Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1906

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201309135/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2013:6500, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 september 2011 heeft het college, onder intrekking van een aantal eerdere bouwvergunningen, aan Atop Recycling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal, hekwerk, keerwanden en een weegbrug, alsmede voor het uitvoeren van werkzaamheden die onder een hoger dan de ter plaatse in het bestemmingsplan toegestane milieucategorie vallen en het bebouwen/gebruiken van gronden onder of binnen het tracé van de hoogspanningsverbinding en het verkleinen van een inrichting op het perceel Aalsvoort 99 te Lochem (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2014/562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309135/1/A1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen (hierna in enkelvoud: [appellant]), wonend onderscheidenlijk gevestigd te Lochem,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 15 augustus 2013 in zaak nr. 12/2452 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland.

Procesverloop

Bij besluit van 22 september 2011 heeft het college, onder intrekking van een aantal eerdere bouwvergunningen, aan Atop Recycling B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfshal, hekwerk, keerwanden en een weegbrug, alsmede voor het uitvoeren van werkzaamheden die onder een hoger dan de ter plaatse in het bestemmingsplan toegestane milieucategorie vallen en het bebouwen/gebruiken van gronden onder of binnen het tracé van de hoogspanningsverbinding en het verkleinen van een inrichting op het perceel Aalsvoort 99 te Lochem (hierna: het perceel).

Bij besluit van 20 april 2012 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, voor zover het is gericht op de onvolledigheid of onduidelijkheid van de bouwaanvraag voor de keerwanden en voor het overige ongegrond verklaard. Het college heeft voorts de bij de verleende vergunning behorende inrichtingstekening vervangen en de aan de vergunning verbonden voorschriften gewijzigd conform het advies van de bezwaarschriftencommissie.

Bij uitspraak van 15 augustus 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 mei 2014, waar mr. [appellant], en het college, vertegenwoordigd door R.B.J.M. Rikmanspoel, werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Ter zitting is voorts Atop Recycling, vertegenwoordigd door haar [directeur] verschenen

Overwegingen

1. De bij besluit van 22 september 2011 verleende omgevingsvergunning voorziet in de legalisering van een bestaande inrichting op het perceel waar onder meer met behulp van een puinbreker puin wordt gebroken, vergruisd en gezeefd.

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan;

e. het veranderen van een inrichting.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, wordt, in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1º, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, de omgevingsvergunning, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, slechts worden verleend met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.

Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Artikel 30 herziening Aalsvoort West" (hierna: het bestemmingsplan) heeft het perceel de bestemming "Bedrijventerrein (Bi)" met de aanduiding "zone bedrijven cat. 1 t/m 4, (≤ 200 meter)".

Ingevolge de in artikel 4, onder c, onder 1, van de planvoorschriften opgenomen algemene beschrijving in hoofdlijnen, zal bij de toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen vrijstellings- en wijzigingsbevoegdheden, worden getoetst aan de volgende criteria:

1. Het straat- en bebouwingsbeeld: ten aanzien van de binnen een bestemming toegelaten gebruiksvormen dient rekening te worden gehouden met het in stand houden c.q. tot stand brengen van een, in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld: Daarbij zal worden gelet op de volgende aspecten:

a. de plaatsing van de voorgevel in de straatwand;

b. een goede oriëntatie van de voorgevel op de openbare ruimte of openbare weg, waarbij als uitgangspunt geldt dat het meest representatieve deel van de bebouwing wordt georiënteerd op het meest daarvoor in aanmerking komende deel van de openbare ruimte of openbare weg.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, onder 2, aanhef en onder a. en b., van de planvoorschriften zijn op de voor bedrijventerrein aangewezen gronden (behoudens vrijstelling op grond van artikel 13) uitsluitend toelaatbaar:

a. daar waar de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "zone bedrijven cat. 1 t/m 3", bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 1 tot en met 3 van de bij deze voorschriften behorende Lijst van bedrijfstypen.

b. daar waar de gronden op de plankaart zijn voorzien van de aanduiding "zone bedrijven cat. 1 t/m 4, (≤ 200 meter)", bedrijven die zijn genoemd in de categorieën 1 tot en met 3 en in categorie 4, voor zover de bijbehorende grootste afstand niet meer dan 200 meter bedraagt, van de bij deze voorschriften behorende Lijst van bedrijfstypen.

