Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1979

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-05-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
201307807/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2013:4928, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307807/1/A3.

Datum uitspraak: 13 mei 2014 AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) op het hoger beroep van: [appellant], zonder vaste woon- of verblijfplaats, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 juli 2013 in zaak nr. 11/1943 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel. Openbare zitting gehouden op 13 mei 2014 om 12:15 uur. Tegenwoordig:

Staatsraad mr. B.J. van Ettekoven voorzitter

Staatsraad mr. E. Steendijk lid

Staatsraad mr. G.M.H. Hoogvliet rapporteur Ambtenaar van staat: mr. H. Herweijer Verschenen:

[appellant]; Het college, vertegenwoordigd door mr. P.L. van den Herik, werkzaam bij de gemeente. Het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2013. De Afdeling

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Daartoe overweegt zij het volgende. 1. Ingevolge artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de Wet gba), zoals die luidde ten tijde van belang, wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder: - uitschrijving: de overdracht van een persoonslijst door de gemeente van inschrijving aan de volgende gemeente van inschrijving; […] - briefadres: het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichtingen daarover, betrokkene bereiken; […]. Ingevolge artikel 30, eerste lid, eerste volzin, geschiedt uitschrijving uitsluitend op grond van de mededeling van het college van een andere gemeente dat heeft besloten tot inschrijving van de betrokken persoon in zijn basisadministratie. Ingevolge artikel 47, eerste lid, worden aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat hij het vermelde adres niet heeft. Ingevolge het tweede lid, eerste volzin, draagt het college, indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Ingevolge het derde lid wordt als datum van adreswijziging opgenomen de dag waarop de aangifte is ontvangen dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan. Ingevolge artikel 49, eerste lid, wordt, indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 67 van toepassing is, op aangifte een briefadres opgenomen. Ingevolge artikel 66, eerste lid, is de ingezetene die zijn adres wijzigt, verplicht binnen vijf dagen na de wijziging van het adres bij het college van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft, schriftelijk aangifte van adreswijziging te doen. Indien een ingezetene geen woonadres heeft, dient hij een briefadres te kiezen en is hij verplicht overeenkomstig het bepaalde in de vorige volzin aangifte van adreswijziging te doen. Ingevolge het tweede lid doet hij in die aangifte mededeling van het nieuwe en het vorige adres. Ingevolge artikel 70, eerste lid, is degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 65 tot en met 68, verplicht om op verzoek van het college, desverlangd in persoon, ter zake van zijn aangifte de inlichtingen te geven en de geschriften over te leggen die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisadministratie. Ingevolge het tweede lid dienen in de aangifte van een briefadres de redenen voor de aangifte van een briefadres te worden medegedeeld. Bij de aangifte dient een schriftelijke verklaring van instemming te worden gevoegd van degene bij wie het briefadres wordt gehouden. 2. Op 2 februari 2009 heeft het college een ambtshalve melding ontvangen dat de woning aan de [locatie] te Capelle aan den IJssel is ontruimd en dat [appellant] daar niet meer woonde. Korte tijd later heeft het college de brief van [appellant] van 28 januari 2009 ontvangen, waarin hij heeft medegedeeld dat de woning aan de [locatie] te Capelle aan den IJssel gedwongen is ontruimd en waarin hij heeft verzocht om hem uit te schrijven van dat woonadres en in te schrijven op het briefadres Postbus 5061, 2900 EB Capelle aan den IJssel. Bij besluit van 31 maart 2009 heeft het college de inschrijving van [appellant] in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (hierna: de gba) met ingang van 3 maart 2009 ambtshalve gewijzigd, in die zin dat hij met ingang van