Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1957

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201311332/1/R6
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Markt e.o., Centrumplan Mill" (hierna: het plan) vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201311332/1/R6.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Mill, gemeente Mill en Sint Hubert,

en

de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Markt e.o., Centrumplan Mill" (hierna: het plan) vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 april 2014, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. ing. J.P.J.M. Rouwet, advocaat te Mill, en de raad, vertegenwoordigd door S.C.M. van Cleef en F.G.H.B. Verstegen, beiden werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat te Nijmegen, zijn verschenen.

Overwegingen

Het plan

1. Het plan maakt de ontwikkeling mogelijk van enkele onderdelen van het Centrumplan Mill. Dit betreft onder meer de herontwikkeling van het huidige winkel- en appartementenblok aan de Markt (het zogeheten Mooilandblok), de herinrichting en uitbreiding van een parkeerterrein en de gedeeltelijke sloop en uitbreiding van een supermarkt.

Bestreden plandelen

2. Ter zitting is duidelijk geworden dat het beroep zich in de eerste plaats richt tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Verkeer - verblijfsgebied" wat betreft de Julianastraat te Mill. Daarnaast richt het beroep zich tegen de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Centrum - 1" wat betreft het zogeheten Mooilandblok, gelegen tussen de Markt en de Julianastraat te Mill, in het bijzonder tegen de toegestane maximale bouw- en goothoogte.

Goede procesorde

3. Ter zitting hebben [appellant] en anderen betoogd dat een gedeelte van het trottoir in de Julianastraat hun eigendom is. Daarnaast hebben zij ter zitting tellingen overgelegd van het aantal laad- en losbewegingen in de Julianastraat. De raad betoogt dat dit betoog en deze gegevens zodanig laat naar voren zijn gebracht, dat zij niet bij de beoordeling mogen worden betrokken.

3.1. Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

Het betoog over de eigendomssituatie is een nader argument bij de beroepsgronden over hinder door laden en lossen. Naar het oordeel van de Afdeling is dit betoog niet zodanig ingewikkeld van aard of omvangrijk dat het aanvoeren daarvan ter zitting zich niet verdraagt met de goede procesorde. De tellingen van [appellant] en anderen van het aantal laad- en losbewegingen in de Julianastraat zijn eveneens ingebracht ter nadere onderbouwing van deze beroepsgronden. Ook deze gegevens zijn niet zodanig omvangrijk of complex dat het inbrengen daarvan ter zitting zich niet verdraagt met de goede procesorde.

Ontvankelijkheid

4. De raad betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk is, voor zover in beroep de uitvoerbaarheid van het gehele plan is bestreden. Hij betoogt dat de zienswijze van [appellant] en anderen over het ontwerpplan uitsluitend betrekking had op het plandeel dat de nieuw te realiseren voorzieningen aan de Julianastraat mogelijk maakt. Volgens de raad staat artikel 6:13 van de Awb er daarom aan in de weg dat [appellant] en anderen beroepsgronden over de uitvoerbaarheid van de overige delen van het plan aanvoeren.

4.1. Zoals hierboven onder 2 is vermeld, hebben [appellant] en anderen ter zitting toegelicht tegen welke onderdelen van het plan hun beroep zich richt. Wat betreft de gronden met de bestemming "Centrum - 1" is dat uitsluitend het plandeel met deze bestemming ter plaatse van het Mooilandblok. Hieruit leidt de Afdeling af dat de beroepsgrond over de financiële uitvoerbaarheid van het plan eveneens slechts betrekking heeft op de ontwikkelingen die het plan binnen het Mooilandblok mogelijk maakt en derhalve niet op het gehele plan. Gelet hierop behoeft het betoog van de raad geen verdere bespreking.

