Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1999

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201306466/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2013:4234, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 april 2012 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat het in zijn voornemen ligt de aanvraag om wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochter in "[naam stiefvader]" - de naam van de stiefvader - voor inwilliging in aanmerking te doen komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306466/1/A3.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Tilburg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 24 mei 2013 in zaak nr. 12/6659 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 24 april 2012 heeft de staatssecretaris aan [appellant] medegedeeld dat het in zijn voornemen ligt de aanvraag om wijziging van de geslachtsnaam van zijn dochter in "[naam stiefvader]" - de naam van de stiefvader - voor inwilliging in aanmerking te doen komen.

Bij besluit van 17 oktober 2012 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij mondelinge uitspraak van 24 mei 2013, verzonden op 7 juni 2013, heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2014, waar [appellant] en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. L.C. van der Linden, werkzaam bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden. Ingevolge artikel 10 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (hierna: de UVRM), heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie bij het vaststellen van zijn rechten en verplichtingen en bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging.

Artikel 11Ingevolge artikel 1:7, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de geslachtsnaam van een persoon op zijn verzoek, of op verzoek van zijn wettelijke vertegenwoordiger, door de Koning worden gewijzigd.

Ingevolge het vijfde lid worden bij algemene maatregel van bestuur regelen gesteld betreffende de gronden waarop de geslachtsnaamswijziging kan worden verleend, de wijze van indiening en behandeling van verzoeken als in het eerste en het tweede lid bedoeld en betreffende het voor wijziging van de geslachtsnaam verschuldigde recht.

Ingevolge het zesde lid deelt, indien Onze Minister van Justitie, voornemens is een voordracht te doen voor een koninklijk besluit strekkende tot inwilliging van een verzoek als bedoeld in het eerste lid, hij dit voornemen schriftelijk mee aan de verzoeker en degene wiens geslachtsnaam is verzocht. De schriftelijke mededeling van het voornemen geldt als een beschikking.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit geslachtsnaamswijziging (hierna: het Besluit) wordt op verzoek van een meerderjarige zijn geslachtsnaam gewijzigd in een geslachtsnaam van de levensgezel van de ouder, indien de verzorging en opvoeding enige tijd gedurende de minderjarigheid hebben geduurd. Ingevolge artikel 7, tweede lid, worden ter zake van een verzoek tot wijziging van de geslachtsnaam van een meerderjarige als bedoeld in de artikelen 1 en 4, of toevoeging van een geslachtsnaam gehoord, althans daartoe behoorlijk opgeroepen, degene aan wie de meerderjarige de geslachtsnaam waarvan wijziging is verzocht of waaraan toevoeging wordt verzocht, rechtstreeks ontleent en degene wiens geslachtsnaam wordt verzocht.

2. De staatssecretaris heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit ten grondslag gelegd dat het verzoek van de dochter om geslachtsnaamswijziging voldoet aan de voorwaarden die in artikel 4, eerste lid, onder a, van het Besluit zijn gesteld. De dochter is gedurende haar minderjarigheid van 29 maart 1996 tot 9 oktober 2011 verzorgd en opgevoed door haar moeder en [stiefvader]. [stiefvader] heeft ingestemd met de verzochte geslachtsnaamswijziging. De bedenkingen van [appellant] wegen niet op tegen de wens van de dochter om de geslachtsnaam te wijzigen, aldus de staatssecretaris.

3. De rechtbank heeft overwogen dat [appellant] weliswaar heeft betoogd dat de dochter de aanvraag om wijziging van haar geslachtsnaam onder invloed van het PAS-syndroom heeft gedaan, maar dat hij deze stelling niet heeft gemotiveerd. De rechtbank acht het ook niet aannemelijk dat de dochter haar aanvraag heeft ingediend onder invloed van een psychische stoornis.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep ongegrond heeft verklaard. Daartoe voert hij aan dat het vrijwel uitgesloten is dat een burger het PAS-syndroom kan aantonen en dat de staatssecretaris, door geen onderzoek hiernaar te verrichten, zich partijdig heeft opgesteld en derhalve in strijd met artikel 6 van het EVRM en artikel 10 van de UVRM heeft gehandeld. Indicatoren voor het PAS-syndroom zijn het blijven zitten op school, dat hem wordt verweten nooit naar zijn dochter te hebben omgekeken terwijl hij moest procederen voor omgang met zijn dochter en het onsamenhangende verzoek tot naamswijziging, aldus [appellant].

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 6 februari 2013 in zaak nr. 201201620/1/A3) dient de staatssecretaris het verzoek om geslachtsnaamswijziging te beoordelen aan de hand van de van toepassing zijnde regelgeving en moet hij, ook in het geval daaraan wordt voldaan, bij de uitoefening van die bevoegdheid alle relevante feiten en rechtstreeks betrokken belangen betrekken. Onder die belangen vallen de belangen van [appellant] bij afwijzing van het verzoek maar daaronder kunnen niet vallen de beoordeling van de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de dochter bij de moeder woont en geen omgang met [appellant] heeft.

[appellant] heeft niet betwist dat het verzoek voldoet aan het bepaalde in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit. Dat [appellant] betoogt dat het vrijwel uitgesloten is dat een burger het zogenoemde "PAS-syndroom" kan aantonen neemt niet weg dat het aan hem is om zijn betoog dat het verzoek van zijn dochter is gedaan onder invloed van het "PAS-syndroom" aannemelijk te maken.

Het verzoek tot geslachtsnaamswijziging is door de dochter ondertekend. Bij de rechtbank heeft de dochter verklaard dat zij niet weet waarom [appellant] van mening is dat zij wordt mishandeld en dat dit evident niet het geval is. Met de enkele mededeling dat zijn dochter is blijven zitten op school en het verzoek tot naamswijziging naar zijn mening onsamenhangend is heeft [appellant], mede gelet op het voorgaande, niet aannemelijk gemaakt dat het verzoek is ingediend onder invloed van een psychische stoornis. De omstandigheid dat [appellant], naar eigen zeggen, geen begin van bewijs kan leveren voor het door hem gevoerde betoog komt voor zijn risico.

Artikel 6 van het EVRM en artikel 10 van de UVRM zien op toegang tot een onafhankelijke en onpartijdige gerechtelijke instantie, niet op de voorbereiding van besluitvorming. De stelling dat de staatssecretaris bij de voorbereiding van zijn besluitvorming in strijd met deze artikelen heeft gehandeld kan de Afdeling dan ook niet volgen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de staatssecretaris het verzoek niet voor inwilliging in aanmerking mocht doen komen. Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt voorts dat zijn bezwaar gegrond is verklaard, zodat bij het besluit op bezwaar ten onrechte geen proceskostenvergoeding aan hem is toegekend. Derhalve dient tevens een proceskostenvergoeding aan hem te worden toegekend in verband met de behandeling van zijn beroepschrift en zijn hogerberoepschrift.

5.1. In tegenstelling tot hetgeen [appellant] betoogt heeft de staatssecretaris zijn bezwaarschrift ongegrond verklaard, zodat de staatssecretaris terecht geen proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

317-798.