Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:197

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201303086/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van zes eiken en drie esdoorns op het perceel [locatie] te Ede.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303086/1/A1.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Ede Gld,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 5 maart 2013 in zaak nr. 12/2284 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Ede.

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2011 heeft het college geweigerd aan [appellant] omgevingsvergunning te verlenen voor het kappen van zes eiken en drie esdoorns op het perceel [locatie] te Ede.

Bij besluit van 3 mei 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, alsnog omgevingsvergunning verleend voor het kappen van drie esdoorns en één eik op het perceel en het besluit van 22 december 2011 voor het overige in stand gelaten.

Bij uitspraak van 5 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 november 2013, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door M.C.L. van den Broeke, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Vast staat dat voor het kappen van de bomen op het perceel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) is vereist.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het college bij besluit van 3 mei 2012 heeft kunnen weigeren voor de vijf eiken een dergelijke vergunning te verlenen.

2. Ingevolge artikel 4:11, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Ede (hierna: de APV) is het verboden om zonder vergunning van het college houtopstand te vellen of te doen vellen.

Ingevolge artikel 4:11a, wordt de vergunning geweigerd op grond van:

a. de natuurwaarde van de houtopstand;

b. de landschappelijke waarde van de houtopstand;

c. de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

d. de beeldbepalende waarde van de houtopstand;

e. de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

f. de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand.

3. De weigeringsgronden als genoemd in artikel 4:11a van de APV zijn uitgewerkt in het op 2 maart 2006 door de gemeenteraad vastgestelde Bomenbeleidsplan (hierna: het beleid). Ingevolge artikel 2.4, achtste lid, van de daarbij behorende bijlage Groenstructuurplan en Groenbeleid Ede (hierna: de bijlage), zoals dat gold ten tijde en voor zover hier van belang, dat ziet op het beleid voor overige bomen, geldt dat een kapvergunning kan worden afgegeven in de volgende gevallen, waarbij feitelijk 4 categorieën zijn te onderscheiden:

- gezondheidstoestand (zoals VTA, ziek, dood, levensverwachting);

- veroorzaken van overlast (verwijtbare en ernstige overlast);

- ontwikkelingsmogelijkheden van de boom (zowel boven- als ondergronds);

- (…).

Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, heeft een toekomstboom qua standplaats en soort de potentie om tenminste uit te groeien tot een waardevolle boom, voldoet aan basiscriteria 2 en 3 en één van de specifieke criteria en behoort tot de duurzame boomsoorten.

Ingevolge het eerste lid gelden de volgende basiscriteria:

1. (…);

2. de boom moet niet in een onomkeerbare slechte conditie verkeren; volledig verval van de boom is niet binnen 10 jaar te verwachten;

3. de boom heeft een dusdanige habitus dat deze karakteristiek is voor de soort, of kan zich (gezien de plantomstandigheden) tot deze karakteristieke habitus ontwikkelen (dit geldt vooral voor bomen met een ruimtelijke betekenis).

Ingevolge het tweede lid, onder 1, gelden de volgende specifieke criteria met betrekking tot de ruimtelijke betekenis:

a. de boom is (beeld)bepalend voor het karakter van de omgeving;

b. en c. (…).

Ingevolge het zesde lid, voor zover hier van belang, wordt van toekomstbomen verwacht dat deze bomen op den duur qua standplaats en soortkeuze gaan voldoen aan de criteria voor waardevolle of monumentale bomen. Tot die tijd verdienen zij enige bescherming. Voor deze bomen kan zonder duidelijke argumentatie geen kapvergunning worden afgegeven. Bij de beoordeling spelen de beleidsregels, zoals deze zijn opgesteld voor de categorie "overige bomen", een belangrijke rol.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet heeft kunnen weigeren omgevingsvergunning te verlenen om de vijf eiken te kappen. Daartoe voert hij aan dat de weigering louter willekeurig is. De vijf eiken zijn, naar [appellant] stelt, ten onrechte als toekomstbomen aangemerkt, nu zij geen beeldbepalend karakter hebben. Verder hebben zij volgens [appellant], gelet op hun omvang en de beperkte ruimte in zijn tuin, geen ontwikkelingsmogelijkheden. In dit verband heeft hij ten aanzien van één van de vijf eiken in hoger beroep een deskundigenrapport van 3 juli 2013 van Boomadviesbureau De Groot overgelegd (hierna: het deskundigenrapport). Bovendien leveren de vijf eiken volgens [appellant] zowel voor hem als voor zijn buren overlast op. Doordat zij elkaar verdringen, ontstaat volgens hem veel dood hout dat naar beneden valt en onveilige situaties oplevert. Voornoemde problemen zullen in de toekomst enkel toenemen, aldus [appellant].

