Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2008

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201307532/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:10611, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij onderscheiden besluiten van 26 oktober 2011 heeft de Belastingdienst de aan [appellant A] over de jaren 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307532/1/A2.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Rotterdam,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2013 in zaak nr. 12/2310 in het geding tussen:

[appellant A]

en

de Belastingdienst/Toeslagen (hierna: de Belastingdienst).

Procesverloop

Bij onderscheiden besluiten van 26 oktober 2011 heeft de Belastingdienst de aan [appellant A] over de jaren 2009 en 2010 toegekende voorschotten kinderopvangtoeslag herzien en vastgesteld op nihil.

Bij besluit van 16 mei 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellant A] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant A] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2014, waar de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. drs. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij de Belastingdienst, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c en n, van de Wet kinderopvang (hierna: de Wko), zoals deze luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder gastouderopvang: kinderopvang in een gezinssituatie door een ander dan degene die als ouder op grond van artikel 5, eerste lid, aanspraak kan maken op een kinderopvangtoeslag onderscheidenlijk een tegemoetkoming of diens partner, bestaande in de gelijktijdige opvang van ten hoogste vier kinderen in de woning waar de ouder of de gastouder zijn hoofdverblijf heeft; en onder kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder j, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: de Awir) in de kosten van kinderopvang.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, is op deze wet de Awir van toepassing.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, heeft een ouder jegens het Rijk aanspraak op kinderopvangtoeslag in de door hem of zijn partner te betalen kosten, indien de opvang door tussenkomst van een geregistreerd gastouderbureau plaatsvindt.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, is de hoogte van de kinderopvangtoeslag afhankelijk van:

a. de draagkracht;

b. de kosten van kinderopvang per kind die worden bepaald door:

1˚. het aantal uren kinderopvang per kind in het berekeningsjaar,

2˚. de voor die kinderopvang te betalen prijs, met inachtneming van het bedrag, bedoeld in het tweede lid, en

3˚. de soort kinderopvang.

Bij de wet van 7 juli 2010 tot wijziging van de Wet kinderopvang, de Wet op het onderwijstoezicht, de Wet op het primair onderwijs en enkele andere wetten in verband met wijzigingen in het onderwijsachterstandenbeleid (Stb. 2010, 296) is de citeertitel van de Wet kinderopvang met ingang van 1 augustus 2010 gewijzigd in Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en zijn de artikelen 1 tot en met 89 vernummerd tot 1.1 tot en met 1.89.

Ingevolge artikel 16, vierde lid, van de Awir kan de Belastingdienst het voorschot herzien.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, verstrekken een belanghebbende, een partner en een medebewoner de Belastingdienst desgevraagd alle gegevens en inlichtingen die voor de beoordeling van de aanspraak op of de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming van belang kunnen zijn.

2. De Afdeling overweegt ambtshalve dat alleen [appellant A] tegen het besluit van de Belastingdienst van 16 mei 2012 beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. [appellant B] is in het beroepschrift niet vermeld als eiser. Aangezien er geen grond is voor het oordeel dat [appellant B] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hij geen beroep heeft ingesteld, dient het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], gelet op het bepaalde in artikel 6:13, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3. Aan het besluit van 15 mei 2012 heeft de Belastingdienst, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat [appellant A] over de jaren 2009 en 2010 geen recht heeft op voorschotten kinderopvangtoeslag, omdat zij desgevraagd niet heeft aangetoond dat zij alle opgegeven kosten van kinderopvang heeft gemaakt.

De rechtbank heeft het standpunt van de Belastingdienst gevolgd.

4. [appellant A] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij in de jaren 2009 en 2010 de door haar aan de Belastingdienst opgegeven kosten van kinderopvang via gastouderbureau Kids2Oma daadwerkelijk heeft gemaakt. Daartoe heeft zij bankafschriften, kwitanties, overeenkomsten met het gastouderbureau, facturen van het gastouderbureau en een verklaring van de gastouder overgelegd. Volgens [appellant A] heeft zij hiermee aangetoond dat zij de gastouder heeft betaald en dus kosten voor kinderopvang heeft gemaakt.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 22 juni 2011 in zaak nr. 201010918/1/H2), volgt uit artikel 18, eerste lid, van de Awir, gelezen in verbinding met artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wko, dat degene die voor kinderopvangtoeslag in aanmerking wil komen, moet kunnen aantonen dat hij kosten van zulke opvang heeft gemaakt en wat de hoogte ervan is.

