Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1938

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201310327/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 juni 2013, nummer GEM - 1101280/7918, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201310327/1/R2.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Multi Continental Recycling B.V., gevestigd te Culemborg,

2. [appellant sub 2], wonend te Culemborg,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Culemborg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2013, nummer GEM - 1101280/7918, heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben MCR B.V. en [appellant sub 2] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar MCR B.V., vertegenwoordigd door mr. A.A.P.M. Theunen, advocaat te Deurne, [appellant sub 2], bijgestaan door mr. W. Visser, en de raad, vertegenwoordigd door M. Bonouvrié, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een actueel juridisch-planologisch kader voor het gehele buitengebied van de gemeente Culemborg. In het plan is zoveel mogelijk aangesloten bij de feitelijke situatie en zijn bestaande rechten zoveel mogelijk gerespecteerd.

Het beroep van MCR B.V.

3. MCR B.V. betoogt dat het plan ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid tot het bouwen van een bedrijfswoning op haar perceel Parallelweg West 69. Zij voert hiertoe aan dat de noodzaak van een bedrijfswoning aanwezig is. Beveiliging tegen diefstal en brand en de registratie- en identificatieplicht vanuit de Wet Koperslag met bijbehorende administratieve processen vergen permanente aanwezigheid van een medewerker op het terrein. MCR B.V. richt zich in beroep voorts tegen de maximale bouwhoogte van 9 meter. Hiertoe voert zij aan dat ten onrechte geen bouwhoogte van 12 meter is mogelijk gemaakt, al dan niet via een afwijkingsbevoegdheid. Daarbij wijst zij op nieuwe ontwikkelingen in de branche die, om efficiënt te kunnen werken, op termijn extra verlengde armen bij de overslag gewenst maken. MCR B.V. voert aan dat voor agrarische bedrijven wel een hogere bouwhoogte is toegestaan en dat op een nabijgelegen perceel een hoge schoorsteen staat.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat bedrijfswoningen in het buitengebied onwenselijk worden geacht en dat er ook geen noodzaak bestaat tot realisering van een dienstwoning, nu de door MCR B.V. aangehaalde beveiligings- en administratieve processen ook op een andere wijze kunnen worden georganiseerd. Voorts voorzag het vorige plan ook in een bouwhoogte van 9 meter en is niet gebleken van concrete plannen op grond waarvan een grotere bouwhoogte nodig is. Mede gezien de ligging van het perceel in het buitengebied, acht de raad een bouwhoogte van 12 meter niet aanvaardbaar.

3.2. MCR B.V. is gevestigd op perceel Parallelweg West 69. Aan de gronden is de bestemming "Bedrijf" toegekend met de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten (-bw)". Volgens het uittreksel Handelsregister Kamer van Koophandel exploiteert MCR B.V. een groothandel in non-ferrometalen en halffabrikaten. Tevens is sprake van in- en verkoop en het (laten) bewerken van oude en nieuwe metalen, alsmede de exploitatie van kabelverwerkende bedrijven.

Ingevolge artikel 6, lid 6.1.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven.

Ingevolge lid 6.2.3. geldt voor bedrijfsgebouwen het volgende:

a. de goothoogte bedraagt niet meer dan 4 m;

b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 9 m.

3.3. Ter zitting heeft de raad nader toegelicht dat in het plan in beginsel alleen de bestaande bedrijfswoningen als zodanig zijn bestemd, omdat hij bedrijfswoningen in het buitengebied vanuit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk acht. Indien de noodzaak voor een bedrijfswoning is aangetoond, wordt bezien of aan de realisering daarvan kan worden meegewerkt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 januari 2010 in zaak nr. 200903254/1/H1) is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Het is aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat de bedrijfsprocessen zoveel tijd en aandacht van hem vragen, dat een redelijk belang bestaat om op het perceel te wonen.

Uit de inbraakgevoeligheid, de brandveiligheid en de identificatie- en registratieverplichting voor de handel in koper vloeit niet rechtstreeks de noodzaak van een bedrijfswoning voort. Ook ten aanzien van de aanwezigheid van een geijkte weegbrug heeft MCR B.V. niet nader onderbouwd waarom een bedrijfswoning noodzakelijk is.

De Afdeling overweegt dat de raad zich op goede gronden op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is gemaakt dat er voor een bedrijfswoning op het bedrijfsperceel van MCR B.V. een noodzaak bestaat. In het aangevoerde bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten (-bw)" aan het plandeel heeft kunnen toekennen. Het betoog faalt.

3.4. Over de bouwhoogte overweegt de Afdeling dat niet in geschil is dat de bestaande bedrijfsgebouwen op het perceel niet hoger dan 9 meter zijn. Voorts is niet gebleken van een concreet bouwplan waarvoor een grotere bouwhoogte nodig is.

