Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1903

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201309412/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Tiel West - Bedrijven Papesteeg" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201309412/1/R2.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PPG Coatings B.V. (hierna: PPG), gevestigd te Tiel,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Niacet B.V. (hierna: Niacet), gevestigd te Tiel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Tiel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Tiel West - Bedrijven Papesteeg" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben PPG en Niacet beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad, PPG en Niacet hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2014, waar PPG, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Leiden, Niacet, vertegenwoordigd door H. van Nistelrooij, eveneens bijgestaan door mr. A. van Rossem, en de raad, vertegenwoordigd door D. Kramer, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de bedrijfsterreinen van PPG en Niacet aan de Papesteeg te Tiel. Met het plan wordt beoogd de bestaande ruimtelijke en functionele situatie te behouden, met dien verstande dat kleinschalige ontwikkelingen binnen de bestaande bedrijfsfuncties mogelijk zijn.

Ontvankelijkheid

3. PPG betoogt dat ten onrechte een strook van haar gronden aan de zuidzijde van haar bedrijfsterrein niet in het plan is opgenomen. Op deze strook vinden geen bedrijfsactiviteiten plaats, maar deze strook is wel in eigendom van PPG. In dit kader voert PPG aan dat de raad ten onrechte de indruk heeft gewekt dat het gehele bedrijfsterrein van PPG in het plan is opgenomen, nadat was besloten het bedrijfsterrein uit het omringende plan "Tiel West" te lichten en daarvoor een apart plan op te stellen. In dit verband wijst PPG er verder op dat de kadastrale grenzen van het bedrijfsterrein niet zijn ingetekend in de planverbeelding. Ook betogen PPG en Niacet dat ten onrechte de bestaande bebouwing niet is ingetekend in de verbeelding.

3.1. De raad betoogt dat het beroep van PPG, voor zover het zich tegen deze onderdelen van het bestreden besluit richt, niet-ontvankelijk is. Ook betoogt de raad dat het beroep van Niacet niet-ontvankelijk is voor zover het zich richt tegen het ontbreken van een aanduiding van de bestaande bebouwing in de planverbeelding.

3.2. Het beroep van PPG, voor zover gericht tegen de begrenzing van het plangebied aan de zuidzijde en tegen het ontbreken van een vermelding van de kadastrale grenzen en bestaande bebouwing in de planverbeelding, steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze. Het beroep van Niacet, voor zover gericht tegen het ontbreken van een vermelding van de bestaande bebouwing in de planverbeelding, steunt evenmin op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij bij het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten.

Deze omstandigheid doet zich niet voor. De begrenzing van het plangebied is gelijk aan de begrenzing van het in het ontwerpplan begrepen gebied. Voorts waren ook in de verbeelding van het ontwerpplan geen kadastrale grenzen vermeld en was de bestaande bebouwing in die verbeelding evenmin weergegeven. PPG en Niacet hebben niet aannemelijk gemaakt dat hen niet redelijkerwijs kan worden verweten het indienen van een zienswijze met betrekking tot genoemde onderdelen van het bestreden besluit te hebben nagelaten.

Het beroep van PPG is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen de begrenzing van het plangebied aan de zuidzijde en tegen het ontbreken van een vermelding van de kadastrale grenzen en de bestaande bebouwing in de planverbeelding. Het beroep van Niacet is niet-ontvankelijk voor zover het is gericht tegen het ontbreken van een vermelding van de bestaande bebouwing in de planverbeelding.

De beroepen inhoudelijk

Uitbreidingsmogelijkheden

4. PPG en Niacet kunnen zich niet met het plan verenigen. Zij betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een beperking van de mogelijkheden voor uitbreiding van hun bedrijven en dat onvoldoende rekening is gehouden met hun belangen. Zij wijzen erop dat de bouwvlakken op hun bedrijfsterreinen ten opzichte van het voorheen geldende plan zijn verkleind. Ook voorziet het plan volgens hen ten onrechte in een maximum bebouwingspercentage voor hun bedrijfsterreinen van 60%, terwijl in andere bestemmingsplannen van de gemeente Tiel wordt voorzien in een maximum bebouwingspercentage van 80%.

