Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1926

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201309787/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:8293, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 april 2012 heeft de Belastingdienst, voor zover thans van belang, het eerder verleende voorschot huurtoeslag aan [appellante] over het jaar 2012 herzien en op nihil gesteld.

Wetsverwijzingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JHG 2014/67
JB 2014/152 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309787/1/A2.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 19 september 2013 in zaak nr. 12/3142 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Belastingdienst/Toeslagen.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2012 heeft de Belastingdienst, voor zover thans van belang, het eerder verleende voorschot huurtoeslag aan [appellante] over het jaar 2012 herzien en op nihil gesteld.

Bij besluit van 30 mei 2012 heeft de Belastingdienst het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de Belastingdienst het besluit van 30 mei 2012 herzien en het bezwaar van [appellante], voor zover dit betrekking heeft op de periode januari tot en met mei 2012, alsnog gegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] ingestelde beroep, voor zover van belang, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Belastingdienst heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. J. van Bennekom, advocaat te Amsterdam, en de Belastingdienst, vertegenwoordigd door mr. J.H.E. van der Meer, werkzaam bij die dienst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 34, eerste lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) erkent en eerbiedigt de Unie onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden het recht op toegang tot socialezekerheidsvoorzieningen en sociale diensten die bescherming bieden in omstandigheden zoals moederschap, ziekte, arbeidsongevallen, afhankelijkheid of ouderdom, alsmede bij verlies van arbeid.

Ingevolge het tweede lid heeft eenieder die legaal in de Unie verblijft en zich daar legaal verplaatst, recht op socialezekerheidsvoorzieningen en sociale voordelen overeenkomstig het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken.

Ingevolge het derde lid erkent en eerbiedigt de Unie, om sociale uitsluiting en armoede te bestrijden, het recht op sociale bijstand en op bijstand voor huisvesting, teneinde eenieder die niet over voldoende middelen beschikt, onder de door het recht van de Unie en de nationale wetgevingen en praktijken gestelde voorwaarden een waardig bestaan te verzekeren.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, zijn de bepalingen van het Handvest gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (hierna: Awir) heeft de belanghebbende, ingeval de partner van de belanghebbende een vreemdeling is die niet rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), geen aanspraak op een tegemoetkoming.

2. [appellante] heeft de Nederlandse nationaliteit. Zij is sinds 22 september 2004 gehuwd met [partner], die de Marokkaanse nationaliteit heeft.

Bij besluit van 9 oktober 2012 heeft de Belastingdienst alsnog aan [appellante] voor de periode januari tot en met mei 2012 een voorschot huurtoeslag toegekend. Voorts heeft de Belastingdienst bij dat besluit bepaald dat [appellante] voor de maanden juni tot en met december 2012 geen recht heeft op huurtoeslag, omdat uit de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) verstrekte gegevens blijkt dat haar toeslagpartner vanaf 11 mei 2012 geen rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8 van de Vw 2000 meer had.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het niet verlenen van een voorschot huurtoeslag over de maanden juni tot en met december 2012 in strijd is met artikel 34 van het Handvest. Daartoe voert zij aan dat het Hof van Justitie (hierna: het Hof) in het arrest van 24 april 2012, zaak C-571/10, Servet Kamberaj (www.curia.europa.eu; hierna: het arrest Kamberaj), heeft geoordeeld dat het recht op huurtoeslag onder artikel 34 van het Handvest valt. Huurtoeslag heeft tot doel om te waarborgen dat zij een dak boven haar hoofd heeft, hetgeen een in artikel 34 van het Handvest gegarandeerd recht is, aldus [appellante]. Daarnaast heeft zij onder meer gewezen op het arrest van het Hof van Justitie van 26 februari 2013, zaak C-617/10, � kerberg Fransson (www.curia.europa.eu; hierna: het arrest � kerberg Fransson).

3.1. Ingevolge artikel 51, eerste lid, van het Handvest zijn de bepalingen van dat Handvest slechts gericht tot de lidstaten, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Belastingdienst met de nihilstelling van het voorschot huurtoeslag aan [appellante], voor zover deze betrekking heeft op de periode juni tot en met december 2012, geen recht van de Unie ten uitvoer heeft gebracht aangezien met de regelingen waarop dit besluit is gebaseerd het Unierecht, anders dan in het arrest � kerberg Fransson, niet wordt omgezet of anderszins bij dit recht wordt aangeknoopt. Zie in dit verband de arresten van het Hof van Justitie van 7 juni 2012, zaak C-27/11, Vinkov, punt 59, en van 6 maart 2014, zaak C-206/13, Cruciano Siragusa, punten 20, 21, 24, 25, 26 en 29 (www.curia.europa.eu). Derhalve valt dit besluit niet binnen de materiële werkingssfeer van het Handvest. Reeds daarom heeft de rechtbank terecht geen strijd met het Handvest aanwezig geacht.

Voorts doet de in het door [appellante] aangehaalde arrest Kamberaj bedoelde situatie zich hier niet voor, nu dat arrest ziet op een situatie waarin een lidstaat in het concrete geval toepassing heeft gegeven aan richtlijn 2003/109/EG en daarmee Unierecht ten uitvoer heeft gebracht.

Het betoog faalt.

4. [appellante] betoogt dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 20 september 2011, Ullens de Schooten en Rezabek tegen België, nrs. 3989/07 en 38353/07 (www.echr.coe.int), nu zij niet heeft gemotiveerd om welke reden de door haar voorgestelde prejudiciële vragen niet behoeven te worden gesteld.

4.1. Gelet op hetgeen hiervoor in 3.1 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien tot het stellen van prejudiciële vragen aangezien het Unierecht niet van toepassing is.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. B. van Dokkum, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Van Dokkum

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

480-705.