Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1994

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201308840/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van vreemdeling 1 om haar en vreemdeling 2 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten, en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308840/1/V1.

Datum uitspraak: 27 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1], mede voor haar minderjarig kind (hierna: vreemdeling 2; hierna samen: de vreemdelingen),

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 27 augustus 2013 in zaak nr. 13/5487 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris een aanvraag van vreemdeling 1 om haar en vreemdeling 2 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen, haar opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten, en tegen haar een inreisverbod uitgevaardigd. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 27 augustus 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Hetgeen in de grieven 1 en 3 tot en met 7 van het hogerberoepschrift is aangevoerd, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000), met dat oordeel volstaan.

2. In grief 2 klagen de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte ervan is uitgegaan dat het besluit alleen betrekking heeft op een opvolgende aanvraag van vreemdeling 1. De rechtbank heeft volgens hen miskend dat de staatssecretaris in het besluit tevens de eerste aanvraag voor vreemdeling 2 heeft afgewezen en dat de rechtbank het besluit in zoverre had moeten toetsen. De vreemdelingen hebben voorts een rapport van een vaderschapsonderzoek van 2 juli 2013 overgelegd en onder vermelding van het vreemdelingnummer van de biologische vader van vreemdeling 2 aangevoerd dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat vreemdeling 2 die nationaliteit daarom ook heeft, gelet op de Somalische nationaliteitswetgeving. Verder hebben de vreemdelingen in het kader van een beroep op het gelijkheidsbeginsel stukken overgelegd, waaruit volgens hen blijkt dat de staatssecretaris aan de minderjarige dochters van een andere vreemdeling in een vergelijkbare situatie verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd heeft verleend.

2.1. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen toetsen.

2.2. Vreemdeling 1 heeft eerder op 24 november 2009 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die de staatssecretaris bij besluit van 27 juli 2011 opnieuw heeft afgewezen. Dat besluit had geen betrekking op vreemdeling 2, de hier te lande op 1 oktober 2012 geboren dochter van de vreemdeling 1, zodat het thans bestreden besluit wat vreemdeling 2 betreft niet van gelijke strekking is als het besluit van 27 juli 2011 en op het namens vreemdeling 2 ingestelde beroep het in 2.1 vermelde beoordelingskader niet van toepassing is.

De rechtbank heeft niet onderkend dat het besluit tevens ziet op de afwijzing van de eerste aanvraag voor vreemdeling 2, dat op het voor haar ingestelde beroep het in 2.1 vermelde beoordelingskader niet van toepassing is, en dat zij daarom heeft verzuimd het besluit in zoverre te toetsen.

Grief 2 slaagt reeds daarom.

3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover de rechtbank het besluit voor zover dit ziet op vreemdeling 2, niet heeft getoetst. De zaak zal in zoverre naar de rechtbank worden teruggewezen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen. De rechtbank zal de staatssecretaris krachtens artikel 83, vijfde lid, van de Vw 2000 in de gelegenheid stellen een standpunt in te nemen over voormeld rapport en de in het kader van het beroep op het gelijkheidsbeginsel overgelegde stukken en dit betrekken bij de beoordeling van het beroep tegen het besluit, voor zover dit ziet op vreemdeling 2.

4. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Assen, van 27 augustus 2013 in zaak nr. 13/5487, voor zover de rechtbank daarbij niet het besluit van 1 februari 2013 voor zover dit ziet op vreemdeling 2 heeft getoetst;

III. wijst de zaak in zoverre naar de rechtbank terug;

IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

V. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. Hartsuiker, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Hartsuiker

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2014

488-768.