die datum niet meer staat ingeschreven op het adres [locatie] te Capelle aan den IJssel, maar als "vertrokken, onbekend waarheen". Bij besluit op bezwaar van 22 maart 2011 heeft het college dit besluit gehandhaafd. In dit besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat de door [appellant] opgegeven postbus niet als briefadres kan worden ingeschreven in de gba, nu met een postbus onvoldoende is gegarandeerd dat voor hem bestemde post hem daadwerkelijk bereikt. Verder heeft het college zich op het standpunt gesteld dat inschrijving op een zogenoemd puntadres niet mogelijk is, nu [appellant] niet te kennen wil geven wat zijn verblijfplaats is, zodat niet kan worden vastgesteld of hij binnen de gemeente Capelle aan den IJssel verblijft. Omdat niet duidelijk is waar [appellant] verblijft, dient hij te worden vermeld als "vertrokken, onbekend waarheen", aldus het college. 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het aan het besluit van 31 maart 2009 klevende bevoegdheidsgebrek kan worden geacht te zijn hersteld doordat het besluit van 22 maart 2011 wel door het bevoegde orgaan is genomen. Hiermee heeft de rechtbank miskend dat het college niet zelf op grondslag van het door hem ingediende bezwaarschrift het besluit van 31 maart 2009 heeft heroverwogen, maar slechts het advies van de commissie bezwaarschriften heeft overgenomen, terwijl dat advies ten onrechte niet ingaat op zijn uitschrijving uit de gba en zijn daartegen gerichte bezwaren. 3.1. De vraag of het besluit van 22 maart 2011 bevoegdelijk is genomen, dient te worden onderscheiden van de vraag of dit besluit inhoudelijk juist is. Blijkens de ondertekening is dit besluit genomen door het college, dat daartoe bevoegd is. Hier doet niet aan af dat het college bij dit besluit het advies van de commissie bezwaarschriften heeft overgenomen, terwijl dit advies volgens [appellant] onjuist is. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat het aan het besluit van 31 maart 2009 klevende bevoegdheidsgebrek kan worden geacht te zijn hersteld. De rechtbank heeft de besluiten van 31 maart 2009 en 22 maart 2011 dan ook terecht niet vernietigd omdat deze nietig zouden zijn, zoals door [appellant] is betoogd. Het betoog faalt. 4. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door ook in te gaan op de weigering door het college om hem met een puntadres in de gba in te schrijven. Voorts is in het advies van de commissie bezwaarschriften ten onrechte slechts ingegaan op de vraag of hij met een briefadres of puntadres in de gba kan worden ingeschreven. Verder is ten onrechte niet ingegaan op zijn betoog dat het college in strijd met artikel 30 van de Wet gba heeft gehandeld, aldus [appellant]. 4.1. Het besluit van 31 maart 2009 is genomen naar aanleiding van de onder 2 vermelde ambtshalve melding van 2 februari 2009 en het daar vermelde verzoek van [appellant] van 28 januari 2009. In het kader van de ingevolge artikel 7:11, eerste lid, van de Awb vereiste volledige heroverweging is in het advies van de commissie bezwaarschriften ook ingegaan op de mogelijkheid tot inschrijving op een briefadres of puntadres. Anders dan [appellant] stelt, is evenwel niet nagelaten om te motiveren waarom de vermelding "vertrokken, onbekend waarheen" juist is geacht. Met het overnemen van het advies van de commissie heeft het college dit tot het zijne gemaakt. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van 1 oktober 2008 in zaak nr. 200708648/1) volgt uit artikel 7:11, eerste lid, van de Awb dat op grondslag van het bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt, die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. In het betoog van [appellant] dat hij in zijn bezwaar niet uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat het college hem ten onrechte niet op een briefadres of puntadres heeft ingeschreven, heeft de rechtbank daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet op grondslag van het door [appellant] gemaakte bezwaar het besluit van 31 maart 2009 heeft heroverwogen. 