Over de door MCR B.V. gemaakte vergelijking met de maximale bouwhoogte voor agrarische bedrijfsgebouwen, wordt overwogen dat de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie omdat voor een aantal typen agrarische bedrijfsgebouwen een hoogte van 10 meter nodig is. Voorts horen agrarische gebouwen volgens de raad ook in het buitengebied. In hetgeen MCR B.V. heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door MCR B.V. genoemde situatie niet overeenkomt met de thans aan de orde zijnde situatie. Mede gezien de ligging nabij de Ecologische Hoofdstructuur en in het nationaal landschap "Nieuwe Hollandse Waterlinie" heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een grotere bouwhoogte voor bedrijfsgebouwen dan 9 meter niet wenselijk is. Het enkele feit dat in de nabijheid van het perceel een schoorsteen staat die wel hoger is dan 9 meter maakt dit niet anders, nu een schoorsteen een andere landschappelijke uitstraling heeft dan een bedrijfsgebouw.

Het betoog faalt.

3.5. Gelet op het voorgaande is het beroep van MCR B.V. ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2]

4. [appellant sub 2] stelt dat in het plan ten onrechte de planregel is opgenomen dat uitsluitend bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen is toegestaan. Hij voert aan dat zijn recreatiewoning destijds voor privégebruik is aangekocht en dat het feitelijk gebruik niet twee keer onder het overgangsrecht mag worden gebracht. Tevens wijst hij erop dat een groot deel van de recreatiewoningen in particuliere eigendom is en dat de uitvoerbaarheid van de bestemming in dat opzicht niet is aangetoond.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een wijziging ten opzichte van het vorige plan, omdat in het vorige plan, op grond waarvan de recreatiewoningen planologisch mogelijk zijn gemaakt, ook de bepaling was opgenomen dat de gronden voor verblijfsrecreatie waren bestemd. Ook in dit plan werd onder verblijfsrecreatie uitsluitend bedrijfsmatige exploitatie van recreatiewoningen en kampeermiddelen verstaan. Met deze bepaling wordt alleen permanente bewoning van de recreatiewoning tegengegaan. Dat een aantal woningen in particulier eigendom is, maakt hiervoor geen verschil, aldus de raad.

4.2. [appellant sub 2] is eigenaar van de recreatiewoning aan de Rietveldseweg 21A-117. Zijn recreatiewoning staat op het recreatiepark ‘Parc Beaugarde’. In het plan is aan het recreatiepark de bestemming "Recreatie-Verblijfsrecreatie" toegekend.

4.2.1. Ingevolge artikel 12, lid 12.1.1 aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Recreatie-Verblijfsrecreatie" aangewezen gronden bestemd voor verblijfsrecreatievoorzieningen.

Ingevolge artikel 12, lid 12.1.2, aanhef en onder b, is als nadere detaillering van het bepaalde in artikel 12, lid 12.1.1, opgenomen dat verblijfsrecreatievoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan indien deze bedrijfsmatig worden geëxploiteerd.

Ingevolge artikel 12, lid 12.5.1, aanhef en onder a, wordt tot een gebruik in strijd met deze bestemming mede verstaan een gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van woondoeleinden.

Ingevolge artikel 1, lid 1.114, wordt onder ‘verblijfsrecreatie’ verstaan recreatie in ruimten welke zijn bestemd of opgericht voor recreatief nachtverblijf zoals een recreatiewoning, groepsaccommodatie/logeergebouw, pension, bed & breakfast, kampeermiddel of trekkershut door personen, die hun hoofdwoonverblijf elders hebben, en waarbij er geen sprake is van permanente bewoning.

Ingevolge artikel 1, lid 1.17, wordt onder ‘bedrijfsmatige exploitatie’ verstaan het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de logiesverblijven daadwerkelijk permanent wisselende recreatieve (nacht)verblijfsmogelijkheden worden geboden.

4.3. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hij met de planregeling alleen heeft beoogd om permanente bewoning van recreatiewoningen tegen te gaan en niet om individueel recreatief gebruik en individuele verhuur onmogelijk te maken. De Afdeling stelt echter vast dat in artikel 12, lid 12.1.2, onder b, is bepaald dat verblijfsrecreatievoorzieningen uitsluitend zijn toegestaan indien deze bedrijfsmatig worden geëxploiteerd. De raad heeft derhalve niet mogelijk gemaakt wat hij heeft beoogd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad het bestreden besluit niet met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid heeft voorbereid.

4.4. In hetgeen [appellant sub 2] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover dat ziet op artikel 12, lid 12.1.2, onder b, van de planregels is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre te worden vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van [appellant sub 2] geen bespreking meer.

4.5. Uit oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening, ziet de Afdeling aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Proceskosten

5. Ten aanzien van [appellant sub 2] dient de raad op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Ten aanzien van MCR B.V. bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 2] gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Culemborg van 20 juni 2013, nummer GEM - 1101280/7918, voor zover het betreft artikel 12, lid 12.1.2, onder b, van de planregels;

III. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Multi Continental Recycling B.V. ongegrond;

IV. draagt de raad van de gemeente Culemborg op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel II. wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, http://www.ruimtelijkeplannen.nl;

V. veroordeelt de raad van de gemeente Culemborg tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1005,54 (zegge: duizendenvijf euro en vierenvijftig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de raad van de gemeente Culemborg aan [appellant sub 2] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van drs. M.H. Kuggeleijn-Jansen, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Kuggeleijn-Jansen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

545-815.