Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201401006/1/R4 en 201401006/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "West-Terschelling Campus" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet ruimtelijke ordening
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2015/160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201401006/1/R4 en 201401006/2/R4.

Datum uitspraak: 20 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het beroep, in het geding tussen:

de stichting Stichting Ons Schellingerland (hierna: SOS), gevestigd te Terschelling,

appellante,

en

de raad van de gemeente Terschelling,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 december 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "West-Terschelling Campus" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft SOS beroep ingesteld.

SOS heeft de voorzitter tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

SOS en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 15 april 2014, waar SOS, vertegenwoordigd door H.F. Schurink en R. Gorter, en de raad, vertegenwoordigd door I. Groeneveld, W.R.H. van Schoonhoven, J.J.W. Hellevoort en mr. L. Buren, bijgestaan door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.

Voorts zijn het Maritiem Instituut Willem Barentsz, vertegenwoordigd door G. van Leunen, en Woningstichting De Veste, vertegenwoordigd door W.N.W. Huuskes, ter zitting gehoord.

Partijen hebben ter zitting toestemming gegeven onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Overwegingen

1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De voorzitter toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de voorzitter aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. Het plangebied ligt oostelijk van de kern West-Terschelling, en bestaat uit duin- en bosgebied. Met het plan wordt aan een deel van het plangebied de bestemmingen "Wonen - 3" en "Verkeer - Verblijf" toegekend. Het plan heeft ten doel de vestiging van een nieuwe campus ten behoeve van het op Terschelling gevestigde Maritiem Instituut Willem Barentsz mogelijk te maken, ter vervanging van de bestaande, sterk verouderde, campus aan de Dellewal.

4. SOS richt zich niet tegen de vestiging van de campus op de gekozen locatie, maar kan zich niet verenigen met de gekozen ontsluitingsweg en de toegelaten bouwhoogte.

4.1. Met betrekking tot de ontsluitingsweg betoogt SOS dat ten onrechte geen nader onderzoek is gedaan naar de ontsluiting via de Europalaan. Volgens SOS heeft deze route de voorkeur boven de in het plan vastgelegde ontsluiting vanaf de Burgemeester Van Heusdenweg. Volgens SOS is de ontsluiting vanaf de Burgemeester Van Heusdenweg onwenselijk met het oog op de verkeersveiligheid, gelet op het grote aantal fietsers dat vanaf de ontsluitingsweg zal invoegen en oversteken op de druk bereden hoofdweg. Nu alleen van de ontsluiting via de Burgemeester Van Heusdenweg de verkeersveiligheidsaspecten zijn onderzocht, is het besluit volgens SOS niet deugdelijk voorbereid, temeer daar volgens SOS ten onrechte alleen is gekeken naar het autoverkeer, en de te verwachten toename van de hoeveelheid fiets- en voetgangersverkeer op de kruising niet in het onderzoek is betrokken. Het argument dat er bewoners zijn die hinder zouden ondervinden van de ontsluiting via de Europalaan acht SOS niet voldoende motivering voor het niet nader onderzoeken van die route.

SOS betoogt voorts dat door de ontsluiting via de Burgemeester Van Heusdenweg het landschap wordt aangetast, in strijd met de uitgangspunten voor het plan. Dit als gevolg van de benodigde coupure in de karakteristieke en unieke steilwand langs de hoofdweg en de daarvoor benodigde kap van bomen. SOS wijst er in dit verband op dat de aantasting plaatsvindt binnen het zicht vanuit de baai en vanaf de Dellewal. Bovendien zal de coupure volgens SOS gaan fungeren als trekgat, waardoor naar verwachting bij storm ook de overige bomen verloren zullen gaan. SOS wijst in dit verband op een volgens haar vergelijkbare ontwikkeling die zich heeft voorgedaan op Doodemanskisten.

4.2. De raad betoogt dat de alternatieve route via de Europalaan in het begin van het planproces is onderzocht, maar dat voor deze mogelijkheid niet is gekozen, omdat deze route langer is, meer hinder voor bewoners van de naastgelegen woonwijk geeft, meer bomenkap vergt en een groter areaal van de Ecologische Hoofdstructuur verloren doet gaan. Ten aanzien van de gestelde nadelen van de gekozen ontsluitingsroute betoogt de raad dat het uitzicht op de bosrand slechts in zeer geringe mate wordt geraakt. De doorsnijding van de steilwand zal plaatsvinden ter plekke van een reeds aanwezige natuurlijke inkeping, waardoor de aantasting beperkt blijft. Voorts zal de ontsluitingsweg worden uitgevoerd met een knik, waardoor het zicht op de campus vanaf de weg wordt ontnomen en ook op die manier de invloed op het landschap wordt beperkt. De verkeersveiligheid is onderzocht door Grontmij en geen beletsel gebleken voor de ontsluiting, gelet op het geringe aantal motorvoertuigbewegingen van circa 50 per etmaal, aldus de raad. De uitvoering garandeert dat bij de aansluiting van de ontsluitingsweg op de Burgemeester Van Heusdenweg voldoende zicht op het verkeer op die weg is.

