aan de [locatie 4] en dat de raad daar volgens hen geen rekening mee heeft gehouden. Ook zal de waarde van hun percelen volgens hen dalen, terwijl de nabijheid van de woningen reeds tot een saneringsplicht heeft geleid.

Zij voeren verder aan dat de bedrijfswoningen illegaal als burgerwoning worden gebruikt. Volgens hen valt het illegale gebruik niet onder het overgangsrecht van dit plan en zou dat in de overgangsrechtelijke bepalingen van dit plan tot uitdrukking moeten komen.

18.1. De raad stelt dat aan de gronden die zien op de woningen terecht de bestemming "Wonen - 3" is toegekend. Dit beperkt de gebruiksmogelijkheden van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] niet, nu bij het verlenen van omgevingsvergunningen niet van de planologische situatie wordt uitgegaan, maar van de feitelijke situatie met gebruik als burgerwoningen.

18.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 januari 2014 in zaak nr. 201304160/1/A1) viel het gebruik van de woningen aan de [locatie 1], [locatie 5] en [locatie 6] als burgerwoning onder het overgangsrecht van het voorheen geldende plan.

Ter zitting heeft de raad gesteld dat nu de Bevi-contour niet over de woningen ligt, hij niet anders kon dan de woningen als zodanig bestemmen. Kennelijk is de raad van mening dat, nu hij het gebruik als burgerwoning niet binnen de planperiode wil beëindigen, dit bestaande gebruik als zodanig moest worden bestemd.

18.3. De raad heeft in redelijkheid het gebruik van de woningen als burgerwoning niet opnieuw onder het algemene overgangsrecht gebracht, nu niet in geschil is dat beëindiging van het gebruik binnen de planperiode in dit geval niet aannemelijk is.

Dit betekent niet dat het gebruik als burgerwoning reeds daarom als zodanig had moeten worden bestemd, nu gebruik in strijd met een geldende bestemming dan wel gebruik dat onder het overgangsrecht valt in beginsel geen gerechtvaardigde rechten en verwachtingen kan doen ontstaan dat het gebruik als zodanig wordt bestemd. Het als zodanig bestemmen van bestaand feitelijk gebruik dat onder het overgangsrecht van het vorige plan viel, mag niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening of anderszins met het recht.

In de toelichting is vermeld dat het klimaat op dit deel van dit industrieterrein niet is afgestemd op wonen en dat dit deel een industrieel, productiegeörienteerd bedrijventerrein betreft, waar ruimte wordt geboden aan bedrijven die hinder mogen veroorzaken, in de vorm van onder meer geur, geluid en gevaar. De woningen zijn gelegen naast een rioolwaterzuiveringsinstallatie. De kleinste afstand van het bouwvlak van de meest nabij gelegen woning tot het bouwvlak van het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] is ongeveer 27 meter. De bouwvlakken van de twee andere woningen aan de Neonweg liggen op een afstand van 54 meter onderscheidenlijk 87 meter van het bouwvlak van het bedrijf. De raad heeft bij zijn besluit niet het belang van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betrokken bij afwezigheid van een reguliere woonbestemming ter plaatse van deze woningen. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich niet enkel onder verwijzing naar het feitelijke gebruik zonder nader onderzoek, zonder nadere onderbouwing en zonder nadere belangenafweging op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bestemming "Wonen - 3" voor de woningen aan de [locatie 1], [locatie 5] en [locatie 6] uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar is.

Indien de raad bij afweging van de betrokken belangen van mening is dat het als zodanig bestemmen van het feitelijke gebruik bezwaarlijk is, ligt het op de weg van de raad andere oplossingen te onderzoeken, waarbij kan worden overwogen of voor het bestaande gebruik van de woningen aan de [locatie 1], [locatie 5] en [locatie 6] een uitsterfregeling in het plan kan worden opgenomen. Een dergelijke uitsterfregeling kan inhouden dat het bestaande gebruik als zodanig wordt toegestaan, met dien verstande dat als dit gebruik eindigt dit hierna niet langer is toegestaan.

