Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1917

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201308031/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:6520, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft de minister de ten behoeve van [appellant] afgegeven verklaring van geen bezwaar (hierna: verklaring) ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308031/1/A3.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 juli 2013 in zaak

nr. 13/1448 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Defensie.

Procesverloop

Bij besluit van 25 juni 2012 heeft de minister de ten behoeve van [appellant] afgegeven verklaring van geen bezwaar (hierna: verklaring) ingetrokken.

Bij besluit van 11 januari 2013 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. W.E. Louwerse, en de minister, vertegenwoordigd door mr. A.I. Bieri, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: Wvo) wordt in deze wet verstaan onder verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

Ingevolge artikel 2 treden, indien een vertrouwensfunctie wordt uitgeoefend bij het Ministerie van Defensie, dan wel indien het een functie betreft die als vertrouwensfunctie moet worden aangemerkt in verband met de daarmee samenhangende noodzaak om toegang te hebben tot militaire installaties, voor de toepassing van het bepaalde in de artikelen 3 tot en met 10 en 16, tweede lid, de minister van Defensie en de Militaire Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (hierna: MIVD) in de plaats van respectievelijk de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de MIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder a, omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie. Hierbij wordt uitsluitend gelet op justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, is de minister bevoegd, na het verstrijken van een termijn van vijf jaren of een veelvoud daarvan sinds het afgeven van de verklaring of indien hem blijkt van feiten of omstandigheden die een hernieuwd veiligheidsonderzoek rechtvaardigen, een veiligheidsonderzoek te doen instellen naar een persoon die een vertrouwensfunctie vervult.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, is de minister bevoegd tot het intrekken van de verklaring, indien hem blijkt dat onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen.

De wijze waarop de minister invulling geeft aan de hem op grond van artikel 10, eerste lid, in samenhang met artikel 2 van de Wvo toekomende bevoegdheid, is neergelegd in de Beleidsregeling justitiële antecedenten bij veiligheidsonderzoeken Defensie (hierna: de Beleidsregeling).

Volgens punt 4, aanhef en onder b, van de Beleidsregeling wordt de verklaring als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wvo ingetrokken als betrokkene is veroordeeld wegens een misdrijf tegen het leven, de lichamelijke integriteit of de gezondheid.

Volgens punt 5 kan bij misdrijven tegen het leven, de lichamelijke integriteit of de gezondheid, genoemd onder punt 4, onderdeel b, worden gedacht aan moord, doodslag, vrijheidsberoving, zware mishandeling, het veroorzaken van de dood of zwaar lichamelijk letsel door schuld en diefstal met geweld, zoals genoemd in de titels XVIII, XIX, XX, XXI en XXII van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht.

Volgens punt 6, voor zover van belang, geldt dat als sprake is van één of meer veroordelingen, maar niet van een onder punt 4 beschreven situatie, het individuele geval van betrokkene centraal staat; de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van betrokkene en de achtergronden van het gepleegde strafbare feit worden in beschouwing genomen.

2. [appellant] is militair en vervult in die hoedanigheid een vertrouwensfunctie. Ten behoeve van de vervulling van deze functie heeft de minister eerder een verklaring afgegeven. De minister heeft de ten behoeve van [appellant] verleende verklaring ingetrokken, omdat uit een veiligheidsonderzoek, uitgevoerd in het kader van het dynamiseren van justitiële antecedenten door de MIVD sinds juli 2011, is gebleken dat hij op 23 februari 2011 is veroordeeld tot een werkstraf van 120 uren en subsidiair 60 dagen hechtenis wegens poging tot zware mishandeling in vereniging als genoemd in punt 5 van de Beleidsregeling. Poging tot zware mishandeling in vereniging is strafbaar gesteld in artikel 302, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 45, eerste lid, gelezen in verbinding met artikel 47, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, welke bepaling is vervat in titel XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht. Volgens de minister zijn onvoldoende waarborgen aanwezig dat [appellant] de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen.

3. In hoger beroep is niet meer in geschil of de minister bevoegd was de verklaring in te trekken. In geschil is uitsluitend of de minister in de door [appellant] aangedragen bijzondere omstandigheden aanleiding had moeten zien om met toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van het beleid af te wijken.