Verder betoogt PPG dat het plan ten onrechte voorziet in de bestemming "Groen" voor een deel van haar gronden. Deze gronden, waarop in het voorheen geldende plan bedrijfsactiviteiten mogelijk waren, zijn volgens PPG belangrijk voor de levensvatbaarheid van haar bedrijf. Omdat de bebouwingsmogelijkheden op haar andere gronden zijn beperkt en uitbreiding van het bedrijf voor de voortzetting daarvan onvermijdelijk is, had het plan ook voor de gronden waaraan nu de bestemming "Groen" is toegekend in een bedrijfsbestemming moeten voorzien.

In dit verband voeren PPG en Niacet aan dat de raad ten onrechte stelt dat deze planologische regeling extra hinder voor woningen in de omgeving voorkomt, nu de raad geen onderzoek heeft verricht naar de relatie tussen de vorm en omvang van het bouwvlak en de milieugevolgen van de binnen dat bouwvlak mogelijk gemaakte bedrijfsactiviteiten. Hierbij wijzen PPG en Niacet erop dat bij elke wijziging van de bedrijfsactiviteiten zal moeten worden voldaan aan de daarvoor geldende milieunormen. Verder voeren zij in dit verband aan dat de raad zich ten onrechte op het standpunt stelt dat stedenbouwkundige motieven aan de in het plan opgenomen beperkingen van de bouw- en uitbreidingsmogelijkheden ten grondslag liggen, omdat de afstand tot de perceelgrens door de vorm van het bouwvlak waar het plan in voorziet, juist sterk varieert. Voorts gaat de raad volgens PPG en Niacet uit van een onjuiste hoeveelheid resterende uitbreidingsruimte, nu de resterende uitbreidingsruimte kleiner is dan de raad stelt. Verder is de verkleining van het bouwvlak niet door ruimtelijke, maar door financiële overwegingen ingegeven, omdat wordt aangestuurd op bedrijfsverplaatsing.

Ook voert PPG aan dat zij binnen de planperiode uitbreidingen wenst te realiseren op haar gronden met de bestemming "Groen", en dat haar belang bij deze uitbreidingen zwaarder zou moeten wegen dan het belang van de raad bij het realiseren van de bestemming "Groen". Tot slot betoogt PPG dat de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend als weidegrond in gebruik zijn en dat onder groenvoorzieningen geen weidegrond kan worden verstaan.

4.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de ligging van de bedrijfsterreinen van PPG en Niacet in de directe nabijheid van een woonwijk het wenselijk maakt dat de uitbreidingsmogelijkheden van PPG en Niacet worden beperkt. Volgens de raad is bij de keuze voor deze planregeling aangesloten bij de concrete plannen die PPG en Niacet bij het gemeentebestuur kenbaar hebben gemaakt. Verder wijst de raad erop dat de gronden met de bestemming "Groen" al geruime tijd niet in gebruik zijn voor industriële activiteiten maar als weidegrond, waardoor voornoemde bestemming op deze locatie in ruimtelijk opzicht het meest passend is.

4.2. In het voorheen geldende plan "Uitbreidingsplan Tiel West I, partiële herziening 1964 nr. 4" was aan de bedrijfsterreinen van PPG en Niacet de bestemming "Industrieterrein A" toegekend.

Ingevolge artikel 19 van de planregels van dat plan, voor zover thans van belang, wordt onder "Industrieterrein A" verstaan: grond waarop kunnen worden opgericht gebouwen ten dienste van handel en nijverheid, niet voor bewoning bestemd of geschikt zijnde, met een maximumhoogte van 12 meter, een maximaal bebouwingspercentage van 60 en een minimumafstand tot de perceelgrens van 5 meter.

In het thans voorliggende plan is aan het bedrijfsterrein van PPG de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - coatingbedrijf’ toegekend. Aan het bedrijfsterrein van Niacet is de bestemming "Bedrijf" met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - chemiebedrijf’ toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels, voor zover thans van belang, zijn de voor de bestemming "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor doeleinden van handel en bedrijf in de categorieën 1 en 2 van deze regels deel uitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten, alsmede voor doeleinden van handel en bedrijf in de vorm van een chemiebedrijf in categorie 4.2 en een coatingbedrijf in categorie 4.2, ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf - chemiebedrijf’ onderscheidenlijk ‘specifieke vorm van bedrijf - coatingbedrijf’.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2.1, gelden voor het bouwen van gebouwen de aanduidingen op de verbeelding en de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’ worden gebouwd;

b. de bouwhoogte bedraagt maximaal de ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bouwhoogte’ aangegeven bouwhoogte;

c. voor zover een bebouwingspercentage is opgenomen, mag de gezamenlijke oppervlakte voor gebouwen niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding ‘maximum bebouwingspercentage’.