Het betoog slaagt.

19. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder m, van de planregels ten onrechte geen oppervlaktebeperking aan kantoorruimte op het bedrijventerrein stelt. Grote kantoren worden aangemerkt als kwetsbaar object als bedoeld in het Bevi, waardoor [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] in hun bedrijfsvoering kunnen worden belemmerd.

19.1. De raad stelt dat het opnemen van een maximale oppervlakte voor kantoren niet nodig is, omdat de Bevi-inrichtingen zijn opgenomen in de verbeelding.

19.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder m, van de planregels zijn bedrijfsgebonden, onzelfstandige kantoren uitsluitend toegestaan voor zover zij behoren bij de toegelaten bedrijven en mits de vloeroppervlakte van die kantoren per bedrijf minder bedraagt dan 50% van het brutovloeroppervlak van het bedrijf, tenzij dit percentage ten tijde van de inwerkingtreding van het plan, op basis van verworven rechten al afwijkend is.

19.3. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder l, aanhef en sub c, aanhef en onder 1, van het Bevi wordt onder kwetsbaar object verstaan kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1.500 m2 per object.

19.4. Het vestigen van kwetsbare objecten is ter plaatse van de aanduiding "veiligheidszone - bevi" ingevolge artikel 47, lid 47.6.1, van de planregels niet toegestaan, tenzij de kwetsbare objecten onderdeel uitmaken van de betreffende risicovolle inrichting. De planregels sluiten echter niet uit dat het vloeroppervlak van een kantoor ter plaatse toeneemt tot boven de 1.500 m2. De raad heeft niet onderkend dat hierdoor een belemmering voor de bedrijfsvoering van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] kan ontstaan en ook overigens niet gemotiveerd waarom in de planregels geen beperking aan de vloeroppervlakte van kantoren hoeft te worden opgenomen.

Het betoog slaagt.

20. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder f, van de planregels ten onrechte functieverruiming toestaat. Zij voeren daartoe aan dat het toestaan van niet-industriële functies op een industrieel bedrijventerrein belemmerend kan werken en dat de voorwaarden die in het genoemde artikel zijn gesteld niet geschikt zijn om een dergelijke functieverruiming mogelijk te maken.

20.1. De raad verwijst naar het bepaalde in artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder f, aanhef en sub 3, van de planregels, waarin is bepaald dat er vanuit het oogpunt van milieu geen belemmering mag zijn als gebruik wordt gemaakt van functieverruiming.

In de plantoelichting wordt het bedrijventerrein onderverdeeld in drie gebieden. Voor het westelijke deel van het bedrijventerrein waar het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] is gevestigd, is in de plantoelichting het volgende vermeld: "Voor nieuwe functies die slechts zeer beperkt en alleen in de directe omgeving een beperking kunnen opleveren voor nieuwe of uitbreidende milieugebruiksruimte vragende bedrijven (bestaande milieurechten worden gerespecteerd), kunnen we met een maatwerkafweging meewerken aan vestiging."

20.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de gronden waaraan de bestemming "Bedrijventerrein 1" is toegekend bestemd voor functieverruiming ten behoeve van:

- vrije tijdsvoorzieningen (fitness, dansschool, leisure, sport, cultuur e.d.);

- vergaderfaciliteiten/congres;

- persoonlijke dienstverlening (kapper, stomerij e.d.);

- maatschappelijke functies, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

1. overeenstemming met de Visie Werklocaties zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

2. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid zoals is vastgelegd in de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

3. er uit het oogpunt van milieu geen belemmeringen zijn, indien nodig - op aangeven en ter beoordeling van de gemeentelijke milieudeskundige - onderbouwd met een milieuonderzoek;

4. er moet sprake zijn van een acceptabele verkeersafwikkeling en een acceptabele verkeersveiligheidssituatie, indien nodig - op aangeven en ter beoordeling van de gemeentelijke verkeersdeskundige - onderbouwd met een verkeersonderzoek;

5. in overeenstemming met Horecanota en Nota Detailhandel zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

6. op enig aangrenzend terrein de realisering van de bestemming niet wordt belemmerd;

7. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende terreinen;

met dien verstande dat toepassing van de functieverruiming niet mag leiden tot feitelijke wijziging van de bestemming.

