Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1905

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201307838/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2013, kenmerk 40731, heeft de raad het bestemmingsplan "Bavel" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307838/1/R3.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen:

[appellant], wonend te Bavel, gemeente Breda,

en

de raad van de gemeente Breda,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013, kenmerk 40731, heeft de raad het bestemmingsplan "Bavel" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 maart 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. S. Oord, en de raad, vertegenwoordigd door mr. E.P.C. Remijn en drs. J. Curfs, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:51d van de Awb, voor zover hier van belang, kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

3. [appellant], die woont aan de [locatie], komt in beroep tegen de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk" aan de Zuster Boomaarsstraat 4 en de Pastoor Doensstraat 3 en 5. Volgens [appellant] maken deze plandelen ten onrechte meer mogelijk dan de bestaande scholen en het kinderdagverblijf ter plaatse. [appellant] vreest voor verkeers- en parkeerhinder ten gevolge van de plandelen en stelt dat de raad de gevolgen van de plandelen voor de parkeer- en verkeerssituatie ten onrechte niet heeft onderzocht. De raad heeft volgens [appellant] voorts ten onrechte geen rekening gehouden met de gevolgen van de door hem bestreden plandelen op het woon- en leefklimaat van omwonenden, nu bijvoorbeeld ook een opvangvoorziening voor drugsverslaafden is toegestaan. De ruime bestemming is volgens hem voorts rechtsonzeker. Verder is het toekennen van een ruimere bestemming dan onder het vorige plan volgens [appellant] in strijd met het conserverende karakter van het thans voorliggende plan, het voorstel van de raadscommissie Ruimte en de plantoelichting over het realiseren van een brede school ter plaatse van de door hem bestreden plandelen. [appellant] wijst erop dat naar aanleiding van zijn zienswijze tegen het vorige bestemmingsplan in dat plan de bestemming "Bijzondere Doeleinden BD" was toegekend, waarmee de gronden alleen waren bestemd voor onderwijsdoeleinden en een kinderdagverblijf. [appellant] heeft verzocht zijn zienswijze tegen het vorige plan in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen en wijst op het vaststellingsbesluit van het vorige plan.

3.1. De raad stelt dat met de bestemming "Maatschappelijk" de nodige flexibiliteit is betracht, om ook ander gebruik van de bestaande scholen mogelijk te maken. Hij heeft voor deze bestemming aansluiting gezocht bij de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (hierna: SVBP 2012). De raad stelt zich voorts op het standpunt dat een invulling van het plan waarbij alle gronden binnen de door [appellant] bestreden plandelen worden gebruikt voor één van de voorziene functies, zoals bijvoorbeeld medische voorzieningen, niet representatief is. Het realiseren van een grootschalige medische voorziening is volgens de raad niet waarschijnlijk, omdat daaraan geen behoefte bestaat in Bavel.

3.2. Aan de plandelen voor de percelen Zuster Boomaarsstraat 4 en de Pastoor Doensstraat 3 en 5 is de bestemming "Maatschappelijk" toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden bestemd voor:

a. maatschappelijke voorzieningen;

b. ter plaatse van de aanduiding "begraafplaats" tevens een begraafplaats;

met daarbij behorend(e);

c. groen;

d. nutsvoorzieningen;

e. parkeren;

f. verkeer;

g. water.

Ingevolge artikel 1, lid 1.62, worden onder maatschappelijke voorzieningen verstaan: voorzieningen inzake welzijn, volksgezondheid (medisch en paramedisch), cultuur, religie, verenigingsleven, onderwijs, openbare orde en veiligheid, kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang en peuterspeelzalen en daarmee gelijk te stellen bedrijven of instellingen.

3.3. Voor zover [appellant] heeft verzocht zijn zienswijze tegen het vorige plan in deze procedure als herhaald en ingelast te beschouwen, overweegt de Afdeling als volgt. [appellant] heeft hierom ook in zijn zienswijze tegen het thans voorliggende plan verzocht. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. [appellant] heeft in het beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van zijn zienswijzen in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