In de verbeelding zijn voor de bedrijfsterreinen van PPG en Niacet een maximum bouwhoogte van 12 meter en een maximum bebouwingspercentage van 60% opgenomen. Voor een gedeelte van het bedrijfsterrein van PPG is in de verbeelding een maximum bouwhoogte van 14 meter opgenomen en voor een ander gedeelte is een maximum bouwhoogte van 19 meter opgenomen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en b, van de planregels zijn de voor de bestemming "Groen" aangewezen gronden bestemd voor groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen, waaronder waterpartijen en waterlopen.

Ingevolge artikel 9, lid 9.1.1, geldt in die gevallen dat de bestaande goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Woningwet of de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van de planregels is toegestaan, die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en/of inhoud in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.

4.3. Op de bedrijfsterreinen van PPG en Niacet zijn onderscheidenlijk een coatingbedrijf en een chemiebedrijf toegestaan in milieucategorie 4.2. In de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" (hierna: de VNG-brochure) is voor dergelijke bedrijvigheid een richtafstand van 300 meter opgenomen. De bedrijfsterreinen van PPG en Niacet liggen echter in de directe omgeving van een woonwijk, waarvan de dichtstbijzijnde woningen op een afstand van ongeveer 60 meter van de plangrens zijn gelegen. Aan de in de VNG-brochure opgenomen richtafstand kan dan ook ruimschoots niet worden voldaan. De raad heeft toegelicht dat hij de uitbreidingsmogelijkheden van PPG en Niacet ten opzichte van het voorheen geldende plan heeft willen beperken, omdat de bedrijfsactiviteiten van PPG en Niacet gelet op de afstand tot de omliggende woningen in beginsel niet meer passend zijn in deze omgeving. De raad heeft echter ook recht willen doen aan de belangen van PPG en Niacet bij voortzetting van hun bedrijfsactiviteiten. Onweersproken is dat het gemeentebestuur met PPG en Niacet overleg heeft gevoerd over eventuele in het plan op te nemen uitbreidingsplannen van deze bedrijven, om zodoende de bedrijfsactiviteiten van PPG en Niacet niet geheel te beperken tot de bestaande omvang. Niet is in geschil dat voor beide bedrijven oppervlak resteert dat kan worden benut voor uitbreidingen van de bedrijfsactiviteiten. Ten behoeve van PPG is in dit verband voor een gedeelte van haar bedrijfsterrein een maximale bouwhoogte van 19 meter in het plan opgenomen, zodat PPG de mogelijkheid heeft gekregen nieuwe door haar gewenste bedrijfsbebouwing te realiseren.

In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onder deze omstandigheden de belangen van omwonenden bij beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van PPG en Niacet, dienen te prevaleren boven de belangen van die bedrijven bij volledige voortzetting van de uitbreidingsmogelijkheden die in het voorheen geldende plan waren opgenomen. In hetgeen PPG en Niacet hebben aangevoerd wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de in het plan opgenomen regeling alleen zou zijn ingegeven door stedenbouwkundige of financiële motieven. De raad heeft dan ook in redelijkheid kunnen besluiten de omvang van de bouwvlakken en het bebouwingspercentage te beperken ten opzichte van het voorheen geldende plan.

Voor zover PPG heeft betoogd dat aan een deel van haar gronden ten onrechte de bestemming "Groen" is toegekend, wordt overwogen dat niet in geschil is dat de gronden waaraan de bestemming "Groen" is toegekend, reeds bijna 50 jaar niet in gebruik zijn voor de bedrijfsactiviteiten van PPG. Het laten voortbestaan van een bedrijfsbestemming op deze gronden zou een grote uitbreiding van de bedrijfsactiviteiten van PPG mogelijk maken, ook als op deze gronden alleen een parkeervoorziening mogelijk zou worden gemaakt. Het verplaatsen van de parkeervoorziening naar deze gronden maakt immers het realiseren van nieuwe bedrijfsbebouwing of installaties op de voormalige locatie van de parkeervoorzieningen mogelijk. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad zich - gelet op hetgeen hiervoor is overwogen - in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat overeenkomstig de bestaande feitelijke situatie de bestemming "Groen" aan deze gronden moet worden toegekend, in aanmerking genomen de belangen van omwonenden bij een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van PPG. Overigens wordt geen aanleiding gezien voor het oordeel dat onder groenvoorzieningen, waarvoor gronden met de bestemming "Groen" onder meer zijn bestemd, geen weidegrond kan worden verstaan.