Algemeen toetsingskader

5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Uitvoerbaarheid van het plan

6. [appellant] en anderen voeren aan dat er als gevolg van de economische crisis onvoldoende vraag is naar de appartementen en winkel- en kantoorruimte die het plan mogelijk maakt. Zij stellen dat er in het centrum van Mill en in de gehele regio veel leegstand van winkelruimte is en dat de vraag naar woonappartementen stagneert. De raad heeft hiermee volgens hen bij de vaststelling van het plan geen rekening gehouden. [appellant] en anderen betogen dat de uitvoerbaarheid van het plan daarom onzeker is.

[appellant] en anderen wijzen er daarnaast op dat exploitatiemaatschappij OCM een negatief exploitatieresultaat verwacht en dat Mooiland Maasland, een belangrijke participant in de exploitatiemaatschappij, in financiële problemen verkeert. Volgens hen is daarom te verwachten dat OCM niet in staat zal blijken het plan binnen de planperiode te realiseren. Daarnaast voeren [appellant] en anderen aan dat geen planschaderisicoanalyse is gemaakt en geen planschadeovereenkomst met OCM is gesloten, zodat planschadeclaims zullen moeten worden betaald uit de algemene middelen. Ook daarom is de financiële uitvoerbaarheid van het plan volgens hen onzeker.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat er voldoende behoefte is aan de woningen en andere voorzieningen die het plan ter plaatse van het Mooilandblok mogelijk maakt. Ten aanzien van de woningen wijst de raad er daarbij op dat de te realiseren woningen zijn opgenomen in het gemeentelijke woningbouwprogramma. Voorts is de ontwikkeling volgens de raad in overeenstemming met de Woningmarktstrategie Land van Cuijk, waarin is vermeld dat in 2022 ruim 4000 woningen aan de regionale woningvoorraad moeten zijn toegevoegd, en met de Regionale Agenda Wonen, deel A van het RRO Noordoost-Brabant, waarin voor de gemeente Mill en Sint Hubert voor de periode 2013-2023 een woningbouwopgave van 550 woningen is opgenomen.

6.2. Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro wordt in dit besluit en de hierop berustende bepalingen onder stedelijke ontwikkeling verstaan: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder a, van het Bro voldoet de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan de voorwaarde dat wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte.

6.3. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.1 reeds is overwogen, begrijpt de Afdeling de beroepsgrond over de financiële uitvoerbaarheid aldus, dat deze alleen betrekking heeft op de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt ter plaatse van het Mooilandblok.

Uit de plantoelichting blijkt dat bij de herontwikkeling van het Mooilandblok de huidige bebouwing zal worden vervangen door een nieuw complex. Het nieuwe complex bestaat uit commerciële ruimten op de begane grond en 15 appartementen op de verdieping.

Uit de stukken waarnaar de raad heeft verwezen, blijkt dat de bouw van 15 appartementen past binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma en binnen de woningbouwopgave die in regionaal verband is gesteld. De Woningmarktstrategie en de Regionale Agenda Wonen zijn in december 2012 onderscheidenlijk december 2013 opgesteld. De Afdeling acht het daarom niet aannemelijk dat in die documenten geen rekening zou zijn gehouden met de effecten van de economische crisis op de woningmarkt. De Afdeling neemt verder in aanmerking dat zich in de bestaande situatie reeds appartementen en commerciële ruimten in het Mooilandblok bevinden. Ter zitting heeft de raad gesteld dat bij de herontwikkeling van het centrumgebied detailhandelsbedrijven worden verplaatst, maar dat er per saldo geen toename is. [appellant] en anderen hebben dit niet gemotiveerd bestreden.

Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er voldoende behoefte bestaat aan de commerciële ruimten en de 15 appartementen die het plan ter plaatse van het Mooilandblok mogelijk maakt. Er bestaat op dit punt dan ook geen grond voor het oordeel dat de raad er in redelijkheid niet van heeft kunnen uitgaan dat het plan binnen de planperiode van tien jaar kan worden uitgevoerd.

Het betoog faalt.

