Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:2001

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201210732/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Maarssen" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201210732/3/R2.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 1]),

2. [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

allen wonend in de gemeente Stichtse Vecht,

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2012 heeft de raad het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Maarssen" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben onder meer [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Onder andere [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 juli 2013, waar onder meer [appellant sub 2], bijgestaan door mr. T.J.H. Verstappen, advocaat te Nijmegen, [appellant sub 1], en de raad, vertegenwoordigd door drs. ing. W. Bader-Schenk en ing. T. Verkammen, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2013, nr. 201210732/1/R2 heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 10 weken na de verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 25 september 2012 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 23 december 2013 heeft de raad aan de Afdeling meegedeeld dat hij aan de bij de tussenuitspraak gegeven opdracht heeft voldaan.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn door de Afdeling in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen. [appellant sub 2] heeft een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om het besluit van 25 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied Maarssen" te wijzigen wat betreft artikel 15.1 en artikel 15.2 van de planregels teneinde het gebruik van bouwwerken voor opslagdoeleinden mogelijk te maken op de gronden van [appellant sub 1] waaraan de bestemming "Recreatie - 6" is toegekend.

Daarnaast heeft de Afdeling de raad opgedragen om het genoemde besluit van 25 september 2012 te herstellen door nader te motiveren waarom de aanwezige kuilplaat binnen het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" dat ziet op de gronden van [appellant sub 2] aan de [locatie] niet als zodanig is bestemd dan wel het besluit in zoverre te wijzigen, dat de aanwezige kuilplaat binnen het bouwvlak komt te liggen.

2. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 17 december 2013 het plan gewijzigd vastgesteld. Daarbij zijn de artikelen 5.1, 15.1 en 15.2 van de planregels gewijzigd en is de verbeelding aangepast, waarbij het bouwvlak dat is toegekend aan de gronden aan de [locatie] is uitgebreid aan oostelijke zijde.

3. Gelet op hetgeen onder 9.3 en onder 17.4 van de tussenuitspraak is overwogen, ziet de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 25 september 2012, voor zover dit betrekking heeft op de vaststelling van artikel 15.1 en artikel 15.2 van de planregels respectievelijk het plandeel dat ziet op de gronden aan de [locatie], direct grenzend aan de oostzijde van het bouwvlak, dient te worden vernietigd. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen dit besluit zijn gegrond.

4. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben.

5. [appellant sub 1] heeft naar aanleiding van het gewijzigde vaststellingsbesluit van 17 december 2013 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant sub 1] geen bezwaren heeft tegen dat besluit. Het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

6. [appellant sub 2] heeft in zijn zienswijze van 24 januari 2014 aangegeven dat hij zich kan verenigen met de inhoud van het gewijzigde vaststellingsbesluit van 17 december 2013, maar dat de elektronische verbeelding die ter inzage heeft gelegen daarmee niet in overeenstemming is.

6.1. Het besluit van 17 december 2013 is op 15 januari 2014 gepubliceerd en heeft vanaf 17 januari 2014 ter inzage gelegen. Op 29 januari 2014 is een rectificatie gepubliceerd, omdat de verkeerde stukken ter inzage waren gelegd. Het besluit van 17 december 2013 is daarom opnieuw ter inzage gelegd vanaf 31 januari 2014.

De Afdeling stelt vast dat in de elektronische verbeelding, met het kenmerk NL.IMRO.1904.BPlgmaarssenLGM, zoals die na de eerdergenoemde rectificatie is gepubliceerd op de website www.ruimtelijkeplannen.nl - de landelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.2.2, eerste lid, van het Besluit ruimtelijke ordening - aan de gronden van [appellant sub 2] waar de bestaande kuilplaat zich bevindt een bouwvlak en de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kuilplaten' is toegekend.

Ingevolge het thans geldende artikel 5.1, onder a, aanhef en sub 8, van de planregels zijn de gronden ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - kuilplaten' uitsluitend bestemd voor kuilplaten. Derhalve is thans - na de rectificatie van 29 januari 2014 - de gepubliceerde elektronische verbeelding in overeenstemming met het besluit van 17 december 2013 en is de bestaande kuilplaat op de gronden van [appellant sub 2] als gevolg van het gewijzigde vaststellingsbesluit nu als zodanig bestemd. Hierdoor is naar het oordeel van de Afdeling geen sprake meer van een rechtsonzekere situatie.

6.2. Nu [appellant sub 2] in zijn zienswijze te kennen heeft gegeven dat hij zich met de inhoud van het besluit van 17 december 2013 kan verenigen en gelet op hetgeen hiervoor onder 6.1 is overwogen, moet het van rechtswege ontstane beroep van [appellant sub 2] geacht worden te zijn ingetrokken.

7. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] alsmede het beroep van [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 25 september 2012 gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 25 september 2012 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Landelijk gebied Maarssen", voor zover dat betrekking heeft op de artikelen 15.1 en 15.2 van de planregels alsmede op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden" dat ziet op de gronden aan de [locatie], direct grenzend aan de oostzijde van het bouwvlak;

III. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 17 december 2013 ongegrond;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 300,36 (zegge: driehonderd euro en zesendertig cent) en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht als volgt vergoedt:

- aan [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

- aan [appellant sub 2A] en [appellante sub 2B] een bedrag van € 156,00 (zegge: honderdzesenvijftig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Vreugdenhil, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Vreugdenhil

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

571.