Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:196

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201303034/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 februari 2012 heeft de raad de aanvraag van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201303034/1/A2.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 28 maart 2013 in zaak nr. 12/3409 in het geding tussen:

[appellante]

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (hierna: de raad).

Procesverloop

Bij besluit van 13 februari 2012 heeft de raad de aanvraag van [appellante] om een toevoeging afgewezen.

Bij besluit van 24 oktober 2012 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 januari 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. P.Th. van Alkemade, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, werkzaam aldaar, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wet op de rechtsbijstand wordt rechtsbijstand niet verleend indien het een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met bijstand van een andere persoon of instelling van wie onderscheidenlijk waarvan de werkzaamheden niet vallen binnen de werkingssfeer van deze wet.

Volgens werkinstructie C010 Wet werk en bijstand wordt de aanvraag, als daaruit blijkt dat de Wwb-uitkering is afgewezen of geschorst omdat rechtzoekende bijvoorbeeld niet de gevraagde stukken/informatie heeft verstrekt, afgewezen met tekstcode 130 (zelfredzaamheid). Als de advocaat bij de aanvraag gemotiveerd aangeeft dat sprake is van een inhoudelijk juridisch verweer kan een toevoeging worden verstrekt.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag om toevoeging ziet op het voeren van een juridisch verweer. Bovendien geeft de raad met werkinstructie C010 een onjuiste, althans, onwerkbare invulling aan de wet. Daarom had de raad niet tot afwijzing van de aanvraag mogen beslissen, aldus [appellante].

2.1. Bij de beoordeling of de aanvraag een belang betreft waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, komt de raad beoordelingsvrijheid toe. De raad heeft de invulling van die beoordeling neergelegd in werkinstructie C010 Wet werk en bijstand. De werkinstructie strekt ertoe het aan de aanvrager over te laten de aanvraag om een Wwb-uitkering te completeren, wanneer de aanvraag onvolledig was en om die reden is afgewezen of geschorst. Slechts indien juridisch verweer wordt gevoerd, kan daarvoor een toevoeging worden verleend. De invulling die de raad met de werkinstructie aan de beoordeling heeft gegeven, gaat de grenzen van de redelijke wetsuitleg niet te buiten.

De aanvraag om een toevoeging heeft betrekking op de brief van het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch van 20 september 2011. In deze brief nodigt het college [appellante] uit de aanvraag om Wwb-uitkering te completeren en stelt het hiertoe een termijn van zeven dagen. De brief bevat tevens een opsomming van de te verstrekken gegevens. Bij de aanvraag om een toevoeging heeft [appellante] vermeld dat zij van oordeel is dat zij voldoende gegevens heeft verstrekt.

In het besluit van 24 oktober 2012 verwijst de raad naar het advies van de commissie voor bezwaar van 17 oktober 2012. In dat advies stelt de commissie zich, onder verwijzing naar werkinstructie C010, op het standpunt dat de aan te voeren gronden van feitelijke aard zijn, niet is gebleken van een inhoudelijk juridisch verweer en de aanvraag daarom terecht is afgewezen.

Het is aan [appellante], als aanvrager van de toevoeging, om aannemelijk te maken dat niet slechts feitelijke gronden worden aangevoerd, maar dat een juridisch verweer wordt gevoerd. Dat heeft zij met de daartoe overgelegde stukken niet gedaan. Uit de brief van het Bureau Sociaal Raadslieden van 16 november 2011 blijkt het verweer tegen de afwijzing van de aanvraag om Wwb-uitkering van [appellante] niet. Hetzelfde geldt voor de verwijzing van het Juridisch Loket van 12 december 2011, waarin het juridisch probleem slechts wordt omschreven als "Bezwaar WWB". De raad hoefde daarin geen aanleiding te zien een toevoeging te verlenen. Verder heeft [appellante] nimmer aangegeven waar het juridisch geschil betrekking op heeft. Met de enkele stelling dat op een feitelijk betoog niet zelden een juridisch geschil daarover volgt, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat een juridisch geschil tussen haar en het college is ontstaan. De rechtbank heeft dan ook terecht en op goede gronden overwogen dat de raad de aanvraag om een toevoeging mocht afwijzen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

47-799.