Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2015

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201307310/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:5099, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het bestuur een verzoek van de stichting om vergoeding van vervangingskosten afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307310/1/A2.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de stichting Stichting Protestants Christelijk Primair Onderwijs (hierna: de stichting), gevestigd te Capelle aan den IJssel,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2013 in zaak nr. 12/3539 in het geding tussen:

de stichting

en

het bestuur van de stichting Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het Onderwijs (hierna: het bestuur).

Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2012 heeft het bestuur een verzoek van de stichting om vergoeding van vervangingskosten afgewezen.

Bij besluit van 28 juni 2012 heeft het bestuur het door de stichting daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 juli 2013 heeft de rechtbank het door de stichting daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de stichting hoger beroep ingesteld.

Het bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2014, waar de stichting, vertegenwoordigd door C.A. de Bondt, werkzaam bij Groenendijk Onderwijs Consultancy B.V., en het bestuur, vertegenwoordigd door mr. A.L.P.M. Konings, werkzaam bij het Vervangingsfonds, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 183, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op het primair onderwijs is het bevoegd gezag van een school onderscheidenlijk het bestuur van een centrale dienst voor zover het betreft personeel dat is benoemd op bekostiging voor zorgvoorzieningen als bedoeld in artikel 120, vierde lid, of artikel 132, aangesloten bij een door de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan te wijzen rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die zich ten doel stelt waarborgen te bieden voor de kosten voor vervanging bij afwezigheid van personeel.

Ingevolge het vierde lid kan de rechtspersoon regels vaststellen ter uitvoering van het eerste lid.

Ingevolge artikel 9 van het Reglement Vervangingsfonds Primair Onderwijs voor het schooljaar 2010-2011 (hierna: het Reglement) declareert het bevoegd gezag de kosten verbonden aan de vervanging, voor zover door dit Reglement toegestaan, conform de bestuursvoorschriften die daartoe door het bestuur worden vastgesteld. Declaratie van kosten dient plaats te vinden binnen drie maanden na afloop van de maand waarop de declaratie betrekking heeft. Na het verstrijken van deze termijn vervalt de aanspraak op bekostiging, tenzij er naar het oordeel van het bestuur sprake is van buitengewone feiten of omstandigheden.

Ingevolge artikel 18, vierde lid, dient verantwoording van de inzet van de poolers te geschieden door middel van de door het Vervangingsfonds ter beschikking gestelde pooltool, dan wel een daaraan vergelijkbaar systeem dat digitale aanlevering van de gewenste verantwoordingsgegevens mogelijk maakt.

2. De stichting maakt sinds 1 augustus 2010 gebruik van een door het Vervangingsfonds bekostigde vervangingspool. Zij kan ter vervanging van afwezig onderwijspersoneel leerkrachten uit deze pool inzetten. Het door de stichting in de arm genomen administratiekantoor gebruikt voor de administratieve verwerking van de inzet van de poolleerkrachten het salarisbetalingssysteem "Raet".

De stichting heeft bij brief van 7 december 2011 het bestuur verzocht om vergoeding van declaraties vervangingskosten vanaf 1 augustus 2010, waarbij de indieningstermijn van drie maanden is overschreden. De vervangingskosten bedragen € 81.983,06 en hebben betrekking op vier medewerkers van de stichting die per die datum als poolleerkracht zijn gaan werken. De stichting heeft toegelicht dat door onbekendheid met de werking van de poolvervanging in het salarisbetalingssysteem "Raet" deze vier medewerkers per vergissing als reguliere leerkracht en niet als poolleerkracht in het systeem zijn ingevoerd. Dit heeft tot gevolg gehad dat de inzet van deze personeelsleden wel via de zogeheten pooltool richting het Vervangingsfonds is verantwoord, maar voor de daarmee gemoeide vervangingskosten geen declaraties zijn verzonden naar het fonds. De stichting ging er vanuit dat bij gebruik van de pooltool ook gelijk declaratie zou plaatsvinden.

Bij het besluit van 12 januari 2012, gehandhaafd in bezwaar bij het besluit van 28 juni 2012, heeft het bestuur het verzoek afgewezen. Volgens het bestuur zijn er geen buitengewone feiten of omstandigheden die de overschrijding van de indieningstermijn voor declaraties verschoonbaar maken. Het via de pooltool verantwoorden van de inzet van de poolvervangers staat geheel los van de in artikel 9 van het Reglement opgenomen indieningstermijn voor declaraties. Naast de verantwoording via de pooltool dient er altijd aanvullend via het salarisadministratiesysteem een declaratie bij het Vervangingsfonds te worden ingediend. De stichting is verantwoordelijk voor de handelingen van het door haar ingeschakelde administratiekantoor en het gebruikte salarissysteem. Dat de financiële positie van de stichting zodanig is dat moet worden bezuinigd, is volgens het bestuur evenmin een buitengewoon feit of omstandigheid in voormelde zin. Uit het gebruik van de pooltool door de stichting volgt volgens het bestuur niet dat het kon weten dat de stichting nog declaraties vervangingskosten moest indienen. Pas na afloop van het schooljaar wordt gekeken naar het inzetpercentage van de pool. Alleen als het vereiste inzetpercentage niet gehaald is, onderneemt het bestuur actie richting het bevoegd gezag. De verantwoordelijkheid van het schoolbestuur om tijdig declaraties in te dienen, kan niet worden afgewenteld op het Vervangingsfonds, aldus het bestuur.

