Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1983

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201307920/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellante A] om afstammingsgegevens van [zoon] te registreren in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307920/1/A3.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante A] en [appellant B], wonend te Amsterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 juli 2013 in zaak nr. 12/4725 in het geding tussen:

[appellante A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 13 december 2011 heeft het college het verzoek van [appellante A] om afstammingsgegevens van [zoon] te registreren in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) afgewezen.

Bij besluit van 10 augustus 2012 heeft het college het door [appellante A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellante A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante A] en [appellant B] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2014, waar [appellante A] en [appellant B], bijgestaan door mr. S. El Mhassani, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Lensink, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 10:100, eerste lid, aanhef en onder b van het Burgerlijk wetboek (hierna: het BW) wordt een buitenslands tot stand gekomen onherroepelijke rechterlijke beslissing waarbij familierechtelijke betrekkingen uit hoofde van afstamming zijn vastgesteld of gewijzigd, in Nederland van rechtswege erkend, tenzij aan die beslissing kennelijk geen behoorlijk onderzoek of behoorlijke rechtspleging is voorafgegaan. Ingevolge artikel 10:101, eerste lid, is artikel 100, eerste lid, onder b, van overeenkomstige toepassing op buitenslands tot stand gekomen rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke betrekkingen zijn vastgesteld of gewijzigd, welke zijn neergelegd in een door een bevoegde instantie overeenkomstig de plaatselijke voorschriften opgemaakte akte.

Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba), welke wet op 6 januari 2014 door de Wet basisregistratie personen is vervangen, doch op dit geding nog van toepassing is, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of beëdigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten. Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. Ingevolge het tweede lid geeft het college van burgemeester en wethouders aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2 (artikel 24 tot en met 54).

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek, als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2. [appellante A] heeft het college verzocht om afstammingsgegevens van [zoon] te registreren in de gba. Hiertoe heeft zij een "copie intégrale de l’acte de naissance" uit Marokko overgelegd (hierna: de geboorteakte). Deze geboorteakte is gelegaliseerd door de Nederlandse ambassade te Rabat.

Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat er gerede twijfels zijn over de afstamming die in de geboorteakte staat vermeld, zowel wat betreft de vader als de moeder. Naar Marokkaans recht kan er alleen afstamming van de vader zijn ingeval van een huwelijk, erkenning door de vader of erkenning door de vader in het testament. Het huwelijk tussen [appellante A] en [appellant B] is op 15 maart 1997 ontbonden en [zoon] is op 30 juli 2010 geboren, zodat hij niet staande het huwelijk is geboren. Ook heeft geen erkenning naar Marokkaans recht plaatsgevonden. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat de geboorteakte is opgemaakt na overlegging van een Egyptische huwelijksakte, zonder dat de betrokken ambtenaar in Marokko op de hoogte was van de ontbinding van dit huwelijk op 15 maart 1997.

Het college twijfelt voorts aan de biologische afstamming van [appellante A], mede gelet op haar leeftijd van 53 jaar ten tijde van de zwangerschap. Door [appellante A] is medegedeeld dat [zoon] is verwekt door middel van ivf, doch van deze ivf-behandeling alsmede van de bevalling heeft zij desgevraagd geen medische documenten overgelegd. Voorts heeft zij veelvuldig gevlogen tussen februari 2010 en juli 2010, waarbij de laatste aantekening van binnenkomst te Marokko van 2 juli 2010 dateert, hetgeen het college niet aannemelijk acht voor een hoogzwangere vrouw, gelet op de regels die daarvoor worden gehanteerd door vliegmaatschappijen. Tot slot heeft het college aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd dat [appellante A] en [appellant B] hebben gesteld dat zij de biologische afstamming willen laten vaststellen door DNA-onderzoek doch dat hiervoor de financiële middelen ontbreken, maar dat zij het aanbod dit op kosten van de gemeente te laten doen vervolgens hebben afgeslagen.

