Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201303358/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft het LBIO een verzoek van [appellante] om buiten invorderingstelling van de door haar verschuldigde ouderbijdrage afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303358/1/A2.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 maart 2013 in zaak nr. 12/4142 in het geding tussen:

[appellante]

en

het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: het LBIO).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2012 heeft het LBIO een verzoek van [appellante] om buiten invorderingstelling van de door haar verschuldigde ouderbijdrage afgewezen.

Bij besluit van 7 augustus 2012 heeft het LBIO het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2013, waar het LBIO, vertegenwoordigd door L. Nobels, werkzaam bij het LBIO, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

Ingevolge het tweede lid is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (hierna: het IVRK) vormen bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, de belangen van het kind de eerste overweging.

Ingevolge het tweede lid verbinden de staten die partij zijn, zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn of haar welzijn, rekening houdend met de rechten en plichten van zijn of haar ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk voor het kind zijn, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (hierna: de UVRM), heeft een ieder recht op een levensstandaard, die hoog genoeg is voor de gezondheid en het welzijn van zichzelf en zijn gezin, waaronder begrepen voeding, kleding, huisvesting en geneeskundige verzorging en de noodzakelijke sociale diensten, alsmede het recht op voorziening in geval van werkloosheid, ziekte, invaliditeit, overlijden van de echtgenoot, ouderdom of een ander gemis aan bestaansmiddelen, ontstaan ten gevolge van omstandigheden onafhankelijk van zijn wil.

Ingevolge artikel 73a van de Wet op de jeugdzorg (hierna: de Wjz) kan het LBIO in bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen gevallen bepalen dat de verschuldigde ouderbijdrage buiten invordering wordt gesteld.

Ingevolge artikel 71b, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg (hierna: het Uitvoeringsbesluit), zoals dat gold ten tijde van belang, kan het LBIO de verschuldigde ouderbijdrage slechts buiten invordering stellen indien het betreft een bijdrageplichtige die algemene bijstand ontvangt op grond van artikel 20, eerste lid, of artikel 23, eerste lid, onder a, van de Wet werk en bijstand (hierna: de Wwb).

2. [appellante] ontvangt een uitkering krachtens de Wwb naar de norm van een alleenstaande ouder die niet is genoemd onder de in artikel 71b, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit opgenomen uitkeringen van algemene bijstand.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank, door te overwegen dat het LBIO de aanvraag terecht heeft afgewezen omdat de uitkering die zij ontvangt niet is vermeld in artikel 71b, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit, heeft miskend dat onbegrijpelijk is dat het LBIO de verschuldigde ouderbijdrage buiten invordering kan stellen indien het betreft een bijdrageplichtige die een uitkering ontvangt naar de norm van een alleenstaande zonder kinderen, terwijl slechts een bijdrageplichtige met kinderen een ouderbijdrage verschuldigd kan zijn. [appellante] betoogt dat artikel 71b, aanhef en onder a, van het Uitvoeringsbesluit aldus moet worden begrepen, dat het LBIO ook bijdrageplichtigen, zoals zij, die een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder ontvangen, buiten invordering kan stellen.

3.1. In artikel 71b van het Uitvoeringsbesluit is dwingend en limitatief voorschreven in welke gevallen het LBIO bevoegd is tot het buiten invordering stellen van de verschuldigde ouderbijdrage. Volgens de nota van toelichting op de regeling (Stbl. 2007, 225) gaat het daarbij ten eerste om bijdrageplichtigen die, hoewel zij kinderen hebben, een uitkering als alleenstaande zonder kinderen ontvangen omdat de kinderen uit huis zijn geplaatst, in welk geval bij voorbaat vast staat dat betaling van een ouderbijdrage vrijwel onmogelijk is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, uitgangspunt van de regeling is dat ouders met een uitkering naar de norm van een alleenstaande ouder, zoals [appellante], een ouderbijdrage wel kunnen betalen.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt voorts dat de rechtbank, door te overwegen dat het LBIO op grond van de door haar naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding hoefde te zien om in afwijking van artikel 73a van de Wjz alsnog over te gaan op het buiten invordering stellen van de ouderbijdrage, heeft miskend dat zij en haar kinderen onder het in Nederland geldende bestaansminimum moeten leven, hetgeen strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM, artikel 25 van de UVRM en artikel 3 van het IVRK.

4.1. Ingevolge artikel 94 van de Grondwet vinden wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

4.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 7 februari 2012 in zaak nr. 201103064/1/V2) is artikel 3 van het IVRK een ieder verbindend in zoverre het ertoe strekt dat bij alle maatregelen betreffende een kind de belangen van het desbetreffende kind dienen te worden betrokken. Wat betreft het gewicht dat aan het belang van een kind in een concreet geval moet worden toegekend, bevat artikel 3, eerste lid, van het IVRK, gelet op de formulering ervan, geen norm die zonder nadere uitwerking in nationale wet- en regelgeving door de rechter direct toepasbaar is. Wel dient de bestuursrechter in dit verband te toetsen of het bestuursorgaan zich voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het kind en aldus bij de uitoefening van zijn bevoegdheden binnen de grenzen van het recht is gebleven. Deze toets heeft een terughoudend karakter.

De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat het LBIO zich onvoldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van de kinderen van [appellante], nu [appellante] in beroep niet heeft aangevoerd dat de belangen van haar kinderen als gevolg van de besluitvorming van het LBIO in het gedrang komen.

4.3. Voorts heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zich bijzondere omstandigheden voordoen die grond bieden voor het oordeel dat het LBIO met het niet buiten invordering stellen van de ouderbijdrage het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op het familie- en gezinsleven heeft geschonden. De stelling van [appellante] dat zij vanwege schulden ernstige financiële problemen heeft, hulp heeft gezocht bij Doras hulpverlening en onder het bestaansminimum moet leven, is zonder nadere toelichting of nadere concretisering onvoldoende. [appellante] heeft geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat haar gezinsleven niet kan voortduren zonder het buiten invordering stellen van de verschuldigde ouderbijdrage.

4.4. Artikel 25 van het UVRM is niet aan te merken als een bepaling in een verdrag of besluit als bedoeld in artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De stelling van [appellante] betreffende de schending van het UVRM, faalt derhalve.

4.5. De conclusie van het vorenstaande is dat de rechtbank in het betoog van [appellante] terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het LBIO ten onrechte heeft nagelaten met voorbijgaan aan artikel 73a van de Wjz over te gaan tot het buiten invordering stellen van de door haar verschuldigde ouderbijdrage.

Het betoog faalt.

5. [appellante] betoogt tot slot dat de rechtbank, door te overwegen dat het niet tot de taak van het LBIO maar van Bureau Jeugdzorg behoort om haar in te lichten over de op te leggen ouderbijdragen, heeft miskend dat deze organisaties samenwerken en zich daarom niet achter elkaar kunnen verschuilen. [appellante] stelt dat, indien zij op de hoogte was gebracht van de te betalen ouderbijdrage, zij hierop had kunnen anticiperen.

5.1. Hetgeen [appellante] met betrekking tot de inlichtingenplicht ter zake van het opleggen van de ouderbijdrage heeft aangevoerd, daargelaten de vraag of deze plicht op het LBIO dan wel het Bureau Jeugdzorg rust, faalt, reeds nu de rechtmatigheid van het besluit tot oplegging een ouderbijdrage in de onderhavige procedure bij de rechtbank niet ter beoordeling voor lag.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. A. Hammerstein, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van staat.

w.g. Slump w.g. Larsson-van Reijsen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

344.