20.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van 5 januari 2011 in zaak nr. 200904136/1/R3, overweging 2.25 tot en met 2.25.4, (www.raadvanstate.nl) overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling is van oordeel dat de voorwaarden in artikel 5, lid 5.1, onder f, van de planregels niet geschikt zijn om zonder nadere objectivering te worden opgenomen in de planregels. Voor elk van deze voorwaarden geldt namelijk dat een nadere afweging wordt vereist. De realisering van de bestemming wordt daarmee afhankelijk gesteld van een nadere afweging die, gelet op de rechtszekerheid en de uitvoerbaarheid van het plan, reeds bij de vaststelling had moeten zijn gemaakt. Dit klemt temeer nu blijkens de plantoelichting voor verschillende delen van het bedrijventerrein verschillende invullingen worden gegeven aan de voorwaarden.

Op grond van de planregels is dan ook niet verzekerd dat het gebruik van de gronden voor zogenoemde functieverruiming, zoals volgens de plantoelichting is beoogd, slechts zeer beperkt een belemmering oplevert voor bedrijven die hun milieugebruiksruimte willen uitbreiden. Het plan is in zoverre in strijd met de rechtszekerheid.

Het betoog slaagt.

21. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat de in artikelen 52 en 53 van de planregels opgenomen afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden ten behoeve van onder meer zorg, onderwijs en kantoren onvoldoende waarborgen dat de komst van (beperkt) kwetsbare objecten geen belemmering vormt voor de bestaande bedrijven.

21.1. De raad stelt dat voor de bestaande onderwijsvoorzieningen en religieuze voorzieningen een functieaanduiding in de verbeelding is opgenomen. Deze bestaande feitelijke situatie is al geïntegreerd in de omgeving van de bedrijven en zorgt niet voor een beperking van de bestaande bedrijven, aldus de raad. Aan de hand van de voorwaarden die in artikelen 52 en 53 van de planregels aan de afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden zijn verbonden kan volgens de raad worden afgewogen of voldaan kan worden aan een goede ruimtelijke ordening.

21.2. Ingevolge artikel 52, lid 52.1, van de planregels, kan het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning ten behoeve van functiemenging op bedrijventerreinen afwijken van de desbetreffende bepalingen van het plan voor andere functies zoals:

a. zorg;

b. onderwijs;

c. perifere detailhandel;

d. vrije tijdsvoorzieningen (fitness, dansschool, leisure, sport, cultuur e.d.);

e. vergaderfaciliteiten/hotel/congres;

f. persoonlijke dienstverlening (kapper, stomerij e.d.);

g. horeca-a, b en c/uitgaan;

h. maatschappelijke functies;

i. wonen;

j. zelfstandige kantoren.

Ingevolge lid 52.2 kan aan de afwijking medewerking worden verleend mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. overeenstemming met de Visie Werklocaties zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

b. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid zoals is vastgelegd in de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

c. er uit het oogpunt van milieu geen belemmeringen zijn, indien nodig - op aangeven en ter beoordeling van de gemeentelijke milieudeskundige - onderbouwd met een milieuonderzoek;

d. in overeenstemming met Horecanota en Nota Detailhandel zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

e. op enig aangrenzend terrein de realisering van de bestemming niet wordt belemmerd;

f. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende terreinen;

g. Rijkswaterstaat zal geraadpleegd dienen te worden indien de functieverruiming plaatsvindt op een perceel nabij de rijkswegen A1 en A28 en vallend binnen de contourenkaart (*), zolang het Tracébesluit niet in werking is getreden,

met dien verstande dat toepassing van de afwijking niet mag leiden tot feitelijke wijziging van de bestemming.

