Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1967

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201403291/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor uitbreiding van zijn agrarische bedrijf aan de [locatie 1] te Reeuwijk met een nieuwe vleesvarkensstal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201403291/1/R2.

Datum uitspraak: 21 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de onderlinge waarborgmaatschappij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. (hierna: MOB) en anderen, onderscheidenlijk gevestigd te Nijmegen en wonend te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk,

verzoekers,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het college aan [belanghebbende] een vergunning krachtens artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) verleend voor uitbreiding van zijn agrarische bedrijf aan de [locatie 1] te Reeuwijk met een nieuwe vleesvarkensstal.

Tegen dit besluit hebben MOB en anderen bezwaar gemaakt.

MOB en anderen hebben de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 mei 2014, waar MOB en anderen, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door H. de Vries LLB en mr. W.M. Lambooij, onderscheidenlijk werkzaam bij de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid en de Omgevingsdienst Haaglanden, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door ing. L. Polinder, als partij gehoord.

Overwegingen

1. De voorzitter acht een spoedeisend belang aanwezig, nu uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vleesvarkensstal op het perceel [locatie 1] reeds is gebouwd en gefaseerd in gebruik wordt genomen.

2. MOB en anderen stellen dat de vergunning ten onrechte is verleend. Zij betogen dat het college bij de beoordeling van de vraag of ten gevolge van het project een toename van de stikstofdepositie plaatsvindt op de betrokken Natura 2000-gebieden ten onrechte de stikstofdepositie zoals die bestond ten tijde van de verlening van de vergunning op grond van de Wet milieubeheer op 12 januari 1999 als uitgangspunt heeft genomen. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt dat de stikstofdepositie ten gevolge van de veehouderij op 12 januari 1999 lager was dan op de referentiedatum van 14 februari 1997 voor de betrokken Vogelrichtlijngebieden, zo stellen MOB en anderen. Volgens hen stelt het college namelijk ten onrechte dat voor de vaststelling van de stikstofdepositie ten gevolge van de veehouderij op 14 februari 1997 moet worden uitgegaan van het maximum aantal dieren dat de veehouderij op grond van de melding Besluit melkrundveehouderijen hinderwet (hierna: Bmh) mocht houden.

2.1. In het bestreden besluit heeft het college gesteld dat, gelet op de op 31 januari 1992 gedane melding tot het houden van maximaal 100 melkkoeien en 70 stuks jongvee op grond van het Bmh, op de referentiedatum van 14 februari 1997 een toestemming op grond van het Bmh bestond tot het houden van deze dieren. Nu op basis van de vergunning op grond van de Wet milieubeheer van 12 januari 1999 minder dieren, namelijk 70 melkkoeien en 30 stuks jongvee, mochten worden gehouden, is de toegestane stikstofdepositie op 12 januari 1999 lager dan op 14 februari 1997, zo stelt het college. Bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie dient dan ook een vergelijking te worden gemaakt met de op grond van de Wet milieubeheer toegestane stikstofdepositie op 12 januari 1999, aldus het college.

2.2. De voorzitter ziet op voorhand geen grond voor het oordeel dat het college bij de beoordeling van de vraag of de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie ten onrechte een vergelijking heeft gemaakt met de toegestane stikstofdepositie op 12 januari 1999. Hiertoe wordt overwogen dat uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting omstandigheden naar voren zijn gekomen waaruit blijkt dat, vanwege de feitelijke mogelijkheden ter plaatse, op het perceel [locatie 1] op 14 februari 1997 dusdanig minder dieren konden worden gehouden dan op basis van de hiervoor genoemde melding was toegestaan, dat de veehouderij op de referentiedatum van 14 februari 1997 minder stikstofdepositie kon hebben dan op grond van de vergunning van 12 januari 1999 was toegestaan.

3. MOB en anderen stellen dat het standpunt van het college dat door middel van de saldering met het bedrijf aan de [locatie 2] te Bodegraven het project de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden niet aantast, onvoldoende is onderbouwd. Zij voeren hiertoe aan dat het college ten onrechte heeft nagelaten te bezien wat de stikstofdepositie ten gevolge van het bedrijf aan de [locatie 2] was ten tijde van de referentiedatum voor de betrokken Vogelrichtlijngebieden, te weten 14 februari 1997.

3.1. Ten behoeve van de uitbreiding van het bedrijf aan de [locatie 1], is de op 2 augustus 2013 verleende vergunning op grond van de Nbw 1998 voor het agrarische bedrijf aan de [locatie 2] gedeeltelijk ingetrokken. Ter zitting is gebleken dat het bedrijf aan de [locatie 2] meldingsplichtig is op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het bestreden besluit is uiteengezet wat op grond van de Nbw-vergunning van 2 augustus 2013 de stikstofdepositie was van het bedrijf aan de [locatie 2]. De voorzitter ziet op voorhand geen aanleiding voor het oordeel dat het college had behoren te onderzoeken wat de stikstofdepositie van het bedrijf aan de [locatie 2] was ten tijde van de referentiedatum, nu ten gevolge van de verlening van de vergunning van 2 augustus 2013 de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiedatum reeds is beoordeeld.

4. MOB en anderen voeren aan dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht of het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek aantast. Volgens hen zijn significante effecten op dit Natura 2000-gebied niet uit te sluiten, gelet op de afstand van de veehouderij tot het Natura 2000-gebied.

4.1. De afstand van de veehouderij op het perceel [locatie 1] tot het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek bedraagt ongeveer 17 km. In het bestreden besluit is niet uiteengezet wat de gevolgen zijn van het project voor het desbetreffende Natura 2000-gebied. Het college heeft evenwel toegelicht dat uit nader onderzoek in de bezwaarfase is gebleken dat het project geen significante effecten heeft voor het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek. Nog daargelaten het antwoord op de vraag of het college bevoegd is op de aanvraag te beslissen voor zover het project effecten heeft op het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek, ziet de voorzitter in hetgeen MOB en anderen hebben aangevoerd voorshands geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich er niet van heeft kunnen verzekeren dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek door het project niet worden aangetast. De voorzitter ziet in het aangevoerde op dit punt dan ook geen aanleiding het bestreden besluit te schorsen.

5. Gelet op het voorgaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. N.S.J. Koeman, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Westland, ambtenaar van staat.

w.g. Koeman w.g. Westland

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 21 mei 2014

683.