Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201403236/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2014:1869, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 maart 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403236/1/V3.

Datum uitspraak: 19 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 april 2014 in zaak nr. 14/7152 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 24 maart 2014 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 april 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. In de enige grief klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank in de omstandigheid dat de vreemdeling ter zitting op 2 april 2014 en op 9 april 2014 niet met behulp van een tolk in een voor hem begrijpelijke taal kon worden gehoord, ten onrechte aanleiding heeft gezien de bewaring met ingang van 2 april 2014 onrechtmatig te achten en deze op te heffen. De staatssecretaris voert daartoe aan dat de rechtbank op de negende dag na ontvangst van het beroepschrift in aanwezigheid van de vreemdeling en zijn gemachtigde de behandeling van het beroep ter zitting heeft geopend, zodat de in artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) bedoelde termijn niet is geschonden.

1.1. Ingevolge artikel 8:64, eerste lid, van de Awb, voor zover thans van belang, kan de rechtbank het onderzoek ter zitting schorsen.

Ingevolge artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, bepaalt de rechtbank onmiddellijk het tijdstip van het onderzoek ter zitting. De zitting vindt uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift plaats. De rechtbank roept de vreemdeling op om in persoon, dan wel in persoon of bij raadsman te verschijnen, teneinde te worden gehoord.

Ingevolge het vierde lid verklaart de rechtbank het beroep gegrond, indien zij bij het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met deze wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

1.2. Uit de op de zaak betrekking hebbende stukken en de uitspraak blijkt het volgende. De vreemdeling heeft op 24 maart 2014 beroep ingesteld tegen zijn inbewaringstelling. Op 2 april 2014 heeft de rechtbank in aanwezigheid van de vreemdeling en zijn gemachtigde de behandeling van het beroep ter zitting geopend. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting geschorst omdat de door haar opgeroepen tolk niet staat ingeschreven in het Register Beëdigde Tolken en Vertalers. De rechtbank heeft de behandeling ter zitting op 9 april 2014 in aanwezigheid van de vreemdeling en zijn gemachtigde heropend. De rechtbank heeft de behandeling wederom geschorst, ditmaal omdat de door haar opgeroepen tolk niet aanwezig was.

1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 17 december 2009 in zaak nr. 200908930/1/V3) is in de Vw 2000 de toepasselijkheid van artikel 8:64, eerste lid, van de Awb niet uitgesloten. Voorts strekt artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000 er niet toe dat het onderzoek ter zitting van de rechtbank uiterlijk op de veertiende dag na ontvangst van het beroepschrift dient te worden gesloten. Daarnaast volgt uit die uitspraak dat indien bij de opening van het onderzoek geen tolk beschikbaar is, de rechtbank kan beslissen om, nadat met het gehoor een aanvang is gemaakt, het onderzoek te schorsen en het onderzoek op een later tijdstip voort te zetten, mits de vreemdeling binnen een redelijke termijn alsnog in persoon kan worden gehoord.

1.4. De rechtbank heeft op 2 april 2014, de negende dag na ontvangst van het beroepschrift, in aanwezigheid van de vreemdeling en zijn gemachtigde tijdig een aanvang gemaakt met het door artikel 94, tweede lid, van de Vw 2000, voorgeschreven onderzoek ter zitting.

Uit de zittingsaantekeningen van 9 april 2014 blijkt dat de door de rechtbank opgeroepen tolk niet ter zitting is verschenen. Er kan evenwel niet uit worden afgeleid dat het niet mogelijk was de vreemdeling binnen een redelijke termijn alsnog in aanwezigheid van een tolk in een voor hem begrijpelijke taal te horen. Dit volgt ook niet zonder meer uit de omstandigheid dat de behandeling van het beroep op 9 april 2014 voor de tweede maal is geschorst.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen de staatssecretaris overigens heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

3. De Afdeling zal de proceskosten in hoger beroep vaststellen. De rechtbank dient omtrent de vergoeding van deze kosten te beslissen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 10 april 2014 in zaak nr. 14/7152;

III. wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV. stelt de door de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep gemaakte kosten vast op een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), en bepaalt dat de rechtbank beslist omtrent de vergoeding van deze kosten.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.J. van Eck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Van de Kolk

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2014

347-750.