* Voor het project knooppunt Hoevelaken is in samenspraak een Contourenkaart opgesteld waarbinnen het project knooppunt Hoevelaken moet kunnen worden uitgevoerd als maximale grens van het gebied. De Contourenkaart is onderdeel van de tweede bestuursovereenkomst knooppunt Hoevelaken (BOK2).

Ingevolge artikel 53, lid 53.1, is het college van burgemeester en wethouders bevoegd ten behoeve van functiemenging op bedrijventerreinen de bestemming te wijzigen voor andere functies zoals:

a. zorg;

b. onderwijs;

c. perifere detailhandel;

d. vrije tijdsvoorzieningen (fitness, dansschool, leisure, sport, cultuur e.d.);

e. vergaderfaciliteiten/hotel/congres;

f. persoonlijke dienstverlening (kapper, stomerij e.d.);

g. horeca-a, b en c/uitgaan;

h. maatschappelijke functies;

i. wonen;

j. zelfstandige kantoren.

Ingevolge lid 53.2 kan aan de afwijking medewerking worden verleend mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

a. in overeenstemming met de Visie Werklocaties zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

b. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid zoals is vastgelegd in de Nota Parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

c. er uit het oogpunt van milieu geen belemmeringen zijn, indien nodig - op aangeven en ter beoordeling van de gemeentelijke milieudeskundige - onderbouwd met een milieuonderzoek;

d. er moet sprake zijn van een acceptabele verkeersafwikkeling en een acceptabele verkeersveiligheidssituatie, indien nodig - op aangeven en ter beoordeling van de gemeentelijke verkeersdeskundige - onderbouwd met een verkeersonderzoek;

e. in overeenstemming met Horecanota en Nota Detailhandel zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag;

f. op enig aangrenzend terrein de realisering van de bestemming niet wordt belemmerd;

g. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende terreinen;

h. Rijkswaterstaat zal geraadpleegd dienen te worden indien de functieverruiming plaatsvindt op een perceel nabij de rijkswegen A1 en A28 en vallend binnen de contourenkaart (*), zolang het Tracébesluit niet in werking is getreden.

* Voor het project knooppunt Hoevelaken is in samenspraak een Contourenkaart opgesteld waarbinnen het project knooppunt Hoevelaken moet kunnen worden uitgevoerd als maximale grens van het gebied. De Contourenkaart is onderdeel van de tweede bestuursovereenkomst knooppunt Hoevelaken (BOK2).

21.3. Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels het college van burgemeester en wethouders binnen bij het plan te bepalen grenzen het plan kan wijzigen.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wro kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels.

21.4. De Afdeling stelt voorop dat het vastleggen van een wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht. Derhalve dient reeds bij de vaststelling van een wijzigingsbevoegdheid te zijn onderzocht of de daarin mogelijk gemaakte ontwikkelingen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.

Nu de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat met inachtneming van de voorwaarden die in artikelen 52 en 53 van de planregels zijn opgenomen bij de toepassing daarvan een nadere afweging kan worden gemaakt of voldaan kan worden aan een goede ruimtelijke ordening, is niet reeds bij de vaststelling van de wijzigingsbevoegdheid onderzocht of de daarin mogelijk gemaakte ontwikkelingen vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar zijn.

21.5. Met het opnemen van een afwijkingsbevoegdheid moet de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid in beginsel planologisch aanvaardbaar worden geacht. Dit brengt met zich dat de raad reeds bij de vaststelling van het plan, en niet eerst bij de toepassing van de afwijkingsvoorwaarden, moet hebben afgewogen of de situatie die kan ontstaan door de toepassing van deze bevoegdheid planologisch aanvaardbaar is.

Gelet hierop heeft de raad zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vraag of de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid een belemmering kan vormen voor de bestaande bedrijven eerst aan de orde komt bij het toepassen van de afwijkingsbevoegdheid.

Het betoog slaagt.

22. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat ter plaatse van hun bedrijf ten onrechte geen ander bedrijf van milieucategorie 5.3 noch een ander bedrijf dat valt onder het Bevi of het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (hierna: Brzo) is toegestaan, hetgeen een belemmering kan opleveren bij eigendomsoverdracht van het perceel. Voorts volgt volgens hen niet uit het plan dat ter plaatse van hun bedrijf ook bedrijven van milieucategorie 1 tot en met 5.1 zijn toegestaan.