De betogen falen.

Afwijkingsbevoegdheid

5. PPG en Niacet betogen dat artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels, dat de voorwaarden bevat waaronder van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1, kan worden afgeweken, rechtsonzeker is. Volgens PPG en Niacet zijn deze voorwaarden onduidelijk.

5.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels kan bij omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1, onder a, en kan worden toegestaan dat een gebouw wordt gebouwd buiten het bouwvlak mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de waterhuishoudkundige situatie, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5.2. De Afdeling begrijpt de betogen van PPG en Niacet aldus, dat zij betogen dat de in artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels opgenomen afwijkingsbevoegdheid onvoldoende objectief is begrensd.

Ingevolge artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet ruimtelijke ordening kan bij een bestemmingsplan worden bepaald dat met inachtneming van de bij het plan te geven regels bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Met deze bepaling kan de bevoegdheid worden gecreëerd op ondergeschikte onderdelen van het plan af te wijken.

In artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels zijn de voorwaarden opgenomen waaronder het college op grond van dat artikel een omgevingsvergunning voor de bouw van een gebouw buiten het bouwvlak kan verlenen. PPG en Niacet hebben niet aannemelijk gemaakt dat deze criteria niet duidelijk genoeg zijn om te kunnen beoordelen in welke gevallen het college een omgevingsvergunning voor een dergelijke afwijking van de planregels kan verlenen. De in artikel 3, lid 3.3, onder a, van de planregels opgenomen voorwaarden geven dan ook een voldoende objectieve begrenzing van de bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 3, lid 3.2.1, onder a, en daarmee de bouw van een gebouw buiten het bouwvlak toe te staan.

De betogen falen.

Bouwhoogte

6. PPG en Niacet betogen verder dat het plan voor een groot deel van hun bedrijfsterreinen ten onrechte voorziet in een maximale bouwhoogte van 12 meter. Hiertoe voeren zij aan dat moderne fabrieksgebouwen hoger zijn dan 12 meter en dat een grotere toegestane bouwhoogte voor hun bedrijfsactiviteiten noodzakelijk is. In dit verband wijzen PPG en Niacet erop dat op hun bedrijfsterreinen reeds verschillende gebouwen aanwezig zijn die hoger zijn dan 12 meter. Ook is de bouw van fabrieksgebouwen hoger dan 12 meter volgens PPG en Niacet ruimtelijk niet onaanvaardbaar. De bouw van hogere fabrieksgebouwen brengt geen extra hinder voor omliggende woningen met zich, nu veel woningen in de omgeving van de fabrieksgebouwen afgekeerd zijn gesitueerd en groensingels de bedrijfsgebouwen grotendeels aan het zicht onttrekken. Verder is de bouw van dergelijke gebouwen volgens hen passend in de Hoogbouwvisie van de gemeente Tiel. PPG en Niacet betogen dat de raad onderzoek had moeten doen naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van fabrieksgebouwen hoger dan 12 meter en dat de raad niet zonder meer had mogen aansluiten bij de in het voorheen geldende plan toegestane bouwhoogte.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van hogere fabrieksgebouwen niet passend is in de Hoogbouwvisie. Verder wijst de raad erop dat hij in individuele gevallen een verhoging van de toegestane bouwhoogte in overweging kan nemen, maar dat hij het zonder meer toestaan van een grotere toegestane bouwhoogte niet ruimtelijk aanvaardbaar acht.