6.4. Uit de stukken blijkt dat de gemeente een anterieure overeenkomst over de realisatie van het project heeft gesloten met OCM, een samenwerkingsverband tussen een woningcorporatie en een private ontwikkelaar. De gemeente is met OCM overeengekomen dat het verwachte negatieve exploitatiesaldo gedeeltelijk met een subsidie van de gemeente zal worden aangevuld. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het resterende negatieve exploitatiesaldo zodanig is, dat het plan financieel niet uitvoerbaar is. Daarnaast hebben [appellant] en anderen hun stelling dat Mooiland Maasland in financiële problemen verkeert niet nader onderbouwd. Voor de uitvoerbaarheid van het plan binnen de planperiode is bovendien niet bepalend of OCM de kosten van de realisatie van het plan kan dragen. Ook als dat niet het geval is, is het immers mogelijk dat de kosten gedeeltelijk door een andere partij worden gedragen of dat een andere ontwikkelaar de herontwikkeling van het Mooilandblok realiseert als OCM daartoe niet in staat blijkt te zijn.

Anders dan [appellant] en anderen stellen, is tussen de gemeente en OCM een planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Gelet op de aard en omvang van de ontwikkelingen die het plan ter plaatse van het Mooilandblok mogelijk maakt en gelet op de bouw- en gebruiksmogelijkheden die het vorige plan reeds bevatte, acht de Afdeling het bovendien niet aannemelijk dat zodanige planschadevergoedingsverplichtingen ontstaan dat geen van de bij de gesloten anterieure overeenkomst betrokken partijen, waaronder de gemeente, die kosten zal kunnen dragen. Het is daarom niet aannemelijk dat de kosten van eventuele planschade aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] en anderen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad dit nader had moeten onderzoeken.

Gelet op het voorgaande bestaat ook in zoverre geen grond voor het oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan redelijkerwijs op voorhand had moeten inzien dat het plan binnen de planperiode niet uitvoerbaar is.

Het betoog faalt.

Laden en lossen

7. [appellant] en anderen kunnen zich er niet mee verenigen dat het plan in de Julianastraat het laden en lossen voor de bevoorrading van de winkels mogelijk maakt op de openbare weg.

8. Aan de openbare weg in de Julianastraat is in het plan de bestemming "Verkeer - Verblijfsgebied" toegekend. Niet in geschil is dat de planregels voor deze bestemming het gebruik van de gronden voor laden en lossen op de openbare weg mogelijk maken.

9. [appellant] en anderen voeren aan dat de raad bij de beoordeling van de gevolgen van het laden en lossen op de openbare weg niet van de juiste gegevens is uitgegaan.

In dat verband betogen zij allereerst dat de raad ten onrechte is uitgegaan van de gegevens in het verkeersrapport van Goudappel Coffeng van 11 juli 2012. [appellant] en anderen stellen dat het aantal verkeersbewegingen in de Julianastraat in dat rapport is onderschat. Het aantal verkeersbewegingen in de Julianastraat is volgens hen toegenomen door een wijziging van het verkeerscirculatieplan die na het opstellen van het rapport is ingegaan. Ook de verplaatsing van een scholencomplex naar de Langenboomseweg heeft volgens [appellant] en anderen geleid tot een toename van het aantal verkeersbewegingen in de Julianastraat.

Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat de raad ten onrechte heeft aangenomen dat het laden en lossen in de Julianastraat met slechts 6 vrachtwagens per week zal toenemen. Ook heeft de raad volgens hen het aantal laad- en losbewegingen in de huidige situatie onderschat. [appellant] en anderen hebben daarbij verwezen naar door hen uitgevoerde tellingen.

9.1. De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan gebaseerd op het verkeersonderzoek van Goudappel Coffeng, waarvan de resultaten in paragraaf 5.5 van de plantoelichting zijn weergegeven. Volgens de raad zijn de in het onderzoek gehanteerde uitgangspunten gebaseerd op verkeerstellingen uit 2010 en bestaat geen aanleiding aan de juistheid daarvan te twijfelen. De raad stelt verder dat de wijziging van het verkeerscirculatieplan in de Julianastraat slechts leidt tot een beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen.

