Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1900

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201306983/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2013:1382, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het aanpassen van een stal, het realiseren van sleufsilo's en het kappen van diverse bomen op het perceel [locatie] te Enter (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306983/1/A1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Enter, gemeente Wierden (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 10 juli 2013 in zaak nrs. 13/1066 en 13/1067 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Wierden.

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2013 heeft het college aan [vergunninghouder] omgevingsvergunning verleend voor het aanpassen van een stal, het realiseren van sleufsilo's en het kappen van diverse bomen op het perceel [locatie] te Enter (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 10 juli 2013 heeft de voorzieningenrechter het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij nader stuk van 6 augustus 2013 heeft het college gewijzigde bouwtekeningen aan de omgevingsvergunning ten grondslag gelegd.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 mei 2014, waar het college, vertegenwoordigd door L. Pak en A. ter Avest, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Voorts is ter zitting vergunninghouder gehoord.

Overwegingen

1. Het college heeft ten behoeve van het bouwplan omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), alsmede voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder g, van de Wabo. Bij nader stuk van 6 augustus 2013 heeft het college een bouwtekening van vergunninghouder van 9 juli 2013 overgelegd, waarin een wijziging is opgenomen ten opzichte van de verleende omgevingsvergunning. Uit deze tekening blijkt dat de stal is verplaatst.

2. [appellant] betoogt dat het bouwplan met de door vergunninghouder ingediende bouwtekening van 9 juli 2013 niet ondergeschikt is gewijzigd, zodat die wijzigingen geen onderdeel uitmaken van de omgevingsvergunning.

2.1. De wijziging heeft betrekking op een verplaatsing van de stal en de sleufsilo’s met 7 m vanaf de Goorseweg gezien naar achteren en met 10 m naar rechts in zuidoostelijke richting.

Anders dan [appellant] betoogt heeft het college deze wijziging terecht aangemerkt als een ondergeschikte wijziging van de oorspronkelijke aanvraag. Hierbij heeft het college terecht in aanmerking genomen dat de uiterlijke verschijningsvorm van de bouwwerken onveranderd blijft, de afstanden tussen de bedrijfswoning en de stal en de stal en de sleufsilo’s gelijk blijven, het aantal m² bebouwing onveranderd blijft en de stal en sleufsilo’s verder van de houtwal en de sloot komen te liggen. Verder heeft het daarbij terecht in aanmerking genomen dat de gewijzigde situering binnen het ter plaatse geldende bestemmingsplan en binnen het bij de omgevingsvergunning behorende landschapsplan past en dat met de gewijzigde situering de bouwwerken verder van de woningen van [appellant] en Lammertink worden gesitueerd. Ter zitting heeft het college verder toegelicht dat de stal in de gewijzigde situering ook niet dichterbij een natuurgebied of bij andere woningen van derden ligt.

Het betoog faalt.

3. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college de omgevingsvergunning had moeten weigeren, omdat het bouwplan in strijd is met de in artikel 7 van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2009, partiële herziening Goorseweg ong.-Eversdijk 16 in Enter" opgenomen anti-dubbeltelbepaling.

3.1. Ingevolge de ter plaatse geldende bestemmingsplannen "Buitengebied 2009, partiële herziening Goorseweg ong.-Eversdijk 16 in Enter" en "Buitengebied 2009" heeft het perceel de bestemmingen "Agrarisch-Agrarisch bedrijf" en "Agrarisch met waarden-Landschap".

Ingevolge artikel 7 van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 2009, partiële herziening Goorseweg ong.-Eversdijk 16 in Enter" blijft grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

3.2. De voorzieningenrechter heeft het standpunt van [appellant] terecht niet gevolgd, nu het bouwplan in de plaats komt van het eerdere bouwplan, de stal en de bedrijfswoning binnen het bouwvlak vallen en de sleufsilo’s, voor zover zij er buiten vallen, eveneens zijn toegestaan nu zij niet verder dan 50 m buiten het bouwvlak zijn voorzien.

Het betoog faalt.

4. [appellant] betoogt verder dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat een evidente privaatrechtelijke belemmering aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. Hij voert daartoe aan dat de grond waarop het bouwplan is voorzien geen eigendom is van vergunninghouder.

4.1. De voorzieningenrechter heeft terecht overwogen dat geen evidente privaatrechtelijke belemmering aan verlening van de omgevingsvergunning in de weg staat. De enkele omstandigheid dat vergunninghouder nog geen eigenaar is van een gedeelte van het perceel is daartoe onvoldoende. Hierbij heeft de voorzieningenrechter terecht van belang geacht dat vergunninghouder in het kader van de Landinrichting Enter is aangewezen als toekomstig eigenaar van de gronden op het perceel waarvan hij nog geen eigenaar is.

Het betoog faalt.

5. [appellant] betoogt dat de voorzieningenrechter niet heeft onderkend dat voor het bouwplan eveneens omgevingsvergunning voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo benodigd is. Dat in de ligboxenstal minder dan 200 stuks melkvee wordt gehouden maakt volgens hem niet dat het bedrijf onder het Activiteitenbesluit milieubeheer valt. Volgens hem moet volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling uit worden gegaan van de technische capaciteit van de ligboxenstal. Nu de ligboxenstal is berekend op 231 stuks melkvee, valt het bedrijf niet onder de werking van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar is daarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo nodig.

5.1. De voorzieningenrechter heeft terecht geconcludeerd dat geen omgevingsvergunning nodig is voor de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, van de Wabo. Ten tijde van belang werden 193 melk- en kalfkoeien, 110 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en 1 fokstier ter plaatse gehouden, zodat op de inrichting het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing is. Niet gebleken is dat ten tijde van belang meer dieren in de inrichting werden gehouden. De jurisprudentie waar appellant naar verwijst, ziet - zoals de voorzieningenrechter terecht overweegt - op mer-beoordelingen.

Het betoog faalt.

6. Eerst in hoger beroep heeft [appellant] aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met artikel 47b van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998), dat de Nbw 1998 geen ruimte biedt voor saldering en dat de vergunning op grond van de Nbw 1998 in strijd is met het door de raad van de gemeente Wierden bij besluit van 10 mei 2011 vastgestelde "Beleid Rood voor Rood met gesloten beurs Gemeente Wierden". Anders dan [appellant] stelt had hij deze gronden bij de voorzieningenrechter kunnen aanvoeren, omdat op dat moment al een aanvraag om een vergunning op grond van de Nbw 1998 was aangevraagd. Voorts is daarbij van belang dat de gewijzigde bouwtekening, zoals in 2.1 is overwogen een ondergeschikte wijziging betreft, zodat in die wijziging en de reactie van het college daarop, evenmin reden kan worden gevonden voor het oordeel dat deze gronden niet eerder konden worden aangevoerd. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter, er geen reden is waarom die betogen niet reeds bij de voorzieningenrechter konden worden aangevoerd en [appellant] dit uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen had behoren te doen, dienen deze betogen buiten beschouwing te blijven.

7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. M.W.L. Simons-Vinckx en mr. Y.E.M.A. Timmerman-Buck, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Troostwijk w.g. Fransen

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

407-776.