6.2. Zowel PPG en Niacet als de raad wijzen op de Hoogbouwvisie van de gemeente Tiel. In dit gemeentelijk beleidsstuk wordt ingegaan op de aanvaardbaarheid en wenselijkheid van het realiseren van hoogbouw op verschillende locaties in Tiel. De Hoogbouwvisie ziet op alle hoogbouw binnen de gemeente Tiel en daarmee ook op hoogbouw ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. In de Hoogbouwvisie zijn aan de hand van verschillende ruimtelijke uitgangspunten zoekzones voor nieuwe hoogbouw gekozen. Binnen deze zoekzones wordt nieuwe hoogbouw ruimtelijk aanvaardbaar geacht. De bedrijfsterreinen van PPG en Niacet zijn niet gelegen binnen één van deze zoekzones. De passage van de Hoogbouwvisie waarnaar PPG en Niacet verwijzen ter onderbouwing van hun stelling dat de Hoogbouwvisie niet in de weg staat aan een grotere maximale bouwhoogte voor hun bedrijfsterreinen, betreft de definitie van hoogbouw en is geen weergave van het gemeentelijk beleid ten aanzien daarvan.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het toestaan van een grotere maximale bouwhoogte dan de bestaande hoogte op de bedrijventerreinen van PPG en Niacet niet in overeenstemming is met de Hoogbouwvisie. In hetgeen PPG en Niacet hebben aangevoerd wordt voorts geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er in dit geval geen reden was om van het in de Hoogbouwvisie opgenomen beleid af te wijken. De raad heeft dan ook mogen aansluiten bij de in het voorheen geldende plan opgenomen toegestane maximale bouwhoogte, behoudens enkele uitzonderingen, zonder nader onderzoek naar de ruimtelijke aanvaardbaarheid van een grotere toegestane bouwhoogte. De door PPG en Niacet aangevoerde omstandigheden dat woningen in de omgeving van de bedrijfsterreinen afgekeerd zijn gesitueerd en dat de door PPG en Niacet gewenste bebouwing door groensingels gedeeltelijk aan het zicht zou worden onttrokken en derhalve door omwonenden niet voor zichthinder behoeft te worden gevreesd, doen daar niet aan af. De raad heeft verder daarbij betrokken het belang van de uitstraling van het gehele stadssilhouet van Tiel.

Hierbij wordt nog opgemerkt dat voor enkele gebouwen op het bedrijfsterrein van PPG in het plan reeds een grotere maximum bouwhoogte dan 12 meter is opgenomen: voor één gebouw geldt een maximum bouwhoogte van 14 meter, en ten behoeve van nieuwe bedrijfsbebouwing is voor een gedeelte van het bedrijfsterrein een maximum bouwhoogte van 19 meter opgenomen. Voor zover op de bedrijfsterreinen van PPG en Niacet legaal opgerichte bebouwing aanwezig is die de op de verbeelding aangegeven maximale bouwhoogte overschrijdt, geldt ingevolge artikel 9, lid 9.1.1, van de planregels dat de hoogte van die bebouwing als de maximaal toegestane bouwhoogte heeft te gelden.

De betogen falen.

Economische uitvoerbaarheid

7. PPG en Niacet betogen dat in het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met de verplichting om planschade te vergoeden. Hierbij wijzen zij op de te verwachten schade ten gevolge van de verkleining van de bouwvlakken op hun bedrijfsterreinen. Ook wijst PPG op de te verwachten schade ten gevolge van het toekennen van de bestemming "Groen" aan een deel van haar gronden.

Wat de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de gronden van PPG en Niacet betreft, bestaat geen grond voor de verwachting dat die waardedaling zodanig zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan. Hiertoe wordt overwogen dat de raad onweersproken heeft gesteld dat in het geval dat zich planschade voordoet, voldoende fondsen uit de algemene middelen beschikbaar zijn om tot vergoeding daarvan over te kunnen gaan.

Het betoog faalt.

Conclusie

8. De beroepen, voor zover ontvankelijk, zijn ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PPG Coatings B.V., voor zover gericht tegen de begrenzing van het plangebied aan de zuidzijde en tegen het ontbreken van een vermelding van de kadastrale grenzen en bestaande bebouwing in de planverbeelding, en het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Niacet B.V., voor zover gericht tegen het ontbreken van een vermelding van de bestaande bebouwing in de planverbeelding, niet-ontvankelijk;

II. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt en mr. N.S.J. Koeman, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Vogel-Carprieaux, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Vogel-Carprieaux

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

458-726.