Ingevolge artikel 13, aanhef en onder 2, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling verlenen van het bepaalde in deze voorschriften of de aanwijzingen op de plankaart, voor de vestiging van een bedrijf dat is genoemd in een hogere dan de toegelaten categorieën van de bij deze voorschriften behorende Lijst van bedrijfstypen, maar dat naar zijn aard en invloed op de omgeving kan worden geacht te behoren tot een groep van rechtstreeks toegelaten gelijkwaardige bedrijven.

In de Lijst van bedrijfstypen zijn, onder SBI-code 372, Puinbrekerijen en -malerijen met een verwerkingscapaciteit van minder dan 100.000 ton per jaar opgenomen. Volgens deze lijst vallen dergelijke bedrijven in categorie 4, waarbij de bijbehorende grootste afstand 300 meter bedraagt voor het aspect geluid.

3. Niet in geschil is dat de vergunde puinbreker op grond van de Lijst van bedrijfstypen een bedrijf in categorie 4 is, waarbij de grootste (hinder)afstand meer dan 200 meter bedraagt. Gelet hierop is het bedrijf ingevolge artikel 5, eerste lid, onder 2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften ten plaatse niet toegestaan. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend met toepassing van de in artikel 13, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften opgenomen binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. In de ruimtelijke onderbouwing, die als bijlage bij het besluit van 22 september 2011 is gevoegd, staat dat een puinbreker uitsluitend wat betreft het aspect "geluid" meer invloed heeft op de omgeving dan de op grond van de Lijst van bedrijfstypen rechtstreeks toegelaten bedrijven. De geluidhinderafstand van een puinbreker met een verwerkingscapaciteit van minder dan 100.000 ton per jaar bedraagt 300 meter, terwijl de geluidhinderafstand van rechtstreeks toegelaten bedrijven maximaal 200 meter bedraagt. Volgens het college is aan de in artikel 13, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde voor gelijkwaardigheid voldaan indien de hinderafstand van de inrichting waartoe de puinbreker behoort, gelijk is aan of minder is dan de hinderafstand van de ter plaatse op grond van het bestemmingsplan toegestane activiteiten, te weten maximaal 200 meter. Het college heeft bij de bepaling van de hinderafstand van de inrichting de bij besluit van 30 januari 2004 aan Atop Recycling verleende milieuvergunning (hierna: de milieuvergunning) als uitgangspunt genomen en vastgesteld dat de dichtst bij de inrichting gelegen woningen op een afstand van 195 meter van de inrichting zijn gelegen en dat ter hoogte van die woning wordt voldaan aan de gestelde geluidgrenswaarden. Volgens het college volgt daaruit dat de invloed van de inrichting op de omgeving kleiner is dan 200 meter en past de inrichting binnen milieucategorie 4 (≤ 200 meter), zodat Atop Recycling naar aard en invloed kan worden geacht te behoren tot de groep van rechtstreeks toegelaten gelijkwaardige bedrijven.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was toepassing te geven aan de in artikel 13, aanhef en onder 2, van het bestemmingsplan opgenomen mogelijkheid om de omgevingsvergunning te verlenen. Daartoe voert hij in de eerste plaats aan dat Atop Recycling naar zijn aard en invloed op de omgeving niet kan worden geacht te behoren tot een groep van rechtstreeks toegelaten gelijkwaardige bedrijven. Dat blijkt volgens hem uit de omstandigheid dat in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeente (hierna: de VNG-brochure) puinbrekers zijn ingedeeld in de categorieën 4.2 en hoger, aldus [appellant]. Volgens [appellant] is de jaarlijkse verwerkingscapaciteit van de vergunde puinbreker zodanig dat deze niet vergelijkbaar is met een bedrijf dat in de VNG-brochure is ingedeeld in categorie 4.1. [appellant] voert voorts aan dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of Atop Recycling naar zijn aard en invloed op de omgeving kan worden geacht te behoren tot een groep van rechtstreeks toegelaten gelijkwaardige bedrijven ten onrechte van belang heeft geacht dat de hinderafstand van de in de milieuvergunning voorgeschreven plaats van de puinbreker minder dan 200 meter bedraagt. Volgens [appellant] dient de hinderafstand bepaald te worden vanaf de grens van de inrichting en niet vanaf de voorgeschreven plaats van de puinbreker.

