Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1972

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201303505/2/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Susteren 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303505/2/R1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Susteren, gemeente Echt-Susteren,

en

de raad van de gemeente Echt-Susteren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 februari 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Kern Susteren 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft onder meer [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. R. Bormans, werkzaam bij ARAG Rechtsbijstand, en de raad, vertegenwoordigd door drs. E.M.T. Beunen en ir. F.M.M. Jenniskens, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Bij tussenuitspraak van 9 oktober 2013, nr. 201303505/1/R1, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van 21 februari 2013 te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brief van 14 februari 2014 heeft de raad te kennen gegeven het gebrek in het besluit te hebben hersteld.

[appellante] is in de gelegenheid gesteld haar zienswijze over de wijze waarop het gebrek is hersteld naar voren te brengen. [appellante] heeft daarvan gebruik gemaakt.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De Afdeling heeft in 10.6 van de tussenuitspraak geoordeeld dat het besluit van 21 februari 2013 in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is vastgesteld. Zij heeft daartoe overwogen dat zonder bezonningsstudie onvoldoende aanknopingspunten bestaan voor de conclusie dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder.

2. Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak is het beroep van [appellante] gegrond. Het besluit van 21 februari 2013 dient te worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Reinoud van Gelderstraat 13A.

3. Bij de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van overweging 10.6 de gevolgen te onderzoeken van de in het plan voorziene bebouwing voor de bezonning van het perceel van [appellante] en op grond van de uitkomsten van dat onderzoek alsnog toereikend te motiveren waarom ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gewaarborgd, dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling.

4. In de brief van 14 februari 2014 heeft de raad naar aanleiding van de tussenuitspraak het besluit van 21 februari 2013 nader gemotiveerd. De raad stelt zich op het standpunt dat uit het door "Kuiper Compagnons" verrichte bezonningsonderzoek blijkt dat ter plaatse van het perceel van [appellante] in de periode van 21 januari tot en met 22 november kan worden voldaan aan de zogeheten strenge TNO-norm, van minimaal drie uur aan direct zonlicht op in ieder geval één gevel van de woning. Dit betekent volgens de raad dat het voorziene appartementengebouw op het perceel Reinoud van Gelderstraat 13A in zoverre niet leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder ter plaatse van het perceel van [appellante], de [locatie].

5. [appellante] betoogt dat de raad onjuiste uitgangspunten heeft gehanteerd bij het verrichten van het bezonningsonderzoek. Zij voert hiertoe aan dat bij het onderzoek geen vergelijking is gemaakt tussen de bezonning in de bestaande situatie en de door het plan voorziene situatie. Als gevolg hiervan is niet bekend hoe groot de beperking van de lichtinval zal zijn ten opzichte van de bestaande situatie. [appellante] betoogt verder dat in het onderzoek ten onrechte rekening is gehouden met de omstandigheid dat in de bestaande situatie de lichtinval op haar perceel wordt beperkt door de aanwezige bomen tussen de percelen Reinoud van Gelderstraat 13A en de [locatie]. Op grond van het verrichte onderzoek kan niet worden geconcludeerd dat de gevolgen van het plan voor de bezonning van het perceel [locatie] aanvaardbaar zijn, aldus [appellante].

[appellante] betoogt verder dat uit het verrichte onderzoek volgt dat het plan leidt tot ernstige schaduwhinder, vooral in haar achtertuin. Dit heeft tevens tot gevolg dat de lichtinval in haar woning ernstig wordt beperkt, omdat in de achtergevel van de woning de meeste ramen zijn gesitueerd.

5.1. De resultaten van het onderzoek naar de gevolgen van het plan voor de bezonning van het perceel van [appellante] zijn vastgelegd in het rapport "Bezonningsstudie Reinoud van Gelderstraat 13A te Susteren" van 4 november 2013 (hierna: de Bezonningsstudie). De raad heeft onder meer onderzoek verricht naar de gevolgen voor de bezonning bij een maximale invulling van de planologische mogelijkheden voor het perceel Reinoud van Gelderstraat 13A. In de Bezonningsstudie is door middel van bezonningsdiagrammen de schaduwwerking op het perceel van [appellante] visueel weergegeven. Bij dit onderzoek zijn bestaande bomen buiten beschouwing gelaten. In bijlage 4 bij de Bezonningsstudie is inzichtelijk gemaakt in welke mate de bestaande bomen op en rond het perceel voor schaduwhinder zorgen.

