Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1907

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201306697/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:CA3098, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college geweigerd aan Hartenaasje bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een kantoorgebouw op het perceel Hartenaasje 1 te Deventer (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306697/1/A1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hartenaasje B.V., gevestigd te Deventer,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 juni 2013 in zaken nrs. 12/1555 in het geding tussen:

Hartenaasje

en

het college van burgemeester en wethouders van Deventer.

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2010 heeft het college geweigerd aan Hartenaasje bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een kantoorgebouw op het perceel Hartenaasje 1 te Deventer (hierna: het perceel).

Bij besluit van 29 juni 2012 heeft het college het door Hartenaasje gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 juni 2013 heeft de rechtbank het door Hartenaasje daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Hartenaasje hoger beroep ingesteld.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 maart 2014, waar Hartenaasje, vertegenwoordigd door J. Klein en M.G.B. Bloem, bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door A.I. Duivenvoorde, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Het kantoorgebouw waarin het bouwplan voorziet, bestaat uit een centraal gelegen entree op de begane grond met daarboven vijf verdiepingen, die uitsteken. Deze verdiepingen worden aan de uiteinden gedragen door zuilen.

2. Ingevolge artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) blijft het recht, zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo, van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste lid of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien, zoals in dit geval, voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend.

Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder a, van de Woningwet, zoals die luidde ten tijde van belang, is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een door het college verleende bouwvergunning.

Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

Ingevolge artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, beslissen burgemeester en wethouders om een reguliere bouwvergunning die overeenkomstig artikel 56a, eerste lid, in twee fasen wordt verleend: telkens binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag.

Ingevolge het derde lid wordt een aanvraag om een bouwvergunning, die slechts kan worden ingewilligd na het verlenen van ontheffing of het nemen van een projectbesluit, tevens aangemerkt als een om zodanige ontheffing of projectbesluit.

Ingevolge het vijfde lid, voor zover thans van belang, is de vergunning van rechtswege verleend, indien het college niet binnen de daarvoor in het eerste of vierde lid gestelde termijn omtrent de aanvraag beslist en, indien het derde lid van toepassing is, een ontheffing, een projectbesluit of een besluit, als bedoeld in artikel 3.40, 3.41 of 3.42 van de Wro, is genomen. Deze verlening wordt aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Ingevolge artikel 56a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dit luidde ten tijde van belang, wordt een reguliere bouwvergunning op aanvraag in twee fasen verleend.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, mag de bouwvergunning eerste fase slechts en moet deze worden geweigerd indien een weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, onderdeel c of d van toepassing is.

3. Ter plaatste van het perceel geldt het bestemmingsplan "Uiterwaarden 2004". Vast staat is dat het bouwplan in overeenstemming is met de krachtens het bestemmingsplan op het perceel rustende bestemming "Bedrijfsdoeleinden -B-". Voorts staat vast dat het bouwplan in overeenstemming is met de bestemming "Waterstaatsdoeleinden (Dubbelbestemming)".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de planvoorschriften wordt in deze voorschriften verstaan onder ‘ander bouwwerk’, een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

Ingevolge aanhef en onder h wordt verstaan onder ‘bebouwing’, één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken.

Ingevolge aanhef en onder i wordt onder ‘bebouwingsgrens’ verstaan een op de plankaart als zodanig aangegeven al of niet gedeeltelijk met een bestemmingsgrens samenvallende lijn, die de omgrenzing vormt van een bouwperceel of bebouwingsvlak.

Ingevolge aanhef en onder j, wordt onder ‘bebouwingsvlak’ verstaan een oppervlakte van gronden omgrensd door een op de plankaart als zodanig aangegeven bebouwingsgrens, op en in welke gronden, binnen een bestemmingsvlak, gebouwen uitsluitend mogen worden gebouwd.

Ingevolge aanhef en onder s, wordt verstaan onder ‘bouwperceel’, een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, moet indien krachtens dit plan een meting moet worden verricht, onder ‘bebouwde oppervlakte’ worden verstaan: de buitenwerks gemeten oppervlakte van een gebouw of gebouwencomplex gemeten op 1 meter boven meetniveau.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de als "Bedrijfsdoeleinden -B-" bestemde gronden bestemd voor bedrijven, als bedoeld in de categorieën 1 t/m 4 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen, met de daarbij behorende wegen, paden, groen- en parkeervoorzieningen.