22.1. De raad stelt dat op het terrein van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] bedrijven van milieucategorie 1 tot en met 5.1 zijn toegestaan. Voor [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] is een maatwerkbestemming opgenomen, zodat hun bedrijf van milieucategorie 5.3 ongehinderd kan worden voortgezet, aldus de raad. Volgens de raad kan het bedrijf worden overgedragen aan een andere eigenaar. Wanneer een ander bedrijf zich op de gronden vestigt, geldt daarvoor een maximale milieucategorie van 5.1, aldus de raad.

22.2. Aan de gronden van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] is de bestemming "Bedrijventerrein 1" en de aanduiding "milieuzones - zones Wet milieubeheer ``5.1" toegekend.

Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder d, van de planregels zijn de voor "Bedrijventerrein 1" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven in de categorie 1 tot en met 5.1 ter plaatse van de aanduiding 5.1 zoals aangeduid in de bij de planregels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten.

Ingevolge lid 5.1, aanhef en onder e, zijn de voor "Bedrijventerrein 1" aangewezen gronden bestemd voor de volgende bestaande bedrijven, die een maatwerkbestemming krijgen, omdat ze niet passen binnen de aangegeven categorie:

[…]

II. [locatie 4], [appellante sub 7B] en [appellante sub 7A]; de activiteiten van dit bedrijf vallen onder milieucategorie 5.3 waar milieucategorie 5.1 is toegestaan; het bedrijf [appellante sub 7A] valt onder de postseveso Richtlijn (volgens VNG 2009 bijlage 1: 2414.1 20141 A2).

[…].

Ingevolge lid 5.3, onder a, wordt tot een gebruik strijdig met de bestemming in ieder geval gerekend een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijven die vallen onder het Bevi of het Brzo met uitzondering van het bestaande bedrijf [appellante sub 7B] en [appellante sub 7A] aan de [locatie 4] en bestaande lpg-tankstations die ten tijde van de vaststelling aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 47, lid 47.4.1, zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding "Milieuzone - zones wet milieubeheer" bestemd voor het uitvoeren van bedrijfsmatige activiteiten in aangegeven milieucategorie overeenkomstig de bijbehorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, met uitzondering van risicovolle inrichtingen.

22.3. In de toelichting bij het plan staat vermeld dat gekozen is voor een zone-indeling waarbij de indeling oploopt van categorie 3.1 rondom de ligplaatsen van de woonboten aan de Havenweg en 3.2 voor het overgrote gedeelte van het plangebied in het oosten en midden. Voorts is categorie 4.2 toegestaan aan de westkant van de Radiumweg en de zwaarste categorie 5.1 aan de noordwest zijde van het plangebied. Hogere milieucategorieën zijn niet toegelaten, zo staat in de toelichting.

22.4. Gelet op het samenstel van de hiervoor weergegeven planregels en de verbeelding volgt uit het plan dat ter plaatse van het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] bedrijven van milieucategorie 1 tot en met 5.1 zijn toegestaan.

Niet in geschil is dat het bestaande bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] ter plaatse is toegestaan met de specifiek voor haar bedrijf geldende bestemming van milieucategorie 5.3. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening ongewenst is en in strijd is met het milieuzoneringsbeleid, zoals vastgelegd in het plan, om ter plaatse van het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] andere bedrijven van een zwaardere milieucategorie dan 5.1 toe te laten dan het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B]. Hierbij is in aanmerking genomen dat het voorheen geldende bestemmingsplan voor dit bedrijventerrein niet voorzag in milieuzonering en de raad voor dit bedrijventerrein milieuzonering noodzakelijk acht om een passende ruimtelijke scheiding aan te brengen tussen het bedrijventerrein en de daaromheen gelegen woongebieden.

Het betoog faalt.