Uit gegevens van de betrokken ondernemers blijkt volgens de raad dat de frequentie van het laden en lossen als gevolg van de ontwikkelingen met ongeveer 6 vrachtwagens per week zal toenemen.

9.2. Gelet op hetgeen hierover ter zitting naar voren is gebracht, kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat de wijziging van het verkeerscirculatieplan leidt tot een toename van het aantal verkeersbewegingen in de Julianastraat ten opzichte van hetgeen in het verkeersrapport is vermeld. Deze toename is echter zo gering, dat de verkeerssituatie niet wezenlijk verschilt van de situatie zoals die in het verkeersrapport is beschreven.

Op grond van het verhandelde ter zitting acht de Afdeling het niet aannemelijk dat de verplaatsing van het scholencomplex heeft geleid tot een wezenlijke toename van het aantal verkeersbewegingen in de Julianastraat ten opzichte van hetgeen in het verkeersrapport is vermeld. Daarbij is van belang dat de raad heeft gesteld dat het een basisschool met een dorpsfunctie betreft die eerst ten oosten van het plangebied stond en naar een locatie ten westen van het plangebied is verplaatst; aangenomen kan worden dat de verkeersstromen voor en na de verplaatsing van het scholencomplex ongeveer even groot zijn.

Wat betreft het aantal laad- en losbewegingen overweegt de Afdeling het volgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat als gevolg van de herstructurering van het plangebied veranderingen optreden in het laden en lossen van vrachtwagens bij de winkels in het plangebied. Door de verplaatsing van enkele winkels zal het aantal laad- en losbewegingen bij bepaalde winkelpanden toenemen, terwijl het laden en lossen ten behoeve van de supermarkt voortaan niet meer op de Julianastraat zal plaatsvinden. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad er ten onrechte van is uitgegaan dat door deze ontwikkelingen per saldo een toename van 6 laad- en losmomenten per week van vrachtwagens op de Julianastraat is te verwachten ten opzichte van de huidige situatie. De tellingen voor de huidige situatie die [appellant] en anderen hebben overgelegd, geven geen aanleiding voor een ander oordeel.

Het betoog faalt.

10. [appellant] en anderen voeren aan dat het laden en lossen op de openbare weg nu al veel overlast en verkeersonveilige situaties veroorzaakt. Dit zal volgens hen verder toenemen, aangezien het plan voorziet in een vergroting van het winkelgebied. Zij betogen dat het laden en lossen daarom niet op de Julianastraat, maar elders binnen het plangebied dient plaats te vinden. Ter zitting hebben [appellant] en anderen aangevoerd dat een deel van het trottoir in de Julianastraat, waaraan in het plan de bestemming "Verkeer - verblijfsgebied" is toegekend, hun eigendom is.

10.1. De raad stelt zich primair op het standpunt dat het gebruik van de Julianastraat voor laden en lossen een uitvoeringsaspect betreft en dat het plan op dit punt geen verandering inhoudt ten opzichte van het vorige plan, aangezien het laden en lossen op de openbare weg op grond van dat plan al was toegestaan. Subsidiair betoogt de raad dat het laden en lossen op de openbare weg en de toename daarvan met 6 vrachtwagens per week niet zal leiden tot verkeersonveilige situaties of een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat bij de omliggende woningen. In de Julianastraat wordt een extra laad- en losgedeelte buiten de rijbaan aangelegd. Daarnaast is de rijbaan met 5,50 m breed genoeg voor een veilige verkeersafwikkeling, aldus de raad. Verder wijst de raad er onder meer op dat wordt voldaan aan de richtafstand die in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten wordt aanbevolen.

