Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1918

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201309860/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Langeweg 62 Anna Jacobapolder" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309860/1/R2.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Sint Philipsland, gemeente Tholen,

en

de raad van de gemeente Tholen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 september 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Langeweg 62 Anna Jacobapolder" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.M. Breukers, en de raad, vertegenwoordigd door ing. P.A.W. Quist, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [initiatiefnemer], gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet onder meer in de realisatie van drie woningen aan de Langeweg 62 te Anna Jacobapolder. Daartoe wordt de bedrijfsbebouwing met een oppervlakte van 3.000 m² van de op dit perceel bestaande varkenshouderij gesloopt.

3. [appellant] heeft bezwaar tegen deze drie in het plan voorziene woningen. Hij betoogt dat de raad bij de vaststelling van het plan ten onrechte is uitgegaan van de ruimte voor ruimte-regeling zoals die luidde tot 23 september 2010. [appellant] voert hiertoe aan dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen als bedoeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) op grond waarvan de raad ervan kon afzien de nadien aangescherpte ruimte voor ruimte-regeling toe te passen.

4. De raad stelt zich op het standpunt dat in dit geval bij het nemen van het bestreden besluit de ruimte voor ruimte-regeling zoals die luidde tot 23 september 2010 dient te worden toegepast.

5. De ruimte voor ruimte-regeling betreft onder meer de sloop van niet beeldbepalende vrijkomende agrarische bebouwing in het buitengebied, waaronder voormalige agrarische bedrijfsgebouwen, die een bijdrage kan leveren aan de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het landelijk gebied. Om dit te bevorderen wordt in ruil voor de sloop ruimte geboden voor de bouw van kwalitatief hoogwaardige (compensatie)woningen.

6. Volgens de ruimte voor ruimte-regeling zoals die luidde tot 23 september 2010 moest voor de realisatie van drie woningen tenminste 3.000 m2 bedrijfsbebouwing worden gesloopt.

In het besluit van de raad van 23 september 2010 is bepaald dat als aanvullende richtlijn voor de ruimte voor ruimte-regeling geldt dat voor de bouw van een derde woning minimaal 5.000 m2 bedrijfsbebouwing dient te worden gesloopt.

De ruimte voor ruimte-regeling is nogmaals aangevuld met het besluit van de raad van 13 december 2012, waarin is bepaald dat voor de locatie Langeweg 62 de ruimte voor ruimte-regeling zoals deze luidde tot 23 september 2010 van toepassing is.

7. De in het besluit van 13 december 2012 neergelegde bepaling dat de ruimte voor ruimte-regeling zoals deze luidde tot 23 september 2010 van toepassing is voor de locatie Langeweg 62, is een beleidsregel als bedoeld in artikel 1:3, vierde lid, van de Awb.

Ingevolge artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende een beleidsregel. Dit betekent echter niet dat het besluit tot het aanmerken van de locatie Langeweg 62 als uitzonderingslocatie als bedoeld in het besluit van 23 september 2010 in het geheel niet kan worden getoetst. Artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb staat immers niet in de weg aan de mogelijkheid van exceptieve toetsing.

De Afdeling ziet zich derhalve gesteld voor de vraag of aan het besluit van 13 december 2012 verbindende kracht zou moeten worden ontzegd omdat het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of een algemeen rechtsbeginsel. In dat verband zijn de volgende omstandigheden van belang.

De initiatiefnemer heeft op 8 november 2009 verzocht om met toepassing van de ruimte voor ruimte-regeling drie woningen te mogen realiseren aan de Langeweg 62. Het college van burgemeester en wethouders van Tholen heeft op 1 december 2009 besloten dat in principe kan worden meegewerkt aan dat verzoek en heeft dit, naar de raad ter zitting heeft verklaard, per brief kenbaar gemaakt aan de initiatiefnemer. Voorts is op 4 januari 2011 een anterieure overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer. Hierbij is steeds ervan uitgegaan dat 3.000 m² bedrijfsbebouwing zou worden gesloopt in ruil voor de realisatie van drie woningen.

Het besluit van 13 december 2012 bevat een alsnog vastgestelde overgangsrechtelijke bepaling voor een ten tijde van het besluit van 23 september 2010 lopend saneringstraject. De raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de ruimte voor ruimte-regeling met het besluit van 23 september 2010 was aangescherpt om tegemoet te komen aan de vrees van agrariërs dat zij zouden worden geconfronteerd met klachten van bewoners van nieuwe woningen. De raad heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat deze problematiek in het onderhavige geval niet speelt omdat geen agrarisch bedrijf is gevestigd in de omgeving van de Langeweg 62. Voorts heeft de raad in aanmerking genomen dat het wenselijk is dat de op het perceel bestaande varkenshouderij, en daarmee de bijbehorende milieuhinder, verdwijnt en dat de realisatie van ten minste drie woningen in plaats daarvan vanuit financieel oogpunt noodzakelijk is. De raad heeft in dat verband onweersproken gesteld dat het onderhavige initiatief het enige van alle binnen de gemeente Tholen ingediende initiatieven is dat niet kan worden gerealiseerd op basis van de aangescherpte ruimte voor ruimte-regeling, maar wel op basis van de regeling zoals deze luidde tot 23 september 2010. Verder heeft de raad zich onweersproken op het standpunt gesteld dat de realisatie van drie woningen past in de bestaande lintbebouwing langs de Langeweg.

Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het besluit om de locatie Langeweg 62 aan te merken als uitzonderingslocatie in het kader van de aangescherpte ruimte voor ruimte-regeling na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen nemen. Het aangevoerde geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 13 december 2012 in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift of in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

Nu in het besluit van 13 december 2012 is bepaald dat voor de locatie Langeweg 62 de ruimte voor ruimte-regeling zoals deze luidde tot 23 september 2010 van toepassing is, is de raad bij het nemen van het bestreden besluit met juistheid uitgegaan van de ruimte voor ruimte-regeling zoals die luidde tot 23 september 2010. De vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb is derhalve, anders dan [appellant] meent, niet aan de orde.

Het betoog faalt.

8. [appellant] heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van de zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

9. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Hagen w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

159-743.