4.3. De voorzitter ziet in hetgeen SOS heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om niet de ontsluiting via de Europalaan te kiezen. Volgens het bij het plan gevoegde rapport van het onderzoek van Grontmij, "Verkeersonderzoek "Ontsluitingsweg op Burgemeester van Heusdenweg, ontsluiting campus MIWB" kan de campus indien er voldoende oprijzicht aanwezig is veilig worden ontsloten op de Burgemeester Van Heusdenweg. Hetgeen SOS heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat bij de voorziene uitvoering onvoldoende zicht op de weg is, noch voor het oordeel dat anderszins de verkeersveiligheid niet deugdelijk is onderzocht. Dat er een grote hoeveelheid extra fietsverkeer te verwachten is geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. De voorzitter ziet in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat ook het voetgangers- en fietsverkeer op deze locatie, ter plekke van het bestaande begin van het voet- en fietspad, bij voldoende zicht op het verkeer op de weg niet op voldoende veilige wijze kan worden ingepast.

De voorzitter overweegt voorts dat ten behoeve van de ontsluiting van de campus hoe dan ook bos zou moeten worden gekapt. Weliswaar is aannemelijk dat met het doorsnijden van de steilwand op de gekozen locatie de landschappelijke gevolgen groter zullen zijn dan bij de door SOS bepleite ontsluiting via de Europalaan, maar niet is aannemelijk gemaakt dat deze doorsnijding zodanig afbreuk doet aan de waarden van de steilwand dat daarom geoordeeld zou moeten worden dat de raad, gelet op alle betrokken belangen, niet in redelijkheid tot de gekozen ontsluiting heeft kunnen besluiten. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat gebruik wordt gemaakt van een natuurlijke inkeping in de steilwand. Het betoog faalt.

4.4. Ten aanzien van de bouwhoogte betoogt SOS dat ten onrechte een hoogte van 25 meter boven NAP is toegelaten. Volgens haar zou dat ten hoogste 20 meter mogen zijn. Zij betoogt dat de door haar bepleite hoogte beter past bij de schaal en maat van het eiland en beter landschappelijk kan worden ingepast. De naaldbomen tussen de campus en de Europalaan zijn volgens SOS in hun kaprijpe fase en zullen binnen afzienbare tijd geveld moeten worden, dan wel als gevolg van de ontsluitingsweg en de werking daarvan als trekgat anderszins verloren gaan. De landschappelijke inpassing zou ook zonder bosbeplanting aanvaardbaar moeten zijn, en dan niet alleen bezien vanuit het zuiden, maar vanuit de hele omgeving.

4.5. De raad betoogt dat het bos wordt onderhouden door Staatsbosbeheer, en dat het gezond en op hoogte zal blijven. Voor de vrees voor het verlies van bomen als gevolg van het ontstaan van een extra trekgat door de bomenkap op deze locatie bestaat geen grond, aldus de raad. De vergelijking met Doodemanskisten die SOS heeft gemaakt geeft ook geen grond, aangezien aldaar een andere situatie aan de orde is, onder meer gezien de vochtige bodemgesteldheid aldaar. De raad stelt zich op het standpunt dat de nieuwe campus zich zal voegen in het duinbos. Het bij het duinbos behorende hoogteverschil wordt gebruikt om de bebouwing en buitenruimte een logische plek te geven en duintoppen en de steilwand langs de Burgemeester van Heusdenweg worden vrijgehouden van bebouwing. De raad betoogt voorts dat bij de bepaling van de maximale bouwhoogte van de campus is uitgegaan van de bomen op het laagste punt in de steilwand in relatie tot de zichtlijnen vanaf de omgeving. Daartoe heeft de raad een zichtlijnenkaart overgelegd, waarop is aangegeven dat vanaf verschillende punten vanaf de Waddenzee en de steiger van de passantenhaven als ook vanaf de Dellewal en de Burgemeester van Heusdenweg geen direct zicht op de campus zal zijn. Voorzover SOS betoogt dat er wel zicht op de campus zal zijn vanuit het dorp West-Terschelling, is dit op zich juist, maar acht de raad dit niet onaanvaardbaar. Er zijn meerdere gebouwen van een vergelijkbare hoogte in de omgeving aanwezig.

4.6. Gelet op de stukken, waaronder de als zodanig niet bestreden zichtlijnenkaart, en het verhandelde ter zitting acht de voorzitter aannemelijk dat de campus door de gekozen maximale bouwhoogte en de ligging tussen de bomen en achter de steilwand, bezien vanaf de Waddenzee, de steiger van de passantenhaven, de Dellewal en de Burgemeester van Heusdenweg aan het zicht onttrokken zal zijn. De raad heeft in de omstandigheid dat vanuit andere gezichtspunten wel zicht op het gebouw zal kunnen bestaan geen aanleiding hoeven zien om de landschappelijke inpassing van de campus onvoldoende te achten. De voorzitter ziet in hetgeen SOS heeft aangevoerd geen aanleiding om het standpunt van de raad onjuist te achten dat het bestaande en als zodanig bestemde bos, waardoor de campus vanaf genoemde plaatsen aan het zicht zal worden onttrokken, niet gekapt zal worden, maar door zorgvuldig onderhoud in goede staat en op hoogte zal worden gehouden.

5. Gelet op al het voorgaande is het beroep van SOS ongegrond.

6. Gelet hierop dient het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep ongegrond;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2014

539.