4.2. Ter zitting bij de rechtbank is de juistheid van de inschrijving van [appellant] in de gba aan de orde geweest, waaronder de mogelijkheid tot inschrijving op een puntadres. Nu de rechtbank ingevolge artikel 8:69, eerste lid, van de Awb mede op grondslag van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting uitspraak doet en de mogelijkheid van inschrijving op een puntadres samenhangt met de inschrijving zoals neergelegd in het in beroep bestreden besluit, is de rechtbank niet buiten de omvang van het geding getreden door ook in te gaan op de handhaving door het college van de weigering om [appellant] op een puntadres in te schrijven. 4.3. De rechtbank heeft terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college in strijd met artikel 30, eerste lid, van de Wet gba heeft gehandeld. Deze bepaling ziet op de situatie dat een persoon vertrekt van een bepaalde gemeente naar een andere gemeente en vervolgens in die gemeente in de gba wordt ingeschreven. In dat geval dient het college van eerstgenoemde gemeente de betrokken persoon uit te schrijven uit de gba, hetgeen ingevolge artikel 1 van de Wet gba inhoudt dat zijn persoonslijst aan de volgende gemeente wordt overgedragen. Die situatie doet zich hier niet voor. Hoewel in het besluit van 31 maart 2009 wordt gesproken van 'uitschrijving uit de gba', volgt uit het geheel van de stukken dat dit geen uitschrijving in de zin van artikel 30 is. Ook na 3 maart 2009, de in het besluit van 31 maart 2009 vermelde ingangsdatum, is [appellant] ingeschreven gebleven in de gba van Capelle aan den IJssel. Met ingang van die datum is echter zijn inschrijving op het adres [locatie] te Capelle aan den IJssel beëindigd en is de vermelding "vertrokken, onbekend waarheen" opgenomen. In dit verband wordt in aanmerking genomen dat in het voornemen van 2 maart 2009, waarnaar in het besluit van 31 maart 2009 is verwezen, is vermeld: "Hebben wij binnen deze termijn niet uw juiste adresgegevens ontvangen, dan wordt in de gemeentelijke basisadministratie opgenomen dat u met ingang van 3 maart 2009 niet langer woont op het geregistreerde adres. Dat betekent dat u vanaf deze genoemde datum bent uitgeschreven als "vertrokken, onbekend waarheen"." Het betoog faalt. 5. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank in strijd met artikel 8:64, derde lid, van de Awb heeft gehandeld door bij de beoordeling brieven te betrekken die dateren van na het in beroep bestreden besluit van 22 maart 2011. 5.1. Bij de behandeling ter zitting op 9 januari 2012 heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting geschorst om het college in de gelegenheid te stellen te onderzoeken of [appellant], naar aanleiding van hetgeen ter zitting aan de orde was gekomen, op een puntadres kon worden ingeschreven. De griffier van de rechtbank heeft over het verdere verloop van de procedure op diverse momenten brieven gestuurd aan partijen. Verder heeft het college de resultaten van het door de rechtbank verzochte onderzoek medegedeeld. [appellant] heeft een reactie hierop ingediend. Tijdens de nadere zitting van 15 oktober 2012 is ook over deze stukken gesproken. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtbank niet op deze wijze gebruik had mogen maken van haar bevoegdheid om het onderzoek ter zitting te schorsen. Dat ingevolge artikel 8:64, derde lid, van de Awb na schorsing van het onderzoek ter zitting de zaak op de nadere zitting wordt hervat in de stand waarin zij zich bevond, maakt niet dat de na de schorsing aan het dossier toegevoegde brieven betreffende inschrijving op een puntadres niet bij de nadere behandeling ter zitting en bij de beoordeling van de zaak mochten worden betrokken. Het betoog faalt. 6. Voorts verzoekt [appellant] de Afdeling om vast te stellen dat ingevolge artikel 4:20b van de Awb inmiddels positief op zijn bezwaarschrift van 13 mei 2009 is beslist. 6.1. Ingevolge artikel 4:20a, eerste lid, van de Awb zijn de bepalingen over de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen slechts van toepassing indien dit bij wettelijk voorschrift is bepaald. Een dergelijk wettelijk voorschrift ontbreekt voor besluiten tot wijziging van de inschrijving in de gba. Reeds daarom kan dit verzoek van [appellant] niet worden ingewilligd. 7. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het college bevoegd was een besluit te nemen op zijn aanvraag tot het nemen van een zelfstandig schadebesluit. Verder verzoekt hij de Afdeling om vast te stellen dat ingevolge artikel 4:20b van de Awb inmiddels positief op deze aanvraag is beslist. 