4.1. In het door [appellant] overgelegde deskundigenrapport wordt, op basis van een boomonderzoek ter plaatse, geadviseerd om de betreffende eik te verwijderen. De toekomstverwachting van de boom wordt als matig ingeschat en gezien de standplaats van de boom wordt het niet langer verantwoord geacht om deze te handhaven.

Het college heeft ter zitting erkend dat het, gelet op voornoemd advies, ten onrechte heeft geweigerd voor de betreffende eik omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wabo te verlenen. Nu het college een ander standpunt inneemt dan in het besluit van 3 mei 2012, is dat besluit op dit onderdeel genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt in zoverre.

4.2. Ten aanzien van de overige vier eiken overweegt de Afdeling als volgt. De rechtbank heeft in het betoog van [appellant] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college de vier eiken ten onrechte als toekomstbomen als bedoeld in artikel 2.4, derde lid, van de bijlage heeft aangemerkt waarvoor zonder duidelijke argumentatie geen kapvergunning mag worden afgegeven. Aan dat standpunt heeft het college ten grondslag gelegd dat zij een dusdanige habitus hebben dat die karakteristiek is voor de soort, beeldbepalend zijn voor de omgeving, een goede vitaliteit hebben en binnen tien jaar niet in verval zullen raken. De stelling van [appellant] dat in de overige tuinen van hetzelfde huizenblok geen bomen staan, kan, wat daar verder van zij, aan het voorgaande niet afdoen, nu een dergelijke criterium ten aanzien van het beeldbepalende karakter niet uit het beleid kan worden afgeleid. Voorts is ter zitting aan de hand van foto’s genoegzaam vastgesteld dat de vier eiken vanaf de omliggende weg goed zichtbaar zijn.

Voorts heeft de rechtbank in het betoog van [appellant] terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college bij besluit van 3 mei 2012 ten onrechte heeft geweigerd om voor de vier als toekomstbomen aan te merken eiken omgevingsvergunning te verlenen, nu die bomen niet vallen onder een van de in artikel 2.4, achtste lid, van de bijlage genoemde categorieën. Daartoe heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat [appellant] en zijn directe buren weliswaar overlast ondervinden van de bomen, maar dat geen verwijtbare en ernstige overlast als bedoeld in dat artikellid aan de orde is, die het college noopte tot vergunningverlening. Dat de vier eiken over onvoldoende ontwikkelingsmogelijkheden beschikken, is door [appellant] gesteld maar niet aannemelijk gemaakt. De enkele omstandigheid dat de bomen dicht op elkaar staan, is daartoe niet voldoende. In dit verband heeft het college ter zitting toegelicht dat de vier eiken als bomengroep verder kunnen groeien.

Het betoog faalt in zoverre.

5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel, faalt. Gesteld noch gebleken is dat het college in andere aan de situatie van [appellant] gelijke gevallen, wel omgevingsvergunning heeft verleend. Dat een college in een naburige gemeente niet overeenkomstig een dergelijk beleid handelt kan, wat daar verder van zij, niet leiden tot een ander oordeel omtrent de handelswijze van het college van burgemeester en wethouders van Ede.

6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen de eik genoemd onder 4.1, ongegrond is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 3 mei 2012 van het college in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt in zoverre, wegens strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid, voor vernietiging in aanmerking. De aangevallen uitspraak dient voor het overige te worden bevestigd.

7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 5 maart 2013 in zaak nr. 12/2284, voor zover daarbij het beroep van [appellant], voor zover gericht tegen de eik genoemd onder 4.1, ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Ede van 3 mei 2012, kenmerk 2001W122, in zoverre;

V. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Ede aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 395,00 (zegge: driehonderdvijfennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Hoekstra w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

407-713.