Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201309583/1/A2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2013:5619, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 juli 2012 heeft de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratiecommissie (thans: de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten; hierna: de Registratiecommissie) geweigerd [appellante] in te schrijven in het register van erkende huisartsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309583/1/A2.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 4 september 2013 in zaak nr. 12/6280 in het geding tussen:

[appellante]

en

de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten.

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2012 heeft de Huisarts en Verpleeghuisarts Registratiecommissie (thans: de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten; hierna: de Registratiecommissie) geweigerd [appellante] in te schrijven in het register van erkende huisartsen.

Bij besluit van 2 november 2012 heeft de Registratiecommissie het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 4 september 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De Registratiecommissie heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] en de Registratiecommissie hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2014, waar [appellante], en de Registratiecommissie, vertegenwoordigd door mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht, en [secretaris] van de Registratiecommissie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij besluit van 2 juli 1999, gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2000, heeft de Registratiecommissie een aanvraag van [appellante] om haar in het register van erkende huisartsen in te schrijven, afgewezen, omdat niet was voldaan aan de in artikel 2 van het Besluit CHVG no. 1-1996 neergelegde voorwaarde dat zij een specifieke opleiding tot huisarts van tenminste twee jaar heeft gevolgd.

Bij besluit van 15 juli 2011 heeft de Registratiecommissie een nieuwe aanvraag van [appellante] onder verwijzing naar haar eerdere besluitvorming afgewezen, omdat daarbij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn vermeld.

2. Bij aanvraag van 17 april 2012 heeft [appellante] de Registratiecommissie opnieuw verzocht om inschrijving in het register van erkende huisartsen. Bij besluit van 19 juli 2012, gehandhaafd bij besluit van 2 november 2012, heeft de Registratiecommissie ook deze aanvraag afgewezen op de grond dat [appellante] daarbij geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft vermeld.

3. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Registratiecommissie haar aanvraag op die grond mocht afwijzen. Daartoe heeft zij onder meer aangevoerd dat zij op 24 augustus 2011 op de tabel van de Provinciale Raad van de Orde van Geneesheren van Antwerpen is ingeschreven. Verder heeft [appellante] gesteld dat ze in andere delen van het Koninkrijk der Nederlanden, te weten Saba, Sint Eustatius, Bonaire en Sint Maarten, wel als huisarts wordt erkend en dat huisarts [naam], alsmede diverse artsen uit Zuid-Afrika in het register van erkende huisartsen zijn ingeschreven, terwijl ook zij geen specifieke opleiding tot huisarts te hebben gevolgd. Ten slotte heeft ze erop gewezen dat de weigering van haar aanvraag tot gevolg heeft dat haar patiënten in apotheken en ziekenhuizen niet worden geholpen en dat de door haar verleende hulp niet door verzekeringsmaatschappijen wordt vergoed.

3.1. Uit de rechtspraak van de Afdeling (uitspraak van 6 maart 2008 in zaak nr. 200706839/1) vloeit voort dat, indien een bestuursorgaan na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking neemt, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Dit uitgangspunt geldt niet alleen voor besluiten genomen naar aanleiding van een nieuwe aanvraag, maar ook voor besluiten op een verzoek om terug te komen van een al dan niet op aanvraag genomen besluit (uitspraak van de Afdeling van 4 mei 2005 in zaak nr. 200406320/1). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kan de bestuursrechter dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen, toetsen.

3.2. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Is hieraan voldaan, dan doen zich niettemin geen feiten of omstandigheden voor die een - hernieuwde - toetsing rechtvaardigen, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen.

3.3. De omstandigheid dat [appellante] op 24 augustus 2011 op de tabel van de Provinciale Raad van de Orde van Geneesheren van Antwerpen is ingeschreven, rechtvaardigt geen hernieuwde toetsing van de afwijzing van haar aanvraag. Met die inschrijving is nog steeds niet voldaan aan de, thans in het Kaderbesluit CHVG neergelegde, voorwaarde dat zij een specifieke opleiding tot huisarts heeft afgerond, zodat op voorhand is uitgesloten dat deze omstandigheid tot inschrijving in het register van erkende huisartsen zou moeten leiden.

Eveneens is uitgesloten dat het beroep van [appellante] op het gelijkheidsbeginsel, daargelaten of daarmee sprake is van nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, tot die inschrijving zou moeten leiden. Haar situatie is rechtens niet vergelijkbaar met die van [naam], omdat hij, anders dan [appellante], op grond van een overgangsregeling als huisarts kon worden geregistreerd.

Voorts heeft [appellante] haar stelling dat zij in andere delen van het Koninkrijk der Nederlanden als huisarts wordt erkend en dat diverse Zuid-Afrikaanse artsen zonder specifieke huisartsenopleiding in het register van erkende huisartsen zijn ingeschreven, niet met bewijsstukken onderbouwd. Van de juistheid van deze stelling kan daarom niet worden uitgegaan, zodat van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden geen sprake kan zijn.

Datzelfde geldt voor hetgeen [appellante] overigens heeft aangevoerd, nu dat feiten en omstandigheden betreft die door de Registratiecommissie reeds in haar eerdere besluitvorming zijn betrokken of die door [appellante] voorafgaand daaraan konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd.

Ten slotte is niet gebleken van een relevante wijziging van het recht en heeft [appellante] niet aangetoond dat zich buitengewone omstandigheden voordoen, waarin zeer zwaarwegende belangen op het spel staan die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen. Daarvoor is onvoldoende dat de weigering van haar aanvraag tot gevolg heeft dat haar patiënten in apotheken en ziekenhuizen niet worden geholpen, nu deze patiënten zich tot een geregistreerde huisarts kunnen wenden. Dat [appellante] door verzekeraars niet voor haar diensten wordt betaald zolang zij niet als huisarts is geregistreerd, is evenmin een voldoende zwaarwegend belang.

Gelet op het vorenstaande, is geen plaats voor toetsing van het besluit van de Registratiecommissie tot afwijzing van de aanvraag van [appellante] om inschrijving in het register van erkende huisartsen. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Krokké, ambtenaar van staat.

w.g. Van Altena w.g. Krokké

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

686.