10.2. De Afdeling stelt voorop dat het laden en lossen op de openbare weg in de Julianastraat een bestaande situatie betreft. Het aantal laad- en losbewegingen neemt als gevolg van de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt slechts in geringe mate toe. Het laden en lossen vindt plaats in speciaal daarvoor aan te leggen parkeervakken naast de rijbaan. Het plan maakt dit mogelijk. Door middel van een verkeersbesluit kan worden verzekerd dat tijdens de laad- en lostijden niet door andere voertuigen in deze parkeervakken wordt geparkeerd. Het laden en lossen ten behoeve van de supermarkt zal bovendien niet meer op de openbare weg plaatsvinden. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de Julianastraat voldoende ruimte aanwezig is voor het laden en lossen zonder dat de verkeersveiligheid ernstig in gevaar komt. Daarnaast heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat zich geen onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat zal voordoen.

De gestelde omstandigheid dat een deel van het trottoir eigendom is van [appellant] en anderen kan niet tot een andere conclusie leiden. Deze omstandigheid - wat daarvan ook zij - doet er namelijk niet aan af dat het trottoir tot de openbare weg behoort en als zodanig kan worden gebruikt. Evenmin staat de eigendom van een deel van het trottoir eraan in de weg dat een verkeersbesluit met betrekking tot deze gronden wordt genomen, waarbij bijvoorbeeld een parkeerverbod wordt ingesteld of het trottoir wordt aangewezen als parkeervak.

Voor zover [appellant] en anderen betogen dat hinder of onveilige verkeerssituaties ontstaan doordat bij het laden en lossen verkeersregels worden overtreden, betreft dit een aspect van handhaving dat in deze procedure niet ter beoordeling staat.

Het betoog faalt.

11. [appellant] en anderen vrezen voorts parkeeroverlast als gevolg van het laden en lossen op de openbare weg. Volgens hen heeft de raad bij de beoordeling van de parkeersituatie ten onrechte geen rekening gehouden met het gebruik van parkeerplaatsen in de Julianastraat als laad- en losplaats.

11.1. De raad heeft zich bij de vaststelling van het plan gebaseerd op het onderzoek "Parkeren Centrum Mill" van Goudappel Coffeng van 3 april 2013, dat als bijlage bij de plantoelichting is gevoegd. Volgens dit rapport is voorzien in voldoende parkeerplaatsen. De raad heeft gesteld dat de parkeerplaatsen langs de Julianastraat die gedurende een deel van de dag voor laden en lossen worden gebruikt extra parkeerplaatsen zijn, die niet zijn meegeteld in de parkeerbalans. Niet is gebleken dat dit onjuist is. Het betoog mist daarom feitelijke grondslag.

Luchtkwaliteit

12. [appellant] en anderen voeren aan dat in het luchtkwaliteitsonderzoek dat bij de voorbereiding van het plan is uitgevoerd, voor de Julianastraat is uitgegaan van onjuiste verkeersgegevens en geen rekening is gehouden met de laad- en losbewegingen van grote vrachtwagens ten behoeve van de supermarkt. Zij vrezen dat de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden zullen worden overschreden.

12.1. Bij de voorbereiding van het plan is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Volgens dit onderzoek wordt voldaan aan de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden.

12.2. Uit hetgeen hiervoor onder 9.2 is overwogen, volgt dat de raad bij de vaststelling van het plan kon uitgaan van de verkeersgegevens die zijn opgenomen in het verkeersrapport van Goudappel Coffeng van 11 juli 2012 dat bij de voorbereiding van het plan is opgesteld. Wel is, zoals hiervoor is overwogen, een geringe toename van het aantal verkeersbewegingen in de Julianastraat mogelijk als gevolg van het verkeerscirculatieplan. Uit het luchtkwaliteitsonderzoek blijkt bovendien niet dat rekening is gehouden met de gevolgen voor de luchtkwaliteit van het laden en lossen van vrachtwagens in de Julianastraat, bijvoorbeeld door het stationair draaien van motoren. Hoewel hierdoor de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit mogelijk zijn onderschat, kan er naar het oordeel van de Afdeling van worden uitgegaan dat de wettelijke grenswaarden niet zullen worden overschreden. De in het luchtkwaliteitsonderzoek berekende concentraties stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) en het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uursgemiddelde concentratie PM10 in de toekomstige situatie liggen namelijk zo ver onder de wettelijke grenswaarden, dat uitgesloten kan worden geacht dat de effecten van een beperkt aantal extra verkeersbewegingen en van het laden en lossen van vrachtwagens op de Julianastraat een overschrijding van de wettelijke luchtkwaliteitsgrenswaarden zullen veroorzaken.

