Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:198

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201303231/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:BZ2292, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 augustus 2011 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BR 2014/58 met annotatie van J.W. van Zundert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303231/1/A2.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2013 in zaak nr. 12/1453 in het geding tussen:

[wederpartij]

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2011 heeft het college een aanvraag van [wederpartij] om een tegemoetkoming in planschade afgewezen.

Bij besluit van 28 februari 2012 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2013 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat aan [wederpartij] een tegemoetkoming in planschade van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 april 2010 tot de dag van uitbetaling, wordt toegekend en deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2014, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.E. Wannink, advocaat te Boxtel, bijgestaan door M.E. Smits, werkzaam bij de gemeente, en [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.H.M. van Iersel, juridisch adviseur te Zeist, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening kennen burgemeester en wethouders degene die in de vorm van een inkomensderving of een vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een in het tweede lid vermelde oorzaak op aanvraag een tegemoetkoming toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en de tegemoetkoming niet voldoende anderszins is verzekerd.

Ingevolge het tweede lid, aanhef onder a, is een bepaling van een bestemmingsplan een oorzaak, als bedoeld in het eerste lid.

2. Voor de beoordeling van een aanvraag om een tegemoetkoming in planschade dient te worden onderzocht of de aanvrager als gevolg van de desbetreffende wijziging van het planologische regime in een nadeliger positie is komen te verkeren en ten gevolge daarvan schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient het planologisch regime na de wijziging, waarvan gesteld wordt dat deze planschade heeft veroorzaakt, te worden vergeleken met het oude planologisch regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, maar wat maximaal op grond van het oude planologisch regime kon worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking heeft plaatsgevonden. Slechts ingeval realisering van de maximale mogelijkheden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden uitgesloten, kan aanleiding bestaan om van dit uitgangspunt af te wijken.

3. [wederpartij] is eigenaresse van de vrijstaande woning met inpandige garage, ondergrond, erf, tuin met zwembad, tuinhuis en verder toebehoren aan de [locatie] te Capelle aan den IJssel (hierna: de woning). Op 23 april 2010 heeft zij verzocht om een tegemoetkoming in planschade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan ’s-Gravenweg-west 2006 (hierna: het nieuwe bestemmingsplan) op 10 januari 2008 (hierna: de peildatum). Aan de aanvraag heeft zij ten grondslag gelegd dat de bestemming van een dichtbij de woning gelegen gebied (hierna: het plangebied) bij het nieuwe bestemmingsplan van recreatieve doeleinden naar woondoeleinden is gewijzigd en dat dit de waarde van de woning heeft verminderd.

4. Het college heeft voor het op de aanvraag te nemen besluit advies gevraagd aan de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ). In een advies van januari 2011 heeft de SAOZ de mogelijkheden van het oude planologische regime vergeleken met die van het nieuwe planologische regime en daaruit de conclusie getrokken dat [wederpartij] door het nieuwe bestemmingsplan in een nadeliger positie is komen te verkeren en dat de waarde van de woning op de peildatum van € 1.300.000,00 naar € 1.250.000,00 is gedaald. Daartoe is in het advies uiteengezet dat de planologische wijziging tot een wijziging van het karakter van de nabije omgeving heeft geleid en dat de bebouwingsmogelijkheden zijn verruimd, waardoor het uitzicht verder kan worden beperkt dan onder het oude planologische regime mogelijk was, maar dat een relevante toename van schaduwwerking niet aannemelijk is. Voorts is in het advies uiteengezet dat de planologische wijziging tot een verdere aantasting van de privacy in de woning en de buitenruimte heeft geleid, maar dat een relevante toename van hinder, rekening houdend met de onder het oude planologische regime bestaande gebruiksmogelijkheden van het plangebied, niet aannemelijk is.

Het college heeft vervolgens Van Engen Advies (hierna: Van Engen) om nader advies gevraagd. In een advies van 5 juli 2011 heeft Van Engen uiteengezet dat, uitgaande van de door de SAOZ gemaakte vergelijking tussen de mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime, een verschil van inzicht bestaat over het effect van de schadefactoren en het resultaat daarvan op de waarde van de woning na de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan. In dit verband heeft Van Engen gesteld dat, gezien de onder het oude planologische regime bestaande gebruiksmogelijkheden van het plangebied, de planologische wijziging niet tot een verdere aantasting van de privacy heeft geleid en dat de nadelen van de planologische wijziging niet tegen de voordelen ervan opwegen. Volgens Van Engen is [wederpartij] als gevolg van die wijziging per saldo niet in een nadeliger positie komen te verkeren.

Het college heeft het nader advies aan het besluit van 16 augustus 2011 ten grondslag gelegd en dit besluit in bezwaar, onder verwijzing naar een advies van de commissie bezwaarschriften (hierna: de bezwaarcommissie) van 13 februari 2012, gehandhaafd.

5. Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het aanleiding heeft gezien van het advies van de SAOZ af te wijken. Daartoe voert het college aan dat het inzichtelijk heeft gemaakt dat, nu Van Engen in vergelijkbare gevallen de conclusie had getrokken dat de desbetreffende aanvrager om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan niet in een nadeliger positie is komen te verkeren, het uit een oogpunt van consistente besluitvorming niet was gehouden het advies van de SAOZ zonder meer te volgen.

5.1. In het advies van de bezwaarcommissie is uiteengezet dat het college eerder vier aanvragen om een tegemoetkoming in planschade als gevolg van de inwerkingtreding van het nieuwe bestemmingsplan, waaronder twee van de directe buren van [wederpartij], voor advies aan Van Engen heeft voorgelegd, dat Van Engen in al deze zaken het advies heeft gegeven om geen tegemoetkoming toe te kennen, dat de aanvragen van de buren op exact dezelfde planologische wijziging en situatie ter plaatse betrekking hebben en dat de SAOZ, desgevraagd, geen verklaring voor het grote verschil in uitkomst heeft kunnen geven. Volgens de bezwaarcommissie is het college op grond van dat verschil, mede gelet op de uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2007 in zaak nr. 200607775/1, terecht niet op het advies van de SAOZ afgegaan, omdat het college uit een oogpunt van consistente besluitvorming een objectieve verklaring dient te kunnen geven voor de verschillende waarderingen van de adviseurs.

5.2. In het in beroep aangevoerde heeft de rechtbank ten onrechte grond gevonden voor het oordeel dat het college in het besluit van 28 februari 2012, gelezen in samenhang met het daarin ingelaste advies van de bezwaarcommissie, onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het advies van de SAOZ niet is gevolgd. Het college heeft in het opmerkelijke verschil in uitkomst tussen het advies van de SAOZ en de adviezen van Van Engen in vergelijkbare gevallen aanleiding kunnen vinden om een nader advies te vragen. Dat, zoals het college heeft erkend, het onderzoek van de SAOZ op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en de conclusie van het advies van de SAOZ inzichtelijk is, doet daar niet aan af.

Het betoog slaagt.

6. Het college betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het nader advies niet op een vergelijking tussen planologische regimes berust en dat in het nader advies voorts onvoldoende is gemotiveerd dat [wederpartij] als gevolg van de planologische wijziging per saldo niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank heeft miskend dat tussen de SAOZ en Van Engen wat betreft de vergelijking tussen planologische regimes geen verschil van mening bestaat. Voorts voert het college aan dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 15 maart 2006 in zaak nr. 200505208/1, de conclusie van het nader advies inzichtelijk en overtuigend is.

6.1. Omdat in het nader advies is vermeld dat geen verschil van mening bestaat over de door de SAOZ gemaakte vergelijking tussen de mogelijkheden van het oude en het nieuwe planologische regime, dient het ervoor te worden gehouden dat het nader advies op diezelfde vergelijking berust, zodat de aangevallen uitspraak op een verkeerde lezing van het nader advies berust. Voorts is in het nader advies voldoende gemotiveerd dat [wederpartij] als gevolg van de planologische wijziging per saldo niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. Dat een begroting van de waardevermindering respectievelijk waardevermeerdering ontbreekt, leidt niet tot een ander oordeel, omdat de conclusie van het nader advies ook zonder die begroting inzichtelijk en overtuigend is.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op het volgende, het beroep tegen het besluit van 28 februari 2012 ongegrond verklaren.

7.1. Uit de bespreking van de hogerberoepsgronden volgt dat [wederpartij] in beroep tevergeefs heeft betoogd dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het advies van de SAOZ niet is gevolgd en dat Van Engen heeft verzuimd een begroting van de waardevermindering respectievelijk waardevermeerdering te maken.

7.2. Voorts faalt het betoog dat het college ten onrechte de in artikel 3, derde en vijfde lid, van de Procedureregeling voor advisering tegemoetkoming in planschade gemeente Capelle aan den IJssel bedoelde procedure niet heeft gevolgd. Uit die bepaling blijkt immers dat die procedure slechts van toepassing is, indien er, naar het oordeel van het college, gezien de complexiteit, aard en omvang van de aanvraag aan extra deskundigheid behoefte bestaat. Niet in geschil is dat die situatie hier niet aan de orde was. Dat [wederpartij], in strijd met een schriftelijke toezegging van het college, voorafgaand aan het besluit van 16 augustus 2011 niet in de gelegenheid is gesteld een reactie op het nader advies te geven, doet verder niet af aan de rechtmatigheid van het besluit van 28 februari 2012. Omdat zij die reactie in de bezwaarfase alsnog heeft kunnen geven, is zij door dat gebrek niet benadeeld.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 februari 2013 in zaak nr. 12/1453;

III. verklaart het door [wederpartij] bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.

w.g. Drupsteen w.g. Hazen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

452.