[appellant] voert voorts aan dat een puinbreker, evenals de daarbij behorende opslag van puin en puingranulaat niet passend is op het bedrijventerrein. Volgens [appellant] heeft de rechtbank niet onderkend dat de activiteiten van [appellant] niet voldoen aan de in artikel 4, onder c, onder 1, van de planvoorschriften opgenomen voorwaarde dat een samenhangend straat- en bebouwingsbeleid tot stand moet worden gebracht.

4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat in de onderhavige zaak aan de indeling van puinbrekers in de VNG-brochure geen betekenis toekomt, omdat in artikel 5, eerste lid, onder 2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften uitdrukkelijk is verwezen naar de bij het bestemmingsplan behorende Lijst van bedrijfstypen en niet naar de VNG-brochure. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het wettelijk kader aldus bestond uit de Lijst van bedrijfsactiviteiten waarin de vergunde activiteiten zijn vermeld als "Puinbrekerijen en -malerijen" met een verwerkingscapaciteit van minder dan 100.000 ton per jaar, welke zijn ingedeeld in categorie 4.

De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de bij besluit van 22 september 2011 vergunde activiteiten naar aard en invloed vergelijkbaar zijn met de groep van rechtstreeks toegelaten bedrijven, omdat de hinderafstand van de in de milieuvergunning toegestane locatie van de puinbreker tot aan de dichtstbijzijnde gevoelige objecten volgens de milieuvergunning minder bedraagt dan 200 meter. De rechtbank heeft bij haar oordeel dat het college op een juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 13, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften terecht in aanmerking genomen dat bij het opstellen van een bestemmingsplan de maximale mogelijkheden van het plan en de gewenste planologie dienen te worden bezien, terwijl bij het door middel van een omgevingsvergunning afwijken van een bestemmingsplan sprake is van een concreet project, in welk geval slechts de ruimtelijke gevolgen van het vergunde bouwplan dienen te worden beoordeeld en de feitelijk vergunde situatie kan worden gevolgd. Dat, naar [appellant] stelt, in de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 januari 2010 (ECLI: NL:RBZUT:2010:BK9857, www.rechtspraak.nl) is overwogen dat de hinderafstand dient te worden bepaald vanaf de grens van de inrichting en niet vanaf de feitelijke locatie van de puinbreker, leidt niet tot een ander oordeel. Ten tijde van het in die uitspraak aangevochten besluit was het perceel gesitueerd binnen de op de plankaart aangeduide zones "zone bedrijven cat. 1 t/m 3" en "zone bedrijven cat. 1 t/m 4, (≤ 200 meter)". Ten tijde van het besluit van 20 april 2012 was de omvang van de inrichting echter zodanig aangepast dat de inrichting uitsluitend binnen de zone "zone bedrijven cat. 1 t/m 4, (≤ 200 meter)" viel. Dat in de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 20 januari 2010 is overwogen dat de feitelijke invulling van het terrein, te weten welk deel van de activiteiten binnen welke zone plaatsvinden, niet kan afdoen aan de vraag of de inrichting gelijkwaardig is aan een inrichting die rechtstreeks is toegelaten in de zone bedrijven categorie 1 tot en met 3, is om die reden in de onderhavige procedure niet van belang. Nu de puinbreker op grond van de aan Atop Recycling verleende en ten tijde van belang onherroepelijke milieuvergunning slechts op de in die vergunning voorgeschreven plaats is toegestaan, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de geluidsproductie van de puinbreker niet past bij de geluidsproductie van rechtstreeks toegelaten bedrijven en dat het college bij beantwoording van de vraag of de vergunde activiteiten naar aard en invloed kunnen worden geacht vergelijkbaar te zijn met de groep van rechtstreeks toegelaten bedrijven had moeten uitgaan van de grens van de inrichting.