3. De rechtbank heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat [appellante A] en [appellant B] de (juridische) ouders zijn van [zoon], zodat het college aan de geboorteakte geen gegevens omtrent de afstamming van [zoon] behoefde te ontlenen. [appellant B] is ten onrechte als vader opgenomen in de geboorteakte op basis van een op dat moment al geruime tijd ontbonden huwelijk. [appellante A] is in de geboorteakte als moeder opgenomen zonder dat behoorlijk onderzoek is gedaan naar de aannemelijkheid van de biologische afstamming, hoewel hiertoe gelet op haar leeftijd wel aanleiding bestond, aldus de rechtbank. Volgens de rechtbank is voorts ook niet door nader onderzoek alsnog aannemelijk gemaakt dat [appellante A] de biologische moeder van [zoon] is. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het aan [appellante A] en [appellant B] is om alsnog met medische gegevens te komen nu de gegevens die zij hadden door een brand teniet zouden zijn gegaan. Uit de wel overgelegde gegevens kan volgens de rechtbank geen informatie over een ivf-behandeling, zwangerschap of bevalling van [appellante A] worden afgeleid. Het college heeft daarom terecht het verzoek van [appellante A] en [appellant B] om de afstammingsgegevens van de geboorteakte van [zoon] te registreren afgewezen. Gelet hierop heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

4. [appellante A] en [appellant B] betogen dat zij de ouders zijn van [zoon]. Daartoe voeren zij in het hogerberoepschrift aan dat zij nadere medische informatie en stukken zullen overleggen, zowel vanuit Marokko als vanuit Egypte, ten bewijze van de juistheid van de stellingen dat [appellante A] ter verwekking van [zoon] in Egypte een ivf-behandeling heeft ondergaan en in een ziekenhuis te Marokko is bevallen.

4.1. [appellante A] en [appellant B] hebben in hoger beroep geen nadere medische informatie en bewijsstukken overgelegd ten bewijze van hun stellingen. In een aanvullend hoger beroepschrift stellen zij dat [appellante A] in verband met de gevaarlijke situatie in Egypte niet in staat is geweest naar Egypte af te reizen om deze stukken op te vragen en dat het ziekenhuis in Marokko te kennen heeft gegeven de benodigde gegevens niet te verstrekken omdat de behandelend arts daar niet langer werkzaam is. Nu pas na toestemming van deze arts tot verstrekking van medische gegevens kan worden overgegaan en het ziekenhuis omtrent de nieuwe vestigingsplaats van de arts geen mededelingen kan of wil doen, zijn zij niet in staat hiervan nadere medische informatie en bewijsstukken over te leggen, aldus [appellante A] en [appellant B] in dit aanvullend hoger beroepschrift.

Uit de stukken die zij wel hebben overgelegd vallen geen gegevens af te leiden over een mogelijke ivf-behandeling, zwangerschap of bevalling van [appellante A]. Het college stelt zich naar het oordeel van de Afdeling terecht op het standpunt dat de steeds wisselende betogen over de reden van de afwezigheid van medische gegevens en bewijsstukken de twijfel over de afstamming van [zoon] vergroten. Dit geldt te meer nu ter zitting in hoger beroep wordt betoogd dat [appellante A] en [appellant B] niet kunnen beschikken over gegevens omdat in Egypte in een illegale kliniek eiceldonatie heeft plaatsgevonden door een arts die ook veel Nederlanders helpt via handel in eicellen en zaadcellen, voor welke behandeling contant is betaald en waarvan de arts weigert gegevens te verstrekken, hetgeen tevens de reden is dat niet is meegewerkt aan een DNA-onderzoek.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellante A] en [appellant B] niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij de juridische ouders van [zoon] zijn. Anders dan [appellante A] en [appellant B] stellen waren voor het college gegronde redenen aanwezig te twijfelen aan de juistheid van de geboorteakte. Het is aan [appellante A] en [appellant B] om aan te tonen dat zij de juridische ouders van [zoon] zijn. De stellingen dat [appellante A] en [appellant B] door de directe omgeving worden beschouwd als de ouders van [zoon], dat zij goed voor hem zorgen en dat het in het belang van [zoon] is dat hij wordt ingeschreven als hun zoon zien niet op de juistheid van de geboorteakte en de daarin vermelde afstammingsgegevens en kunnen daarom geen rol spelen.

Voor zover [appellante A] en [appellant B] voorts ter zitting hebben betoogd dat [appellant B] de juridische vader is van [zoon] omdat hij hem op 17 april 2014 heeft erkend naar Marokkaans recht overweegt de Afdeling dat de bestuursrechter de rechtmatigheid van het besluit op bezwaar dient te toetsen naar de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het besluit. De gestelde erkenning, wat daarvan verder ook zij, kan reeds daarom niet bij de beoordeling worden betrokken.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

317-798.