3.4. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan en het daaraan ten grondslag liggende vaststellingsbesluit geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Niet in geschil is dat ten opzichte van het vorige plan meer functies zijn toegestaan. Dat de raad hiermee enige flexibiliteit heeft beoogd, is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk of in strijd met het conserverende karakter van het plan. Dat de raad geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid ter plaatse van de door [appellant] bestreden plandelen een brede school te realiseren, omdat dit initiatief ten tijde van de vaststelling nog niet concreet was, doet hier niet aan af. Voorts valt niet in te zien dat aan voormeld standpunt van de raad geen ruimtelijke afweging ten grondslag ligt. Voorts heeft de raad voor de in artikel 1, lid 1.62, van de planregels genoemde functies, die als maatschappelijke voorzieningen onder de bestemming "Maatschappelijk" zijn toegestaan, naar het oordeel van de Afdeling terecht bij de SVBP 2012 aangesloten. Wat betreft de vrees van [appellant] voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat, overweegt de Afdeling als volgt. De raad stelt zich op het standpunt dat de door [appellant] bestreden plandelen in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening en niet leiden tot een aantasting van het woon- en leefklimaat van [appellant]. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit standpunt onjuist is. Voorts is artikel 11, lid 11.1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.62, van de planregels naar het oordeel van de Afdeling voldoende duidelijk en geobjectiveerd en heeft [appellant] niet onderbouwd dat de door hem bestreden plandelen uit een ander oogpunt is vastgesteld in strijd met de rechtszekerheid.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 9 oktober 2013 in zaak nr. 201206895/1/R3 overweegt de Afdeling evenwel dat bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen en de te verwachten verkeersaantrekkende werking dient te worden uitgegaan van een representatieve invulling van hetgeen ingevolge de plandelen maximaal mogelijk is. In het verweerschrift stelt de raad weliswaar dat alleen ten gevolge van medische functies een hogere verkeers- en parkeerbelasting is te verwachten dan ten gevolge van een basisschool, maar de raad heeft niet aannemelijk gemaakt dat een invulling van de percelen Zuster Boomaarsstraat 4 en Pastoor Doensstraat 3 en 5 waarbij alle gronden alleen worden gebruikt voor medische functies, niet representatief is. Wat betreft het standpunt van de raad dat aan een grootschalige medische voorziening geen behoefte bestaat in Bavel, overweegt de Afdeling dat niet is uitgesloten dat een medische voorziening zal worden gerealiseerd die voorziet in een regionale behoefte. Voorts is van belang dat ook een combinatie van verschillende medische voorzieningen tot de mogelijkheden behoort. De raad heeft dan ook niet inzichtelijk gemaakt dat het aantal benodigde parkeerplaatsen en de te verwachten verkeersintensiteiten zijn gebaseerd op een representatieve invulling van hetgeen ingevolge artikel 11, lid 11.1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.62, van de planregels maximaal mogelijk is op de percelen Zuster Boomaarsstraat 4 en Pastoor Doensstraat 3 en 5. Evenmin is inzichtelijk gemaakt dat ook een invulling van deze percelen waarbij alle gronden alleen worden gebruikt voor medische functies, afgezet tegen de parkeercapaciteit van de omliggende plandelen, niet leidt tot een onaanvaardbare parkeer- of verkeershinder. Het bestreden besluit is gelet hierop in zoverre genomen in strijd met de bij het nemen van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het betoog slaagt.

4. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit voor zover het betreft de vaststelling van de plandelen met de bestemming "Maatschappelijk" aan de Zuster Boomaarsstraat 4 en de Pastoor Doensstraat 3 en 5 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding de raad op de voet van artikel 8:51d van de Awb op te dragen het gebrek in het bestreden besluit binnen de hierna te noemen termijn te herstellen.

De raad dient daartoe:

a. alsnog in inzichtelijk te maken dat het aantal benodigde parkeerplaatsen en de te verwachten verkeersintensiteiten die aan de vaststelling van het plan ten grondslag liggen, zijn gebaseerd op een representatieve invulling is van hetgeen ingevolge artikel 11, lid 11.1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.62, van de planregels maximaal mogelijk is op de percelen Zuster Boomaarsstraat 4 en Pastoor Doensstraat 3 en 5, dan wel;

b. te motiveren dat ook een invulling van deze percelen waarbij alle gronden alleen worden gebruikt voor medische functies niet leidt tot een onaanvaardbare parkeer- of verkeershinder, dan wel;

c. de planregeling voor deze percelen gewijzigd vast te stellen.

Afdeling 3.4 van de Awb behoeft bij de voorbereiding van een gewijzigd of nieuw besluit niet opnieuw te worden toegepast.

5. In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

draagt de raad van de gemeente Breda op om binnen 20 weken na de verzending van deze tussenuitspraak:

- met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen het besluit van 30 mei 2013, kenmerk 40731, te herstellen door:

a. alsnog in inzichtelijk te maken dat het aantal benodigde parkeerplaatsen en de te verwachten verkeersintensiteiten die aan de vaststelling van het plan ten grondslag liggen, zijn gebaseerd op een representatieve invulling is van hetgeen ingevolge artikel 11, lid 11.1, gelezen in samenhang met artikel 1, lid 1.62, van de planregels maximaal mogelijk is op de percelen Zuster Boomaarsstraat 4 en Pastoor Doensstraat 3 en 5, dan wel;

b. te motiveren dat ook een invulling van deze percelen waarbij alle gronden alleen worden gebruikt voor medische functies niet leidt tot een onaanvaardbare parkeer- of verkeershinder, dan wel;

c. de planregeling voor deze percelen gewijzigd vast te stellen;

- de Afdeling en de andere partij de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van staat.

w.g. Van Diepenbeek w.g. Boermans

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

429-653.