4.2. Uit de jaaropgaven over 2009 en 2010 volgt dat [appellant A] in die jaren onderscheidenlijk € 12.663,60 en € 16.435,00 aan kosten van kinderopvang heeft gehad.

Uit de door [appellant A] overgelegde facturen van het gastouderbureau volgt dat het gastouderbureau zorg droeg voor het doorgeleiden van betalingen van de (vraag)ouder aan de gastouder. Mede in dat kader heeft [appellant A] de Belastingdienst verzocht het voorschot kinderopvangtoeslag rechtstreeks te storten op de bankrekening van het gastouderbureau. De betalingen van [appellant A] aan de gastouder zijn dus deels via het gastouderbureau verlopen.

Aan [appellant A] was bij besluit van 10 juli 2009 een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2009 van € 11.819,00 toegekend. Aldus is aangetoond dat in 2009 dit bedrag aan kosten voor kinderopvang is betaald.

Aan [appellant A] was bij besluit van 13 juli 2010 een voorschot kinderopvangtoeslag voor 2010 van € 14.931,00 toegekend. Derhalve is aangetoond dat in 2010 dit bedrag aan kosten voor kinderopvang is betaald. Voorts heeft [appellant A] een bankafschrift overgelegd waaruit volgt dat zij op 6 april 2010 een factuur van Kids2Oma van € 1.035,00 heeft betaald. Zij heeft aldus aangetoond in 2010 € 15.966,00 te hebben betaald.

[appellant A] stelt de resterende gedeelten van de kosten van kinderopvang via Kids2Oma over 2009 en 2010 contant te hebben betaald.

4.3. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2011, in zaak nr. 201010918/1/H2, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door [appellant A] overgelegde bankafschriften en kwitanties niet kunnen dienen als bewijs, nu de op de bankafschriften vermelde bedragen en data niet overeenkomen met de bedragen en data, zoals die zijn vermeld op de kwitanties. Ook uit de verklaring van de gastouder blijkt niet dat [appellant A] kosten van kinderopvang heeft betaald.

[appellant A] heeft derhalve met de door haar overgelegde stukken niet aangetoond dat zij alle kosten voor kinderopvang die zij aan de Belastingdienst heeft opgegeven en volgens de jaaropgaven in 2009 en 2010 verschuldigd was, daadwerkelijk heeft betaald. De rechtbank heeft, gelet daarop, terecht geoordeeld dat de Belastingdienst zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant A] geen recht heeft op voorschotten kinderopvangtoeslag over deze jaren.

Het betoog faalt.

5. [appellant A] betoogt dat zij het slachtoffer is geworden van het frauduleuze handelen van het gastouderbureau.

Wat hier ook van zij, dit neemt niet weg dat [appellant A], zoals onder 4.1 is overwogen, om voor toekenning van kinderopvangtoeslag in aanmerking te kunnen komen, moet kunnen aantonen dat zij kosten van kinderopvang heeft gemaakt en wat de hoogte ervan is. Nu zij daarin niet is geslaagd, mocht de Belastingdienst de voorschotten kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010 herzien en op nihil vaststellen, als deze heeft gedaan.

6. Nu, zoals uit het vorenoverwogene volgt, [appellant A] geen aanspraak heeft op voorschotten kinderopvangtoeslag over 2009 en 2010, behoeft hetgeen zij overigens met betrekking tot het recht op kinderopvangtoeslag over die jaren heeft aangevoerd geen bespreking meer.

7. Het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant A], is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellant B], niet-ontvankelijk;

II. bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.M.A. Koster, ambtenaar van staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Koster

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

710.