23. [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] betogen dat de bouwregels onnodig beperkend zijn. Zij voeren daartoe aan dat het maximale bebouwingspercentage van 80% een doelmatig gebruik van het perceel belemmert, terwijl er geen reden is voor een dergelijke beperking. Daarbij is volgens hen door andere planregels, waaronder de verplichting om op eigen terrein te voorzien in parkeerplaatsen, verzekerd dat niet het hele bouwvlak wordt bebouwd. Zij voeren voorts aan dat de minimale afstand van 2,5 meter van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens niet noodzakelijk en onnodig beperkend is. Ten slotte voeren zij aan dat de maximale bouwhoogte van 15 meter onnodig beperkend is. Een bouwhoogte van 22 meter met een afwijkingsbevoegdheid tot 27 meter zou hen niet belemmeren en is daarom wenselijk.

23.1. De raad stelt dat het bebouwingspercentage en de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens de ruimtelijke opzet van het gehele gebied waarborgen, waarbij aan daglichttoetreding, zonlicht en privacy wordt gedacht. Volgens de raad voorkomt een minimumafstand tot de zijdelingse perceelsgrens dat er een aaneengesloten bebouwingsrand langs wegen ontstaat en zorgt deze ervoor dat elk gebouw zich in ruimtelijke zin kan manifesteren. De raad stelt verder dat een bouwhoogte van 15 meter niet ontoereikend blijkt te zijn voor het functioneren van de bedrijven. Een hogere bouwhoogte verkleint de ruimtelijke beleving van de openbare ruimte, aldus de raad.

23.2. Ingevolge artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder b, van de planregels geldt voor het bouwen op de gronden met de bestemming "Bedrijventerrein 1" dat een bouwvlak voor maximaal 80% mag worden bebouwd.

Ingevolge lid 5.2.1, aanhef en onder c, dienen de gebouwen en overkappingen minimaal 2,5 meter uit de zijdelingse perceelsgrens te blijven, met dien verstande dat deze regel niet geldt voor bestaande situaties ten tijde van de vaststelling van het plan.

Ingevolge lid 5.2.1, aanhef en onder d, bedraagt de maximale bouwhoogte 15 meter.

Ingevolge lid 5.2.1, aanhef en onder f, kan van lid 5.2.1, onder c, worden afgeweken ten behoeve van het realiseren van gebouwen en overkappingen op kortere afstand dan 2,5 meter uit de zijdelingse perceelsgrens, mits geen onevenredige afbreuk van de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende percelen en geen afbreuk aan de stedenbouwkundige kwaliteit ontstaat.

23.3. Ten aanzien van de eerst ter zitting aangevoerde stelling van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] dat in de zienswijzenota staat dat het maximale bebouwingspercentage van 80% zou komen te vervallen, overweegt de Afdeling dat deze opmerking in de zienswijzenota niet ziet op het bedrijventerrein waarop het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] is gevestigd. Deze stelling mist derhalve feitelijke grondslag.

23.4. Voor alle gronden met de bestemming "Bedrijventerrein 1" geldt een maximale bouwhoogte van 15 meter, een bebouwingspercentage van ten hoogste 80% en een minimale afstand van 2,5 meter van gebouwen tot de zijdelingse perceelsgrens. Ter plaatse van de twee aanwezige sproeidrogers is op de verbeelding een aanduiding voor een maximale bouwhoogte van 21 meter onderscheidenlijk 27 meter opgenomen. De raad hecht belang aan de ruimtelijke beleving van de openbare ruimte en acht een aaneengesloten bebouwingsrand niet wenselijk. Nu niet is gebleken van concrete plannen van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] en zij voorts niet hebben aangetoond dat hun bestaande bedrijvigheid door deze planregels wordt beperkt, ziet de Afdeling in hetgeen zij hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid deze planregels heeft kunnen vaststellen.

Het betoog faalt.