Ingevolge het tweede lid mogen op de in het eerste lid bedoelde gronden worden gebouwd:

a. Bedrijfsgebouwen als bedoeld in de categorie 1 t/m 4 van de bij deze voorschriften behorende Staat van Inrichtingen;

b. Niet voor bewoning bestemde gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van handel, detailhandel daaronder niet inbegrepen, verkeer, energie- en watervoorziening, daarbij inbegrepen laboratoria, bedrijfsgarages, magazijnen, dienstruimten en dergelijke, alsmede kantoren en ontspanningsgebouwen behorende bij een op deze gronden gevestigd bedrijf;

c. Gebouwen en andere bouwwerken ten dienste van de op deze gronden gevestigde bedrijven en inrichtingen;

d. De gebouwen als omschreven in sub a t/m c mogen alleen worden opgericht binnen het deel van de gronden met deze bestemming dat is omgeven door bebouwingsgrenzen. Het grondoppervlak van de bestaande bebouwing per bouwwerk mag niet met meer dan 10% worden uitgebreid zoals geïnventariseerd in de bij deze voorschriften behorende bijlage "Winterbed bestaande bebouwing";

e. De grootste hoogte van de bebouwing voor zover gelegen aan de binnenzijde van de op de plankaart aangegeven grootste hoogte scheidingslijn mag niet meer bedragen dan 20 m. De grootste hoogte van de bebouwing gelegen tussen de bebouwingsgrens en de grootste hoogte scheidingslijn mag niet meer dan 10 m bedragen. In afwijking van de vorige volzin mag over een lengte van maximaal 30% van de mogelijke bebouwing tussen de bebouwingsgrens en de grootste hoogte scheidingslijn de grootste hoogte van de bebouwing gelegen aan de buitenzijde van de grootste hoogte scheidingslijn 15 m bedragen;

f. Op grond met de in het eerste lid bedoelde bestemming moet de oppervlakte van het bouwperceel ten minste 1 hectare bedragen en de breedte ten minste 80 m zijn.

Ingevolge de bij het bestemmingsplan behorende bijlage ‘Winterbed bestaande bebouwing’ bedraagt de bestaande bebouwde oppervlakte op het perceel 613 m2 en is ter plaatse een uitbreiding toegestaan van maximaal 62 m2.

4. Hartenaasje betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan in overeenstemming is met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften. Zij voert daartoe aan dat de rechtbank er ten onrechte van uitgaat dat de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrens de omgrenzing is van het bouwperceel. Volgens Hartenaasje wordt, volgens vaste rechtspraak van de Afdeling, het bouwperceel gevormd door het kadastrale perceel. Dat heeft in dit geval een oppervlakte van ongeveer 1,15 ha, zodat aan artikel 10, eerste lid, onder f, van de planvoorschriften wordt voldaan. Hartenaasje voert daartoe verder aan dat de gronden die door de bebouwingsgrens worden omsloten, het bebouwingsvlak betreft. Verder volgt uit artikel 2, aanhef en onder d, van de planvoorschriften dat buiten de bebouwingsgrens, bouwwerken geen gebouw zijnde zijn toegestaan. Zij voert daartoe ten slotte aan dat wanneer de bebouwingsgrens de omkadering van het bouwperceel vormt, dit zou betekenen dat op het perceel in het geheel niet mag worden gebouwd, aangezien deze gronden een oppervlakte hebben van 7.690 m2. Dit kan, aldus Hartenaasje, niet de bedoeling van de planwetgever zijn geweest.

4.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 16 mei 2012 in zaak nr. 201110736/1/A1), is bij de vaststelling van de omvang van een bouwperceel de actuele situatie bepalend, waarbij in beginsel wordt uitgegaan van kadastrale percelen. Vereist is daarbij dat de planvoorschriften zich niet tegen deze uitleg van het begrip ‘bouwperceel’ verzetten.

Weliswaar kan het bouwperceel blijkens de planvoorschriften worden bepaald door de bebouwingsgrens, maar uit de planvoorschriften volgt tevens dat op het perceel ‘gebouwen’ en ‘andere bouwwerken’ mogen worden gebouwd. In artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, wordt voor gebouwen als omschreven onder a, b, en c een beperking aangebracht in die zin, dat deze alleen mogen worden opgericht binnen het deel van de gronden dat is omgeven door bebouwingsgrenzen. Gelet op deze beperking, mogen de andere bouwwerken die onder a, b en c zijn vermeld, niet alleen worden opgericht op de gronden die door de bebouwingsgrens worden omsloten, maar ook daarbuiten. Nu ingevolge de planvoorschriften op een bouwperceel een zelfstandige, bij elkaar horende bebouwing is toegelaten, en onder ‘bebouwing ‘één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken’ wordt verstaan, kan het bouwperceel groter zijn dan de gronden die door de bebouwingsgrens worden omsloten. Het kadastrale perceel heeft blijkens een opgave van het Kadaster een oppervlakte van 1 ha, 15 a en 80 ca. Hieruit volgt dat de oppervlakte van het bouwperceel ten minste 1 ha bedraagt, zodat het bouwplan voldoet aan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder f, van de planvoorschriften. Door te overwegen dat de gronden die door de bebouwingsgrens worden omsloten, het bouwperceel vormen, heeft de rechtbank dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

