Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:194

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-01-2014
Datum publicatie
29-01-2014
Zaaknummer
201300324/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 december 2011 heeft de minister een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het Tracébesluit N9 Koedijk-De Stolpen (hierna: het Tracébesluit) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201300324/1/A2.

Datum uitspraak: 29 januari 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 15 november 2012 in zaak nr. 12/920 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Infrastructuur en Milieu.

Procesverloop

Bij besluit van 7 december 2011 heeft de minister een verzoek om vergoeding van schade als gevolg van het Tracébesluit N9 Koedijk-De Stolpen (hierna: het Tracébesluit) afgewezen.

Bij besluit van 9 maart 2012 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 november 2012 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 november 2013, waar [appellante] en de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Herczog en N.T.W. Prinse, beiden werkzaam bij Rijkswaterstaat Noord-Holland, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 20d, eerste lid, van de Tracéwet, zoals dit gold ten tijde van de aanvraag, kent de minister, indien een belanghebbende ten gevolge van een Tracébesluit schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet, of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en ten aanzien waarvan de vergoeding niet of niet anderszins is verzekerd, een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2. [appellante] stelt schade te hebben geleden als gevolg van het Tracébesluit N9 Koedijk-De Stolpen van 15 december 2006, dat voorziet in de aanpassing van de rijksweg N9 ter hoogte van de dorpskernen Schoorldam en De Stolpen. Door de omlegging van de N9 ter hoogte van Schoorldam is de N9 dichter bij haar woning komen te liggen. [appellante] is sinds 24 maart 2000 eigenaresse van het perceel [locatie] te Schoorl.

3. De minister heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, conform het advies van de schadecommissie van 9 november 2011, omdat de omlegging van de N9 nabij het perceel van [appellante] ten tijde van de aankoop van haar woning voorzienbaar was, zodat zij wordt geacht het risico dat de planologische situatie op die gronden zou veranderen, te hebben aanvaard.

4. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de planologische wijziging voor [appellante] voorzienbaar was. De omstandigheid dat [appellante] ten tijde van de aankoop van de woning in het buitenland verbleef en vertrouwde op de door haar ingeschakelde notaris dient in haar verhouding tot de minister voor haar risico te blijven.

5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister voorzienbaarheid aan heeft kunnen nemen op grond van de in september 1998 vastgestelde Trajectnota N9 Koedijk-De Stolpen (hierna: de trajectnota).

5.1. Indien ten tijde van de aankoop van een onroerende zaak voor een redelijk denkend en handelend koper aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie ter plaatse in ongunstige zin zou veranderen, is de planschade voorzienbaar en blijft deze voor rekening van de koper, omdat hij in dat geval wordt geacht de mogelijkheid van verwezenlijking van de negatieve ontwikkeling te hebben aanvaard. Om voorzienbaarheid te kunnen aannemen, is vereist dat er een concreet beleidsvoornemen is dat openbaar is gemaakt, niet dat een dergelijk beleidsvoornemen een formele status heeft.

5.2. Niet in geschil is dat de trajectnota een concreet beleidsvoornemen, als hiervoor bedoeld, behelst en dat de trajectnota blijkt dat een deel van het tracé van de N9 na omlegging dichter in de buurt van het perceel zou komen te liggen. In de trajectnota worden verschillende alternatieven en varianten voor de omlegging van de N9 beschreven, waarbij de N9 zich steeds verplaatst naar het westen in de richting van het perceel van [appellante]. Aan de trajectnota is in voldoende mate bekendheid gegeven, omdat de trajectnota ter inzage is gelegd en van deze terinzagelegging kennis is gegeven in het Noord-Hollands dagblad. In die situatie moest [appellante], ten tijde van de koop van het perceel, als redelijk denkend en handelend koper rekening houden met de kans dat de planologische situatie in de buurt van het perceel in voor haar ongunstige zin zou veranderen. Daaraan doet niet af dat de precieze planologische invulling van de omlegging van de N9 nog niet vaststond. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013 in zaak nr. 201204628/1/A2.

Het betoog faalt.

6. [appellante] betoogt voorts dat de weigering van de minister om haar schade te vergoeden en haar voorzienbaarheid tegen te werpen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe stelt zij dat de minister in de buurt een huis heeft aangekocht van een familie die dat later dan zij heeft verworven.

6.1. De minister heeft niet gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door over te gaan tot aankoop van het huis van de familie [naam]. Het perceel van de familie [naam] is, in tegenstelling tot het perceel van [appellante], door de wijziging van het ontwerptracébesluit in 2006 direct naast de N9 komen te liggen. De grensverschuiving in het ontwerptracébesluit heeft voor [appellante] juist tot gevolg gehad dat de N9 in vergelijking tot de trajectnota minder dicht bij haar perceel is komen te liggen.

Het betoog faalt.

7. [appellante] betoogt verder dat de minister in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door haar schade niet te vergoeden. Daartoe voert zij aan dat de minister heeft nagelaten een tweede bod uit te brengen op haar huis.

8. In 2002 is de minister door een aantal bewoners op de Damweg, waaronder [appellante], benaderd met de vraag of de minister hun huis wilde aankopen in verband met de verlegging van de N9. De minister is overgegaan tot anticiperende grondverwerving en heeft huizen aangekocht die waarschijnlijk dichtbij het tracé zouden komen te liggen. Uit de brief van 9 december 2002 blijkt dat ook [appellante] een aanbod heeft ontvangen, maar dit heeft afgewezen omdat er meer dan 100% verschil zat tussen haar vraagprijs en het aanbod van de minister. Het feit dat de privaatrechtelijke onderhandelingen over aankoop niet zijn vervolgd, brengt niet met zich mee dat zij in deze procedure recht heeft op vergoeding van schade die voorzienbaar moet worden geacht.

9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van staat.

w.g. Polak w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2014

299.