3. Niet is in geschil dat de declaraties te laat zijn ingediend. Dit heeft tot gevolg dat de stichting ingevolge artikel 9 van het Reglement geen aanspraak op bekostiging heeft, tenzij er buitengewone feiten of omstandigheden zijn.

4. Anders dan de stichting betoogt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestuur niet gehouden is bij voorbaat en in algemene zin vast te leggen in welke situatie buitengewone feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 9 van het Reglement kunnen worden aangenomen. Het bestuur heeft beoordelingsvrijheid om in een concreet geval te bepalen of er buitengewone feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat overschrijding van de indieningstermijn voor declaraties verschoonbaar is. Wel dient het bestuur zijn oordeel of die feiten of omstandigheden zich voordoen te motiveren. Is het bestuur van oordeel dat die er niet zijn, dan gaat zijn motiveringsplicht niet zo ver dat het gehouden is te vermelden wat wel buitengewone feiten of omstandigheden zouden zijn.

5. De stichting betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in dit geval geen buitengewone feiten en omstandigheden zijn, die ertoe leiden dat de overschrijding van de indieningstermijn voor declaraties verschoonbaar is. Volgens de stichting is in dit geval bijzonder dat het declaratiesysteem nieuwe en onbekende invulvelden bevatte waardoor de declaraties niet bij het Vervangingsfonds zijn ingediend, terwijl de stichting in de veronderstelling verkeerde dat met het verantwoorden van de inzet van poolleerkrachten ook de declaraties automatisch waren ingediend. Het bestuur had kunnen begrijpen dat de stichting beoogde de declaraties in te dienen. De stichting had geen reden om de declaraties niet in te dienen, omdat anders geen verantwoording zou zijn afgelegd voor de inzet van poolleerkrachten. Voorts is de financiële situatie van de stichting dusdanig slecht, dat het bestuur ook op grond daarvan buitengewone feiten en omstandigheden had moeten aannemen, aldus de stichting.

5.1. De stichting is zelf verantwoordelijk voor het indienen van declaraties en de ten behoeve daarvan te verrichten handelingen. De handelingen die het door haar ingeschakelde administratiekantoor in dat kader heeft verricht, kunnen aan de stichting worden toegerekend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de gevolgen van het pas later ontdekken door het administratiekantoor dat de inzet van poolleerkrachten niet was gedeclareerd ten gevolge van onbekendheid met de juiste wijze van administratieve registratie van poolleerkrachten en ontbreken van een signaalfunctie in het systeem "Raet" voor rekening en risico van de stichting dienen te blijven. Dat het administratiekantoor in de veronderstelling verkeerde de declaraties wel te hebben ingediend met het via de pooltool afleggen van verantwoording van de inzet van poolleerkrachten, leidt niet tot een ander oordeel.

Voorts had het bestuur uit de door de stichting afgelegde verantwoording van de inzet van poolleerkrachten via de pooltool niet hoeven afleiden dat zij daarmee beoogde declaraties in te dienen. De rechtbank heeft terecht door het bestuur voldoende aannemelijk gemaakt geacht, dat geen koppeling bestaat tussen de verantwoording per kwartaal via de pooltool van de poolinzet en declaraties van vervangingskosten. Het bestuur stelt na afloop van ieder schooljaar aan de hand van de kwartaalverantwoordingen van het schoolbestuur vast wat het inzetpercentage van de pool is geweest. Bij een inzet die minder is dan 98% wordt het verschil met dat percentage van de door het Vervangingsfonds bekostigde netto loonkosten van de vervangers en de netto loonkosten die zijn gemoeid met de feitelijke vervangingswerkzaamheden van het schoolbestuur teruggevorderd. Dat daarbij de gedeclareerde vervangingskosten worden betrokken, zoals de stichting ter zitting heeft aangevoerd, betekent evenmin dat het bestuur uit de verantwoording van de inzet had kunnen afleiden dat de stichting tevens declaraties beoogde in te dienen. Het bestuur heeft in dit verband toegelicht dat een schoolbestuur er soms voor kiest de inzet van poolleerkrachten niet te declareren, zodat hij geen toeslag op zijn vervangingsbijdrage hoeft te betalen. Voorts dient, anders dan de stichting stelt, ook in de situatie waarin niet wordt gedeclareerd ieder kwartaal de inzet van de pool te worden verantwoord. Dat het bestuur thans in de situatie waarin een schoolbestuur de inzet van poolleerkrachten heeft verantwoord, maar daarvoor geen declaraties heeft ingediend, als service bij het betrokken schoolbestuur rappelleert, leidt niet tot een ander oordeel.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bestuur zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in dit geval geen buitengewone feiten en omstandigheden zijn, die ertoe leiden dat de overschrijding van de indieningstermijn verschoonbaar is. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat de financiële situatie van de stichting dusdanig slecht is, dat het bestuur op grond daarvan buitengewone feiten en omstandigheden had moeten aannemen. De stelling van de stichting dat het mislopen van de gevraagde bekostiging voor haar een extra financiële tegenslag is, terwijl zij het financieel al moeilijk heeft, is daarvoor onvoldoende.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B.J. van Ettekoven, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Jansen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

609.