7.1. In zijn aanvullende bezwaarschrift van 12 januari 2011 heeft [appellant] verzocht om schadevergoeding. Het college heeft gesteld dat op dit verzoek een afzonderlijk besluit is genomen. De Afdeling heeft hierover in de uitspraak van 17 juli 2013 in zaak nr. 201205277/1/A3 onherroepelijk beslist. Dit valt derhalve buiten de omvang van dit geding, zodat hierop niet kan worden ingegaan. 8. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen oordeel heeft gegeven over de vraag of het college hem schadevergoeding dient te betalen wegens overschrijding van de redelijke termijn. Voorts verzoekt hij de Afdeling om het college tot betaling van dergelijke schadevergoeding te veroordelen. 8.1. De vraag of de redelijke termijn is overschreden wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene. Op deze zaak is niet de gewijzigde rechtspraak, zoals die is neergelegd in de uitspraak van 29 januari 2014 in zaak nr. 201302106/1/A2, van toepassing, omdat het primaire besluit vóór 1 februari 2014 bekend is gemaakt. Op deze zaak worden de termijnen toegepast die de Afdeling vóór die uitspraak hanteerde. 8.2. Voor zaken die uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties bestaan is in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar mag duren, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren. Volgens vaste jurisprudentie (onder meer de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2008 in zaak nr. 200802629/1) vangt de redelijke termijn in beginsel aan op het moment waarop het bestuursorgaan het bezwaarschrift ontvangt. 8.3. [appellant] heeft in beroep betoogd dat de besluiten van 31 maart 2009 en 22 maart 2011 wegens een bevoegdheidsgebrek en het ontbreken van een volledige heroverweging door het college nietig zijn, dat er daarom nog steeds geen bevoegdelijk genomen besluit over de wijziging van zijn inschrijving in de gba is en dat het college daarom de redelijke termijn voor het nemen van dat besluit heeft overschreden. Zoals volgt uit hetgeen onder 3.1 is overwogen, is het besluit van 22 maart 2011 bevoegdelijk genomen en is de rechtbank [appellant] terecht niet gevolgd in het betoog dat voormelde besluiten nietig zijn. De situatie dat het college nog altijd gehouden was een besluit te nemen over wijziging van zijn inschrijving in de gba, deed zich daarom niet voor. Nu [appellant] in beroep voor het overige niets heeft aangevoerd over overschrijding van de redelijke termijn, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 8.4. Het college heeft het door [appellant] tegen het besluit van 31 maart 2009 ingediende bezwaarschrift blijkens het daarop geplaatste stempel op 14 mei 2009 ontvangen. Voormelde redelijke termijn van vijf jaren is op 13 mei 2014, ten tijde van de uitspraak op het hoger beroep, derhalve nog niet verstreken. Het verzoek van [appellant] om het college te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn dient daarom te worden afgewezen. 9. Voorts verzoekt [appellant] het college te veroordelen tot vergoeding van schade, die hij stelt te hebben geleden door de wijziging van zijn inschrijving in de gba. 9.1. Op 1 juli 2013 is de Wet nadeelcompensatie en schadevergoeding bij onrechtmatige besluiten (hierna: Wns), voor zover betrekking hebbend op schadevergoeding, in werking getreden. Uit het in artikel IV, eerste lid, van de Wns neergelegde overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van deze wet op dit geding van toepassing blijft.

Ingevolge artikel 8:73, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, kan de Afdeling, indien zij het hoger beroep gegrond verklaart, indien daarvoor gronden zijn, op verzoek van een partij het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van de schade die deze partij lijdt. 9.2. Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is en dat het besluit van 22 maart 2011 voor rechtmatig moet worden gehouden. Ook indien, zoals [appellant] betoogt, de Wns in dit geval van toepassing zou zijn, is er daarom geen aanleiding het college te veroordelen tot vergoeding van schade. Ook dit verzoek dient daarom te worden afgewezen. 10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. w.g. Van Ettekoven w.g. Herweijer

voorzitter ambtenaar van staat 640.