4. [appellant] betoogt dat punt 4 en 5 van de Beleidsregeling onredelijk zijn, gelet op de per 1 november 2013 van kracht geworden Beleidsregel veiligheidsonderzoeken Defensie. Hiertoe voert [appellant] aan dat dit nieuwe beleid, in tegenstelling tot de Beleidsregeling, wél het functioneren van een militair tijdens de uitzending in aanmerking neemt en uitgaat van de pleegdatum in plaats van de veroordelingsdatum.

4.1. De Afdeling heeft eerder geoordeeld dat punt 4 en 5 van de Beleidsregeling niet onredelijk zijn (zie de uitspraak van 8 januari 2014 in zaak nr. 201304793/1). Dat per 1 november 2013 nieuw beleid in werking is getreden maakt dit niet anders.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat zijn verklaring niet zou worden ingetrokken. Hiertoe voert hij aan dat in een aan deze zaak op essentiële punten gelijke situatie de verklaring niet werd ingetrokken. Hiertoe wijst [appellant] op een uitspraak van de rechtbank Assen van 4 januari 2011 (ECLI:NL:RBASS:2011:BO9836; www.rechtspraak.nl), waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat de militair er op mocht vertrouwen dat zijn verklaring niet werd ingetrokken, aangezien hij zijn veroordeling had gemeld bij zijn commandant, hij, ondanks zijn veroordeling en melding daarvan, werd uitgezonden naar Afghanistan, hij voor zijn functioneren werd geprezen en hij bij terugkomst in Nederland werd voorgedragen voor een onderofficiersopleiding. [appellant] voert aan dat dit feitencomplex ook voor hem geldt en de omstandigheid dat hij voorafgaand aan zijn uitzending van 12 oktober 2010 tot 11 februari 2011 naar Afghanistan nog slechts was aangemerkt als verdachte en derhalve niet was veroordeeld, geen essentieel onderscheid is gelet op de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 18 juni 2012 (Kamerstukken II 2011/12, 29 924, nr. 88), waarin te kennen wordt gegeven dat wanneer een zaak zou kunnen leiden tot een veroordeling de militair niet wordt uitgezonden. Tevens betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de minister in zaken waarin militairen werden veroordeeld voor delicten die een zwaardere strafsoort en strafmaat kennen, de verklaring niet heeft ingetrokken. Hiertoe verwijst hij naar de reeds genoemde uitspraak van de rechtbank Assen en naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 17 juni 2013 in zaak nr. AWB 13/250 (deze uitspraak is aangehecht).

5.1. Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank Assen van 4 januari 2011 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat een militair die is veroordeeld en vervolgens is uitgezonden, er gerechtvaardigd op mag vertrouwen dat de minister zijn verklaring niet meer zal intrekken. [appellant] was toen hij werd uitgezonden nog niet veroordeeld, maar slechts verdacht. Gelet daarop en in aanmerking genomen dat volgens punt 4 van de Beleidsregeling een verklaring wordt ingetrokken wanneer betrokkene voor een delict als bedoeld in dat punt is veroordeeld, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat [appellant] aan zijn uitzending niet het vertrouwen kon ontlenen dat zijn verklaring niet zou worden ingetrokken.

Het beleid als aangekondigd in de brief van de minister van 18 juni 2012 was nog niet van toepassing op het moment dat [appellant] werd uitgezonden en derhalve heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat ook hier niet het gerechtvaardigde vertrouwen aan kon worden ontleend dat als gevolg van de uitzending de verklaring niet zou worden ingetrokken.

In de zaak die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juni 2013 is de militair veroordeeld voor enkelvoudige mishandeling. Op dit delict is punt 6 van de Beleidsregeling van toepassing. Volgens punt 6 worden, anders dan volgens punt 4 dat van toepassing is op het delict waar [appellant] uiteindelijke voor is veroordeeld, de persoonlijke gedragingen en omstandigheden van betrokkene en de achtergronden van het gepleegde feit in beschouwing genomen. Reeds gelet op dit verschil behoefde de minister geen aanleiding te zien om af te zien van het intrekken van de verklaring.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

43-816.