Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1908

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201307465/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft het college, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden tegen een heg op het perceel [locatie A] te Wapse, gemeente Westerveld, (hierna: de heg) afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307465/1/A3.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Wapse, gemeente Westerveld,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, zittingsplaats Assen, van 9 juli 2013 in zaak nr. 13/181 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Westerveld.

Procesverloop

Bij besluit van 24 juli 2012 heeft het college, voor zover thans van belang, een verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden tegen een heg op het perceel [locatie A] te Wapse, gemeente Westerveld, (hierna: de heg) afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2013 heeft het college het daartegen door [appellant A] en [appellant B] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 juli 2013 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant A] en [appellant B] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant A] en [appellant B] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[derdebelanghebbende A] en [derdebelanghebbende B] hebben als derdebelanghebbenden een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2014, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, en het college, vertegenwoordigd door mr. G.I.M. Dekker, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [derdebelanghebbende A] en [derdebelanghebbende B], bijgestaan door mr. P. van Rossum, advocaat te Emmen, gehoord.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 2.15 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Westerveld (hierna: de APV) is het verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

2. De rechtbank heeft overwogen dat uit de foto's die partijen in beroep over hebben gelegd weliswaar blijkt dat het voor [appellant A] en [appellant B] wegens de heg lastig is om, ingeval zij hun perceel [locatie B] via hun oprit (hierna: de oprit) verlaten, goed zicht op de Ten Darperweg te krijgen, maar dat niet is gebleken dat de heg het wegverkeer het vrije uitzicht belemmert of dat er op andere wijze hinder of gevaar voor het wegverkeer ontstaat. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat het college contact met de wijkagent heeft opgenomen en dat uit diens registraties (hierna: de registraties) inderdaad blijkt dat het lastig is om vanaf de oprit goed zicht op de Ten Darperweg te krijgen, maar dat daaruit niet blijkt dat daardoor gevaar bestaat voor, of schrikreacties ontstaan bij, het wegverkeer op de Ten Darperweg. Dat het college de registraties, wegens de vertrouwelijkheid ervan, niet bij het dossier heeft gevoegd, laat, aldus de rechtbank, onverlet dat geen aanleiding bestaat om aan de juistheid ervan te twijfelen, omdat uit een e-mailbericht van de politie Drenthe van 9 april 2013 blijkt dat in de periode 2006 tot 8 april 2013 geen aanrijdingen hebben plaatsgevonden ter hoogte van, of tussen, de percelen [locaties C] die ter kennis van de politie zijn gekomen.

3. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het wegverkeer op de Ten Darperweg wegens de heg geen redelijk zicht heeft op auto's die hun perceel via de oprit verlaten, waardoor hinder of gevaar ontstaat. Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank de maximumsnelheid van 80 km/u op de Ten Darperweg en de hoogte van de heg ten onrechte niet heeft benoemd.

3.1. Blijkens voormelde foto's, alsmede blijkens de door partijen ter zitting bij de Afdeling getoonde foto's, vormt de heg voor het wegverkeer geen belemmering voor het vrije uitzicht op de weg. Uit deze foto's blijkt tevens dat een auto die op het punt staat het perceel van [appellant A] en [appellant B] via de oprit te verlaten goed zichtbaar is voor het wegverkeer. Weliswaar beperkt de heg, gezien de hoogte ervan, het zicht vanaf de oprit op de Ten Darperweg, maar deze beperking is, gezien de ligging van de heg en de oprit ten opzichte van elkaar onderscheidenlijk de Ten Darperweg, zoals zichtbaar op deze foto's, en rekening houdend met de op de Ten Darperweg geldende maximumsnelheid, niet dusdanig dat aannemelijk is dat voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat, indien een auto het perceel van [appellant A] en [appellant B] via de oprit verlaat. Bij dit oordeel heeft de Afdeling voormeld e-mailbericht van 9 april 2013 betrokken. De rechtbank heeft in zoverre terecht geoordeeld dat zich geen ingevolge artikel 2.15 van de APV verboden situatie voordoet.

Het betoog faalt.

4. [appellant A] en [appellant B] betogen voorts dat zij ten onrechte geen kennis hebben kunnen nemen van de registraties, zodat de rechtbank de registraties ten onrechte bij haar beoordeling van het beroep heeft betrokken, dan wel had moeten motiveren waarom [appellant A] en [appellant B] daarvan geen kennis hebben mogen nemen.

4.1. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak over de registraties vermeld wat het college, volgens diens verweerschrift in beroep, uit de registraties is gebleken. De rechtbank heeft de registraties niet ingezien. Nu [appellant A] en [appellant B] in hun hogerberoepschrift de overweging van de rechtbank dat uit de foto's die partijen in beroep over hebben gelegd blijkt dat het lastig is om vanaf de oprit goed zicht op de Ten Darperweg te krijgen noch de juistheid van de in de aangevallen uitspraak vermelde inhoud van voormeld e-mailbericht van 9 april 2013 hebben bestreden, heeft de rechtbank niet ten onrechte geen aanleiding gezien om aan de juistheid van de in de aangevallen uitspraak vermelde opmerkingen over de registraties te twijfelen. Gelet hierop heeft de rechtbank deze opmerkingen, in weerwil van de omstandigheid dat zij noch [appellant A] en [appellant B] de registraties hebben ingezien, niet ten onrechte bij haar beoordeling van het beroep in aanmerking genomen.

Dit betoog faalt eveneens.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Robben

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

610.