Het betoog faalt.

Bouwmogelijkheden Mooilandblok

13. [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met de maximale bouw- en goothoogte die voor het Mooilandblok aan de kant van de Julianastraat in de planregels is opgenomen. Volgens hen heeft de raad in de reactie op de zienswijze over het ontwerpplan gesteld dat de maximale goothoogte en de maximale bouwhoogte niet volledig zullen worden benut, maar maken de planregels dat wel mogelijk. Volgens [appellant] en anderen is dit in strijd met de rechtszekerheid.

13.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, aanhef en onder c, van de planregels, in samenhang met de verbeelding, mag de goothoogte voor de aan de Julianalaan gelegen gronden met de bestemming "Centrum - 1" niet meer bedragen dan 8 m.

Ingevolge lid 3.2.1, aanhef en onder d, in samenhang met de verbeelding, mag de bouwhoogte voor deze gronden niet meer bedragen dan 10 m.

13.2. In paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting is de beoogde invulling van het Mooilandblok beschreven. Daaruit blijkt dat bij de voorgenomen invulling aan de kant van de Julianastraat de maximale bouw- en goothoogte niet voor het gehele blok volledig worden benut. De raad stelt dat het voorgenomen bouwplan binnen de bouwmogelijkheden van het plan kan worden gerealiseerd en in overeenstemming is met het voor het gebied vastgestelde document "Uitgangspunten Beeldkwaliteit Centrum Mill" (hierna: het Beeldkwaliteitsplan) van 15 mei 2008. Het Beeldkwaliteitsplan waarborgt volgens de raad een wisselend gevelbeeld, dat zich mede uit in de afwisseling van hoogtes. In het kader van de welstandstoets wordt aan het Beeldkwaliteitsplan getoetst, aldus de raad.

Ter zitting heeft de raad echter te kennen gegeven dat volgens hem in ieder geval voor een deel van het blok met een lagere maximale bouw- en goothoogte in de planregels kan worden volstaan. In het bijzonder acht de raad het thans niet bezwaarlijk als ter hoogte van de woning Stationsstraat 5 maximaal twee bouwlagen zonder topgevel mogelijk worden gemaakt. Nu de raad zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiertoe aanleiding hebben gegeven, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit wat betreft dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

14. [appellant] en anderen vrezen aantasting van hun privacy, onder meer door inkijk vanaf de dakterrassen van het Mooilandblok. Het plan bevat volgens hen ten onrechte geen regels om de privacy te waarborgen.

14.1. De raad stelt dat de bebouwing die het plan ter plaatse van het Mooilandblok mogelijk maakt, mogelijk zal leiden tot een beperkte aantasting van de privacy ter plaatse van de percelen van [appellant] en anderen. De raad acht deze aantasting aanvaardbaar. Hij betoogt in dat verband dat de woningen van [appellant] en anderen zich in het dorpscentrum binnen een stedelijke omgeving bevinden, waar op grond van het vorige plan reeds ruime bouwmogelijkheden bestonden. De raad wijst er bovendien op dat bij de verdere uitwerking van het bouwplan rekening wordt gehouden met het creëren van voldoende afscherming tussen de dakterrassen en ontsluitingen van de appartementen, zodat de inkijk in de woning en tuin van de woning Stationsstraat 5 zo veel mogelijk wordt beperkt. In verband hiermee maakt het plan een erfafscheiding op de verdieping tot een hoogte van 2 m mogelijk.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van de privacy ter plaatse van de percelen van [appellant] en anderen niet zo ernstig zal zijn, dat hierover nadere regels in de planregels hadden moeten worden opgenomen.