5.2. Uit de Bezonningsstudie en de bijbehorende bezonningsdiagrammen volgt dat in de lente- en herfstperiode het plan in de ochtendperiode leidt tot schaduwwerking in de tuin van [appellante] en op de gevels van haar woning. De in het plan voorziene bebouwing heeft in deze periode vooral gevolgen voor het zijerf. De lichtinval in de achtertuin wordt hoofzakelijk beperkt door de eigen woning. Vanaf 13.00 uur is de schaduwwerking beperkt tot een gedeelte van het zijerf. In de periode tussen 13.30 uur tot 17.00 uur heeft het plan geen gevolgen voor de bezonning van het perceel van [appellante]. In deze periode wordt de bezonning van het perceel evenmin beperkt vanwege andere bebouwing. De bezonning neemt na 17.00 uur af. Na 19.00 uur is er geen direct zonlicht meer.

Wat betreft de zomerperiode volgt uit de Bezonningsstudie dat het plan tot 9.00 uur geen gevolgen heeft voor de lichtinval op het perceel. Na dit tijdstip neemt de schaduwwerking vanwege het plan toe, maar dit betreft voornamelijk het zijerf. De gevolgen voor de achtertuin zijn gering. Vanaf 13.00 uur tot 19.00 uur heeft het plan geen gevolgen voor de bezonning van het perceel van [appellante]. Ook overigens wordt de lichtinval op het perceel gedurende deze periode van de dag niet beperkt.

Voor de winterperiode geldt dat het plan gedurende nagenoeg de gehele dagperiode, tussen 10.00 uur en 16.00 uur, leidt tot een beperking van de lichtinval op het perceel van [appellante].

5.3. [appellante] heeft de uitkomsten van de Bezonningsstudie wat betreft de gevolgen bij een maximale invulling van de planologische mogelijkheden voor het perceel Reinoud van Gelderstraat 13A niet gemotiveerd bestreden. De enkele stelling dat zij daaraan twijfelt is onvoldoende voor het oordeel dat de Bezonningsstudie in zoverre onjuistheden bevat.

5.4. De Afdeling overweegt dat voor het oordeel of het plan leidt tot onaanvaardbare schaduwhinder ter plaatse van het perceel van [appellante] in beginsel doorslaggevende betekenis toekomt aan de gevolgen van de in het plan voorziene bebouwing. Zoals hiervoor is uiteengezet volgt uit de Bezonningsstudie dat het plan in de lente-, zomer- en herfstperiode geen of beperkte gevolgen heeft voor de bezonning van het achtererf van het perceel van [appellante]. Ongestoorde bezonning van het perceel van [appellante] blijft mogelijk in de middag, gedurende een periode van ruim 3,5 uur in de lente en herfst en een periode van ongeveer 6 uur in de zomer. Alleen in de winter leidt het plan tot een meer omvangrijke beperking van de directe lichtinval op het perceel van [appellante], maar de raad heeft hieraan in redelijkheid geen zwaarwegende betekenis hoeven toe te kennen, gelet op de lage stand van de zon in deze periode en het beperkte aantal zonuren.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een ernstige beperking van de lichtinval op het perceel van [appellante], gelet ook op de omstandigheid dat het perceel van [appellante] gesitueerd is binnen een stedelijke omgeving, in de nabijheid van het centrum van Susteren. De Afdeling is verder van oordeel dat de gevolgen van het plan voor de bezonning van het perceel van [appellante] niet van dien aard zijn dat de raad voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid daarvan tevens inzichtelijk had behoren te maken in hoeverre het plan leidt tot een beperking van de lichtinval in vergelijking tot de bestaande situatie op het perceel Reinoud van Gelderstraat 13A.

6. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

7. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Echt-Susteren van 21 februari 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Kern Susteren 2012", voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen" voor het perceel Reinoud van Gelderstraat 13A;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Echt-Susteren tot vergoeding van de bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.217,50 (zegge: twaalfhonderdzeventien euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Echt-Susteren aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Zwemstra

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

91-739.