4.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college in het besluit van 22 september 2011, dat bij besluit van 20 april 2012 in stand is gelaten, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de zijde van de bedrijfshal met de overheaddeur moet worden aangemerkt als het meest representatieve deel van de bebouwing. Nu de bedrijfshal met de zijde waarin de deur is aangebracht, is gericht naar de openbare weg, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college op grond van artikel 4, onder c, onder 1, van de planvoorschriften niet bevoegd was gebruik te maken van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsbevoegdheid. Dat, naar [appellant] stelt, de opslag van puin en puingranulaat afbreuk doet aan de hoogwaardige inrichting van het bedrijventerrein, geeft geen grond voor een ander oordeel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat deze aspecten geen rol spelen bij de beoordeling of wordt voldaan aan de in artikel 4, onder c, onder 1, van de planvoorschriften opgenomen beoordelingscriteria, omdat dat artikel slechts betrekking heeft op het tot stand brengen van een, in stedenbouwkundig opzicht, samenhangend straat- en bebouwingsbeeld hetgeen wordt beoordeeld aan de hand van de twee in artikel 4, onder c, onder 1, van de planvoorschriften genoemde aspecten.

Het betoog faalt.

5. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op hetgeen hij in zijn beroepschrift heeft aangevoerd met betrekking tot de belangenafweging die plaats dient te vinden bij gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, mist feitelijke grondslag. De rechtbank heeft overwogen dat het verlenen van binnenplanse vrijstelling een bevoegdheid met een discretionair karakter is, zodat bij de toepassing daarvan alle betrokken belangen moeten worden afgewogen, waaronder het gevoerde ruimtelijk beleid. De rechtbank heeft voorts overwogen dat de omstandigheid dat is voldaan aan de toepassingsvoorwaarden voor het gebruik van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet betekent dat er geen ruimte meer is voor een afweging van belangen.

6. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zijn belangen bij de verlening van de milieuvergunning onvoldoende zijn meegewogen. Voor zover [appellant] in deze procedure gronden aanvoert die zijn gericht tegen de milieuvergunning, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de milieuvergunning inmiddels onherroepelijk is en dat daartegen in de onderhavige procedure niet opnieuw kan worden opgekomen. Dat een, inmiddels onherroepelijke, milieuvergunning is verleend, laat echter onverlet dat het vergunde bouwplan voor de omgeving een zodanige hinder kan veroorzaken dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd en het college niet in redelijkheid gebruik kan maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.

De rechtbank heeft in dit verband evenwel terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de bedrijfsactiviteiten van Atop Recycling niet zodanige hinder veroorzaken dat ten gevolge van het bouwplan een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan. Daarbij wordt in de eerste plaats in aanmerking genomen dat ingevolge artikel 5, eerste lid, onder 2, aanhef en onder b, van de planvoorschriften op het bedrijventerrein bij recht bedrijven mogen worden gevestigd die zijn genoemd in de categorieën 1 tot en met 3 en in categorie 4, voor zover de bijbehorende grootste hinderafstand niet meer dan 200 meter bedraagt, van de Lijst van bedrijfstypen. Nu dergelijke bedrijven op grond van het bestemmingsplan rechtstreeks zijn toegelaten, moeten de ruimtelijke gevolgen van dergelijke bedrijven worden geacht te zijn afgewogen bij de vaststelling van het bestemmingsplan en mag met het college worden aangenomen dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd indien slechts deze bedrijven op het bedrijventerrein worden gevestigd. Hiervoor is onder 4.1 vastgesteld dat het college terecht het standpunt heeft ingenomen dat Atop Recycling naar aard en invloed op de omgeving kan worden geacht vergelijkbaar te zijn met de rechtstreeks toegelaten bedrijven. Ingevolge artikel 13, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften kunnen op het bedrijventerrein ook met de rechtstreeks toegelaten bedrijven gelijkwaardige bedrijven worden toegestaan. Nu Atop Recycling naar aard en invloed op de omgeving niet meer hinder veroorzaakt dan de rechtstreeks toegelaten bedrijven, heeft het college tot uitgangspunt kunnen nemen dat niet te verwachten valt dat de vestiging van Atop Recycling zal leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hierbij heeft het in aanmerking kunnen nemen dat niet in geschil is dat de door Atop Recycling veroorzaakte hinder met name het gevolg is van de aanwezigheid en het gebruik van de puinbreekinstallatie en, zoals ter zitting door Atop Recycling onweersproken is gesteld, de puinbreker alleen op zaterdag in bedrijf is. Daarbij komt dat het college zich, onder verwijzing naar de milieuvergunning, op het standpunt heeft gesteld dat de hinderafstand van de puinbreker voor het aspect stof niet meer dan 100 meter bedraagt, terwijl voor de op grond van de lijst van bedrijfstypen rechtstreek toegelaten bedrijven eveneens een maximale hinderafstand van 100 meter voor het aspect stof geldt. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen onaanvaardbare geluid-, trillings- of stofhinder voor de omliggende bedrijven te verwachten is. Ten aanzien van de door de omwonenden te verwachten hinder wordt overwogen dat [appellant] overlast door geluids-, trillings- en stofhinder slechts heeft gesteld, zonder dit op enigerlei wijze nader te onderbouwen. Voorts staat in de ruimtelijke onderbouwing dat stofhinder zal worden ondervangen met behulp van sproei-installaties en afdekmateriaal en dat geluidhinder met behulp van keerwanden zal worden beperkt. In de thans geldende milieuvergunning worden de hiertoe benodigde voorzieningen dwingend voorgeschreven. [appellant] heeft met hetgeen hij op dit punt heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat ondanks deze voorschriften onaanvaardbare hinder zal worden veroorzaakt. Ten slotte heeft het college niet zonder belang mogen achten dat, zoals ter zitting onweersproken gesteld, de meest recente klachten over Atop recycling van omwonenden en bedrijven dateren uit 2007, terwijl sindsdien het college noch het college van burgemeester en wethouders van Lochem van overlast door Atop is gebleken.