Het betoog faalt.

15. [appellant] en anderen betogen verder dat voorafgaand aan de vaststelling van het plan ten onrechte geen bezonningsonderzoek is uitgevoerd. Hierdoor was ten tijde van de vaststelling van het plan onduidelijk welke effecten de door het plan mogelijk gemaakte bebouwing bij hun woningen veroorzaakt.

Over de bezonningsstudie die na de vaststelling van het plan alsnog is opgesteld, voeren [appellant] en anderen aan dat deze ten onrechte is gebaseerd op het concrete bouwplan en niet op de maximale bouwmogelijkheden die het plan bevat.

15.1. De raad stelt dat de bebouwing die het plan ter plaatse van het Mooilandblok mogelijk maakt zal leiden tot een afname van de daglichttoetreding bij de percelen van [appellant] en anderen. Dit geldt in het bijzonder voor het perceel Stationsstraat 5. De raad acht deze effecten aanvaardbaar. Hij betoogt in dat verband dat de schaduwwerking beperkt is en dat de woningen van [appellant] en anderen zich in het dorpscentrum binnen een stedelijke omgeving bevinden, waar op grond van het vorige plan reeds ruime bouwmogelijkheden bestonden.

Na de vaststelling van het plan is alsnog een bezonningsonderzoek uitgevoerd. Bij brief van 24 maart 2014 heeft de raad het rapport "Bezonningsstudie Mooilandblok Mill" van Op ten Noort Blijdenstein Architecten en adviseurs van 18 maart 2014 als nader stuk ingebracht.

15.2. Nu volgens de raad nadelige gevolgen voor de daglichttoetreding bij met name de woning aan de Stationsstraat 5 te verwachten waren en pas na de vaststelling van het plan gericht onderzoek naar de omvang van deze gevolgen is verricht, heeft de raad bij de voorbereiding van het plan niet de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:2 van de Awb.

De Afdeling stelt verder vast dat in het uitgevoerde bezonningsonderzoek is uitgegaan van het voorgenomen bouwplan, waarin de in het plan vastgelegde maximale bouw- en goothoogte niet volledig worden benut. Het onderzoek is derhalve niet gebaseerd op de maximale mogelijkheden van het plan.

Herhaling zienswijzen

16. [appellant] en anderen hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] en anderen hebben in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Bestuurlijke lus

17. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Daartoe zal de Afdeling een termijn stellen. De raad dient daartoe:

- met inachtneming van overweging 13.2 de planregeling voor de langs de Julianalaan gelegen gronden waaraan in het plan de bestemming "Centrum - 1" met een aanduiding voor een maximale bouwhoogte van 10 m en een maximale goothoogte van 8 m is toegekend, zodanig aan te passen dat de bouwmogelijkheden in overeenstemming zijn met hetgeen de raad thans maximaal wenselijk acht;

- met inachtneming van overweging 15.2 alsnog de effecten van de hiervoor bedoelde bebouwing van het Mooilandblok voor de daglichttoetreding bij de woningen van [appellant] en anderen te onderzoeken op grondslag van de maximale planologische mogelijkheden die het plan bevat, tenzij de maximale planologische mogelijkheden in het nieuwe besluit overeenkomen met de situatie die in het bezonningsonderzoek van 18 maart 2014 is onderzocht;

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Bij de voorbereiding van het nieuwe besluit behoeft afdeling 3.4 van de Awb niet te worden toegepast.

De Afdeling ziet tevens aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb zoals hierna vermeld.

Proceskosten

18. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en de vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. draagt de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert op om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak:

a. met inachtneming van overweging 17 de daar omschreven gebreken te herstellen, en

b. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van de raad van de gemeente Mill en Sint Hubert van 19 september 2013, kenmerk Z/M/13/00541, voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de bestemming "Centrum - 1" wat betreft het zogeheten Mooilandblok, zoals aangeduid op de bij deze tussenuitspraak behorende kaart.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Teuben

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

483.