24. In hetgeen [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] hebben aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Wonen - 3" ter plaatse van de [locatie 1], [locatie 5] en [locatie 6], artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder m van de planregels, artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder f, van de planregels en artikelen 52 en 53 van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb en het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] is, voor zover ontvankelijk, gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

Slotoverwegingen

25. Voor zover de raad heeft verzocht toepassing te geven aan de in artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb gegeven bevoegdheid, ziet de Afdeling gelet op het samenstel van de vernietigde planonderdelen en de door de raad te verrichten herstelbesluitvorming geen aanleiding om met toepassing van deze bepaling voor een van deze planonderdelen in dit geval zelf in de zaak te voorzien.

De Afdeling ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van het bestreden besluit met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe planregeling vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

De Afdeling ziet voorts aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb.

26. Ten aanzien van [appellant sub 2], Serva B.V., Aucarmo B.V. en [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] dient de raad op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden samenhangende zaken voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, beschouwd als één zaak. In het tweede lid is bepaald dat samenhangende zaken zijn: gelijktijdig of nagenoeg gelijktijdig door een of meer belanghebbenden tegen nagenoeg identieke besluiten op vergelijkbare gronden ingestelde beroepen, waarin rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, onderdeel a, is verleend door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. In dit verband ziet de Afdeling aanleiding om ten aanzien van [appellant sub 2], Serva B.V. en Aucarmo B.V. toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Ten aanzien van [appellant sub 1], [appellante sub 5] en Autohuis De Poort Amersfoort B.V. bestaat geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellante sub 5], voor zover dat ziet op artikel 1, lid 1.90, van de planregels en het beroep van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B], voor zover dat ziet op artikel 1, lid 1.16, en artikel 51, lid 51.3, van de planregels, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen van [appellant sub 2], de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Serva B.V. en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aucarmo B.V. en het beroep van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B], voor zover ontvankelijk, gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Amersfoort van 25 juni 2013, nummer 4382217,

a. voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Verkeer" ter plaatse van de ondergrondse objecten en de luifel van het tankstation aan de Nijverheidsweg Noord 24/ Amsterdamseweg 7-9-11;

b. voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen - 3" ter plaatse van de [locatie 1], [locatie 5] en [locatie 6];

c. voor zover het betreft artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder m, van de planregels;

d. voor zover het betreft artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder f, van de planregels;

e. voor zover het betreft artikelen 52 en 53 van de planregels;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 1], het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Autohuis De Poort Amersfoort B.V. en het beroep van [appellante sub 5], voor zover ontvankelijk, ongegrond;

V. draagt de raad van de gemeente Amersfoort op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de onder III genoemde plandelen en planonderdelen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen;

VI. treft de voorlopige voorziening dat:

a. artikel 5, lid 5.1, onder m, van de planregels blijft gelden tot het tijdstip van inwerkingtreding van het door de raad vast te stellen besluit als bedoeld onder V, behoudens ter plaatse van de aanduiding "veiligheidscontour - bevi" behorende bij het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] aan de [locatie 4];

b. bedrijfsgebonden, onzelfstandige kantoren ter plaatse van de aanduiding "veiligheidscontour - bevi" behorende bij het bedrijf van [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] aan de [locatie 4] uitsluitend zijn toegestaan voor zover de bruto vloeroppervlakte van de kantoren per bedrijf niet meer bedraagt dan 1.500 m2;

VII. veroordeelt de raad van de gemeente Amersfoort tot vergoeding van in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten:

a. aan [appellant sub 2] tot een bedrag van € 324,67 (zegge: driehonderdvierentwintig euro en zevenenzestig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

b. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Serva B.V. tot een bedrag van € 324,67 (zegge: driehonderdvierentwintig euro en zevenenzestig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

c. aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aucarmo B.V. tot een bedrag van € 324,67 (zegge: driehonderdvierentwintig euro en zevenenzestig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

d. aan [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B] tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VIII. gelast dat de raad van de gemeente Amersfoort vergoedt aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van

a. € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2], en

b. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Serva B.V.;

c. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Aucarmo B.V.;

d. € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) voor [appellante sub 7A] en [appellante sub 7B], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. B.J. van Ettekoven en mr. R. Uylenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. Broekman, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Broekman

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

12-803.