Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201305368/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2013, kenmerk PDN/2013-069, heeft de staatssecretaris het gebied "Duinen Den Helder-Callantsoog" (hierna: het gebied) aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB 2006 L 363; hierna: de Habitatrichtlijn).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/2046
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201305368/1/R2.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Callantsoog, gemeente Zijpe,

en

de staatssecretaris van Economische Zaken,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2013, kenmerk PDN/2013-069, heeft de staatssecretaris het gebied "Duinen Den Helder-Callantsoog" (hierna: het gebied) aangewezen als speciale beschermingszone in de zin van artikel 4, vierde lid, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB 1992 L 206), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn 2006/105/EG van de Raad van 20 november 2006 (PB 2006 L 363; hierna: de Habitatrichtlijn).

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2014, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.E. de Groot-Valenteijn en E.R. Osieck, beiden werkzaam bij het ministerie, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10a, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 wijst de minister gebieden aan ter uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bevat een besluit als bedoeld in het eerste lid de instandhoudingsdoelstelling voor het gebied. Tot de instandhoudingsdoelstelling behoren in ieder geval:

b. de doelstellingen ten aanzien van de instandhouding van de natuurlijke habitats of populaties in het wild levende dier- en plantensoorten voor zover vereist ingevolge de Habitatrichtlijn.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel gaat een besluit als bedoeld in het eerste lid vergezeld van een kaart, waarop de begrenzing van het gebied nauwkeurig wordt aangegeven alsmede van een toelichting.

2. Het gebied ligt in de provincie Noord-Holland en behoort tot het grondgebied van de gemeenten Den Helder en Zijpe. Het gebied maakt deel uit van een duinlandschap en heeft goed ontwikkelde duingraslanden. Het gebied beslaat een oppervlakte van ongeveer 645 hectare.

3. [appellante] kan zich niet met het aanwijzingsbesluit verenigen. Daartoe voert zij aan dat haar bedrijfsterrein ten onrechte in het aangewezen gebied is opgenomen, nu de aanwijzing van haar gronden de bedrijfsexploitatie in gevaar brengt en andere recreatieterreinen in de omgeving niet in het aangewezen gebied zijn opgenomen.

3.1. Niet in geschil is dat op de gronden van [appellante] natuurwaarden voorkomen die aanwijzing daarvan als Habitatrichtlijngebied kunnen rechtvaardigen. [appellante] heeft de stelling dat andere recreatieterreinen in de omgeving waarop habitattypen of soorten voorkomen waarvoor het gebied is aangewezen, niet zijn aangewezen, niet gemotiveerd. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt reeds hierom.

Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie kunnen bij een aanwijzingsbesluit als het onderhavige uitsluitend overwegingen van ecologische aard betrokken worden bij de begrenzing van het gebied. Geen rekening mag worden gehouden met vereisten op economisch, sociaal of cultureel gebied en met regionale en lokale bijzonderheden zoals vermeld in artikel 2, derde lid, van de Habitatrichtlijn (arrest van het Hof van 7 november 2000, C-371/98, First Corporate Shipping; www.curia.europa.eu). Gelet hierop kunnen andere belangen dan ecologische belangen, zoals de bedrijfsbelangen van [appellante], niet worden betrokken in de belangenafweging die aan het aanwijzingsbesluit ten grondslag ligt. De staatssecretaris heeft dan ook in redelijkheid de gronden van [appellante] kunnen aanwijzen.

Voor zover [appellante] vreest voor haar bestaande bedrijfsvoering, overweegt de Afdeling onder verwijzing naar haar uitspraken van 5 november 2008 in zaak nr. 200802545/1, en van 29 juni 2011, in zaak nr. 201002616/1/R2 dat eerst in een beheerplan een nauwkeuriger vaststelling van de gevolgen van de aanwijzing voor bestaande activiteiten kan plaatsvinden. Daarnaast brengt artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998 met zich dat een vergunning op grond van die wet nodig is, indien sprake is van een project dat, of andere handeling die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Of bepaalde activiteiten, zoals de bedrijfsactiviteiten van [appellante], in het beheerplan kunnen worden vrijgesteld van de vergunningplicht of een vergunning, indien vereist, zal kunnen worden verleend, kan niet op voorhand in algemene zin in een aanwijzingsbesluit worden vastgesteld, maar dient in het beheerplan of in het kader van de aanvraag van een vergunning te worden bepaald. Overigens heeft de staatssecretaris de verwachting uitgesproken dat het aanwijzingsbesluit, gelet op de in de toelichting daarop opgenomen exclaveringsformule, geen gevolgen zal hebben voor de bedrijfsvoering van [appellante] zoals die in de stukken is omschreven.

Het betoog faalt.

4. Het beroep is ongegrond.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Baaren, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Van Baaren

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

579-726.