Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1981

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201307943/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:8747, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 november 2012 heeft het college het verzoek van [appellant] om zijn geboortedatum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) te wijzigen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307943/1/A3.

Datum uitspraak: 4 juni 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Leiden,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 24 juli 2013 in zaak nr. 13/2669 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

Procesverloop

Bij besluit van 1 november 2012 heeft het college het verzoek van [appellant] om zijn geboortedatum in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) te wijzigen afgewezen.

Bij besluit van 12 maart 2013 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 april 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.A. Vermeij, advocaat te Voorburg, is verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 36, tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba), welke wet op 6 januari 2014 door de Wet basisregistratie personen is vervangen, doch op dit geding nog van toepassing is, worden de gegevens over de burgerlijke staat, indien zij feiten betreffen die zich buiten Nederland hebben voorgedaan, ontleend aan een geschrift als bedoeld onder a, bij gebreke hiervan aan een geschrift als bedoeld onder b of c, bij gebreke ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder d en bij gebreke ten slotte ook hiervan aan een geschrift als bedoeld onder e:

a. een akte over het desbetreffende feit, die is opgenomen in de registers van de Nederlandse burgerlijke stand;

b. een in Nederland gedane rechterlijke uitspraak over het desbetreffende feit die in kracht van gewijsde is gegaan;

c. een buiten Nederland overeenkomstig de plaatselijke voorschriften door een bevoegde instantie opgemaakte akte die ten doel heeft tot bewijs te dienen van het desbetreffende feit, of een over dat feit gedane rechterlijke uitspraak, of bij gebreke daarvan een akte van bekendheid of be√ędigde verklaring, bedoeld in artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek;

d. een geschrift dat overeenkomstig de plaatselijke voorschriften is opgemaakt door een bevoegde instantie, waarin het desbetreffende feit is vermeld;

e. een verklaring die betrokkene ten overstaan van een door het college van burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaar onder eed of belofte heeft afgelegd, die op schrift is gesteld en door betrokkene is ondertekend.

Ingevolge artikel 37, tweede lid, worden aan een geschrift, als bedoeld in artikel 36, tweede lid, onder c, d of e, geen gegevens ontleend, voor zover de Nederlandse openbare orde zich verzet tegen de erkenning van de rechtsgeldigheid van de in deze geschriften vermelde feiten. Ingevolge artikel 82, eerste lid, voldoet het college van burgemeester en wethouders binnen vier weken kosteloos aan het verzoek van betrokkene hem betreffende gegevens in de basisadministratie te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen, indien deze feitelijk onjuist dan wel onvolledig zijn of in strijd met een wettelijk voorschrift worden verwerkt. Het verzoek bevat de aan te brengen wijzigingen. Ingevolge het tweede lid geeft het college van burgemeester en wethouders aan het verzoek uitvoering met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de eerste afdeling van hoofdstuk 2 (artikel 24 tot en met 54).

Ingevolge artikel 83, aanhef en onder f, wordt een beslissing van het college van burgemeester en wethouders om niet te voldoen aan een verzoek, als bedoeld in de artikelen 79 tot en met 82, gelijkgesteld met een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

2. [appellant] heeft het college verzocht om zijn in de gba vermelde geboortejaar van 1965 te wijzigen in 1972. Hiertoe heeft hij een geboorteakte uit Soedan overgelegd. Deze geboorteakte is gelegaliseerd door de Nederlandse ambassade te Khartoum (hierna: de ambassade). Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing heeft het college ten grondslag gelegd dat het Bureau Documenten van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: het Bureau) de geboorteakte als vals heeft aangemerkt en dat ook de ambassade twijfels heeft geuit over de echtheid van de geboorteakte.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college mocht uitgaan van de stellige conclusies van het Bureau en dat daaraan niet afdoet dat de punten waarop de ambassade twijfelde aan de echtheid van de geboorteakte niet exact overeenkomen met de conclusies van het Bureau. Daartoe voert hij aan dat de door hem overgelegde geboorteakte is gelegaliseerd door de ambassade. Hieruit volgt dat de geboorteakte een authentieke akte is. De omstandigheid dat de ambassade opmerkingen heeft gemaakt over het formaat dan wel de kleur van de akte en dat het Bureau opmerkingen heeft gemaakt over de wijze waarop de akte is geproduceerd kan hieraan niet af doen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen staat vast dat de opmerkingen die de ambassade en het Bureau over de geboorteakte hebben gemaakt fundamenteel van elkaar verschillen en niet slechts niet exact met elkaar overeenkomen.

[appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college geen aanleiding had hoeven zien een aanvraag tot verificatie van de in de geboorteakte vermelde feiten te doen. Daartoe voert hij aan dat bij twijfel aan de juistheid van de inhoud van een gelegaliseerde buitenlandse akte het college een verzoek tot verificatie van de inhoud van die akte kan indienen via het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit heeft het college ten onrechte niet gedaan. Nu het door hem overgelegde document een brondocument is lag het op de weg van het college om nadere vragen te stellen aan de ambassade of het Bureau, aldus [appellant].

3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2014 in zaak nr. 201305273/1/A3), dient voorop te worden gesteld dat de gegevens in de gba betrouwbaar en duidelijk moeten zijn. De gebruikers van de gegevens moeten erop kunnen vertrouwen dat de gegevens in beginsel juist zijn. Het bewijs dat eenmaal in de gba opgenomen gegevens feitelijk onjuist zijn, kan alleen maar worden geleverd door overlegging van de juiste brondocumenten. Voor het wijzigen van eenmaal in de basisadministratie geregistreerde gegevens zal gelet op het systeem van de Wet gba onomstotelijk moeten vaststaan dat deze feitelijk onjuist zijn.

3.2. Zoals de Afdeling voorts eerder heeft overwogen (uitspraak van 8 april 2009 in zaak nr. 200806038/1/A3), kan met het oog op de betrouwbaarheid van de gba het bij een verzoek om inschrijving overleggen van een gelegaliseerde akte niet zonder meer leiden tot het inschrijven van de in die akte vermelde feiten. Uit het door het Bureau, in opdracht van het college, verrichte onderzoek volgt dat de door [appellant] overgelegde geboorteakte vals is. Ter motivering van deze conclusie staat in de verklaring van onderzoek vermeld dat het document wat betreft de gebuikte productietechnieken en echtheidskenmerken afwijkt van een origineel uittreksel uit het geboorteregister van Soedan en dat onregelmatigheden zijn aangetroffen in de opmaak en afgifte van het document. De ambassade heeft desgevraagd de questionnaire behorende bij de legalisatie van de geboorteakte van [appellant] overgelegd aan het college. Hierin staat vermeld dat er twijfels zijn over de geboorteakte van [appellant] in verband met de kleur en het formaat van het document. De opmerkingen van zowel het Bureau als de ambassade zien op twijfels over de echtheid van de overgelegde geboorteakte, zodat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college mocht uitgaan van de stellige conclusies van het Bureau en dat de punten waarop de ambassade twijfelde aan de echtheid niet exact overeenkomen met de conclusies van het Bureau daaraan niet af doet.

Verificatie ziet op de juistheid van de in het document vermelde gegevens en is aan de orde wanneer een authentieke buitenlandse akte is overgelegd, ten aanzien waarvan desalniettemin twijfels bestaan over de daarin vermelde rechtsfeiten. Het college heeft het verzoek om wijziging van het in de gba vermelde geboortejaar evenwel afgewezen omdat uit onderzoek van het Bureau is gebleken dat het document vals is. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat het college geen aanleiding heeft hoeven zien een aanvraag tot verificatie van de in de geboorteakte vermelde feiten te doen.

De rechtbank heeft terecht geconcludeerd dat het college niet gehouden was de betreffende gegevens in de gba te wijzigen, nu het zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat het in de gba vermelde geboortejaar feitelijk onjuist is. Het betoog faalt.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Langeveld-Mak

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 juni 2014

317-798.