7. [appellant] betoogt evenzeer tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de, bij besluit van 20 april 2012 in stand gelaten, omgevingsvergunning van 22 september 2011 in strijd met het vertrouwensbeginsel is verleend. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft in het aangevoerde terecht geen grond gezien voor het oordeel dat hiervan in dit geval sprake is. Nog daargelaten dat van een rechtens afdwingbare toezegging door of namens het college van burgemeester en wethouders van Lochem aan [appellant] niet is gebleken, kan een dergelijke toezegging het college van gedeputeerde staten van Gelderland niet binden. Anders dan [appellant] meent, biedt het bestemmingsplan evenmin grond voor het oordeel dat [appellant] er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat aan Atop Recycling geen omgevingsvergunning zou worden verleend. Het bestemmingsplan voorziet in artikel 13, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften in een afwijkingsbevoegdheid indien, zoals in dit geval, aan de daarvoor geldende voorwaarden is voldaan. Er is niet gebleken van een toezegging van de zijde van het college aan [appellant] dat het, hoewel bevoegd tot verlening van een omgevingsvergunning, niettemin een aanvraag van Atop Recycling om omgevingsvergunning, onder meer betrekking hebbend op een puinbreekinstallatie, zou weigeren.

8. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat Atop Recycling eveneens bedrijfsmatige activiteiten uitvoert op het perceel Levenkamp 5 te Lochem en op dat perceel voldoende ruimte heeft om met aanmerkelijk minder bezwaren een puinbreker te plaatsen, zodat een gelijkwaardige alternatieve locatie beschikbaar is. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college dient te beslissen op de aanvraag, zoals die is ingediend. Indien een plan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van die alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen grond geeft voor het oordeel dat deze situatie zich hier voordoet. Hierbij is terecht in aanmerking genomen dat Atop Recycling voor het perceel Levenkamp 5 te Lochem, anders dan voor het onderhavige perceel, niet over een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo beschikt.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college in redelijkheid omgevingsvergunning, als verzocht, voor het afwijken van het bestemmingsplan heeft kunnen verlenen. De rechtbank heeft daarom het betoog van [appellant] dat het college omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bedrijfshal, het hekwerk, de keerwanden en de weegbrug had moeten weigeren, omdat het college ten onrechte toepassing heeft gegeven aan de in artikel 13, aanhef en onder 2, van de planvoorschriften opgenomen afwijkingsbevoegdheid, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht niet gevolgd.

10. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. J. Kramer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van staat.

w.g. Bijloos w.g. Oudenaller

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

357-724.