5. Hartenaasje betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in overstemming is met artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften. Zij voert daartoe aan dat het college er ten onrechte van uitgaat dat uit deze bepaling volgt dat het oprichten van nieuwbouw ter plaatse niet is toegestaan, maar dat slechts de bestaande bebouwing is toegestaan en deze met tien procent mag worden uitgebreid. Dat dit niet de bedoeling kan zijn, blijkt volgens Hartenaasje onder meer uit het feit dat de op de plankaart aangegeven bebouwingsgrens veel ruimer is dan de bestaande bebouwing en ook de maximaal toegestane hoogte aanzienlijk hoger is dan die van de bestaande bebouwing. Voorts heeft het college zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de oppervlakte-eis die is opgenomen in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, aldus Hartenaasje.

5.1. Vast staat dat het kantoorgebouw een gebouw is als bedoeld in artikel 10, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften. Uit de bewoordingen van deze bepaling, gelezen in verbinding met de eerste volzin van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, volgt dat een dergelijk gebouw mag worden opgericht op voorwaarde dat dit binnen de bebouwingsgrenzen gebeurt. Vast staat dat aan deze voorwaarde wordt voldaan. Uit de tweede volzin van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, gelezen in verbinding met de eerste volzin, volgt dat de oppervlakte van een gebouw niet meer mag bedragen dan de grondoppervlakte van de bestaande bebouwing vermeerderd met 10%. Steun voor deze uitleg wordt gevonden in de toelichting op artikel 10. Daarin is vermeld dat op de gronden met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden", bedrijven in de categorie 1 t/m 4 mogen worden opgericht. Voorts is daar vermeld dat door middel van de oppervlaktebepaling in het tweede lid, aanhef en onder d, wordt geregeld dat de totale oppervlakte van deze bebouwing niet groter wordt dan die van het bestaande gebouw vermeerderd met 10%, en dat op deze wijze de implementatie plaatsvindt van de beleidslijn 'Ruimte voor de Rivier', die aan het bestemmingsplan ten grondslag is gelegd.

Uit de bijlage waarnaar in de tweede volzin van artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften wordt verwezen, volgt dat het op te richten gebouw een oppervlakte mag hebben van 613 m2, vermeerderd met 62 m2, is 675 m2. Uit de bij de aanvraag behorende bouwtekeningen blijkt dat de centraal gelegen entree van het kantoorgebouw een oppervlakte heeft van 65 m2 en de zuilen in totaal een oppervlakte hebben van ongeveer 5 m2, zodat, in aanmerking genomen de definitie van 'bebouwde oppervlakte' als opgenomen in artikel 2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, het grondoppervlak van het kantoorgebouw ongeveer 70 m2 bedraagt. Gelet hierop voldoet het bouwplan aan artikel 10, tweede lid, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, gelezen in verbinding met de in deze bepaling genoemde bijlage. De rechtbank heeft het voorgaande niet onderkend.

Het betoog slaagt.

6. Aangezien, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan, is ten tijde van het verstrijken van de termijn als bedoeld in artikel 46, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet, bouwvergunning van rechtswege verleend. De rechtbank heeft evenmin onderkend dat het college daarom niet meer bevoegd was om alsnog een feitelijke beslissing op de aanvraag te nemen.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 29 juni 2012 alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt, wegens strijd met artikel 46, vijfde lid, van de Woningwet, eveneens voor vernietiging in aanmerking. Voorts zal de Afdeling zelf in de zaak voorzien door het besluit van 28 juli 2010 te herroepen. Nu van rechtswege bouwvergunning is verleend, gaat de Afdeling ervan uit dat het college daarvan kennis geeft en zal voldoen aan de verplichtingen ingevolge artikel 57 en 58 van de Woningwet, zoals die luidden ten tijde van belang.

8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 13 juni 2013 in zaken nrs. 12/1555;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer van 29 juni 2012, kenmerk OV/368911;

V. herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deventer van 28 juli 2010, kenmerk 368911;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deventer tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hartenaasje B.V. in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.948,00 (zegge: negentienhonderdachtenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Deventer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Hartenaasje B.V. het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 796,00 (zegge: zevenhonderdzesennegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Montagne

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

374-619.