Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201308102/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 februari 2013 heeft de staatssecretaris geweigerd een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) aan [appellant] te verlenen.

Wetsverwijzingen
Ontgrondingenwet
Ontgrondingenwet 3
Ontgrondingenwet 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2015/117 met annotatie van H.S. de Vries
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201308102/1/A3.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 19 juli 2013 in zaak nr. 13/3057 in het geding tussen:

[appellant]

en

staatssecretaris van Veiligheid en Justitie

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2013 heeft de staatssecretaris geweigerd een verklaring omtrent het gedrag (hierna: VOG) aan [appellant] te verlenen.

Bij besluit van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2014, waar [appellant], bijgestaan door mr. C. Ganzeboom, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door F.E.I.H. Muijtjens en mr. V. Chaudron, werkzaam bij het ministerie, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is een VOG een verklaring van de minister dat uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokken natuurlijke persoon of rechtspersoon ingesteld, gelet op het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de afgifte is gevraagd en na afweging van het belang van betrokkene, niet is gebleken van bezwaren tegen die natuurlijke persoon of rechtspersoon. De verklaring bevat geen andere mededelingen. Ingevolge artikel 35, eerste lid, weigert de minister de afgifte van een verklaring, indien in de justitiële documentatie met betrekking tot de aanvrager een strafbaar feit is vermeld, dat, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval, aan een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd, in de weg zal staan.

Bij de beoordeling van de aanvraag zijn de criteria toegepast die zijn gepubliceerd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2013 (Stcrt. 1 maart 2013, 5409; hierna: de Beleidsregels).

Volgens paragraaf 3 ontvangt de staatssecretaris ten behoeve van de beoordeling van een VOG-aanvraag alle justitiële gegevens betreffende de aanvrager die zijn geregistreerd in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS). Aan de aanvrager die niet voorkomt in het JDS, wordt zonder meer een VOG afgegeven. Wanneer de aanvrager voorkomt in het JDS wordt de vraag of een VOG kan worden afgegeven beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.

Volgens paragraaf 3.1 wordt bij de beoordeling van de justitiële gegevens van de aanvrager een terugkijktermijn in acht genomen. Voor de terugkijktermijn zijn van belang:

1. de periode waarover wordt teruggekeken en

2. de uitgangspunten om te bepalen of een justitieel gegeven binnen de van toepassing zijnde terugkijktermijn valt.

Volgens paragraaf 3.1.2, aanhef en onder a, wordt om te bepalen of een relevant justitieel gegeven binnen de terugkijktermijn valt de datum van de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg als uitgangspunt genomen.

Volgens paragraaf 3.2, getiteld "Het objectieve criterium", wordt de afgifte van de VOG in beginsel geweigerd indien wordt voldaan aan het objectieve criterium. Het objectieve criterium betreft de beoordeling of de justitiële gegevens die ten aanzien van de aanvrager zijn aangetroffen, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd. Het objectieve criterium bestaat uit de volgende elementen die hieronder nader worden uitgewerkt:

1. justitiële gegevens;

2. indien herhaald;

3. risico voor de samenleving en

4. een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid.

Volgens paragraaf 3.2.1 worden de relevante justitiële gegevens die voorkomen in het JDS op naam van de aanvrager meegewogen bij de beoordeling.

Volgens paragraaf 3.2.2 toetst de staatssecretaris of het justitiële gegeven, op zichzelf en afgezien van de persoon van de aanvrager, indien herhaald, een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid zou verhinderen, omdat daarbij een risico voor de samenleving ontstaat. Toepassing van het objectieve criterium ziet slechts op de vraag of er sprake zou zijn van een risico voor de samenleving wanneer dit of een soortgelijk strafbaar feit zou worden gepleegd door een persoon in de uitoefening van de functie, taak of bezigheid waarvoor de VOG wordt aangevraagd.

Volgens paragraaf 3.2.3 wordt bij de vaststelling van het risico voor de samenleving een onderverdeling gemaakt in risico’s voor informatie, geld, goederen, diensten, zakelijke transacties, proces, aansturen organisatie en personen. Met behulp van een algemeen screeningsprofiel en een aantal specifieke screeningsprofielen worden de risico’s nader uitgewerkt. Op basis hiervan kan worden beoordeeld of een justitieel gegeven als relevant moet worden beschouwd voor het doel van de aanvraag.

Volgens paragraaf 3.2.4 bepaalt de relatie tussen het justitiële gegeven en de functie, taak of bezigheid die de aanvrager gaat vervullen of een justitieel gegeven, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormt voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid. Een belemmering voor de behoorlijke uitoefening van de functie, taak of bezigheid kan voorts bestaan op grond van:

- de aard van het delict dan wel

- de locatie waar de werkzaamheden worden verricht.

Volgens paragraaf 3.3, getiteld "Het subjectieve criterium", kan op grond van het subjectieve criterium worden geoordeeld dat het belang dat een aanvrager heeft bij het verstrekken van de VOG zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het door middel van het objectieve criterium vastgestelde risico voor de samenleving. In dat geval wordt de VOG afgegeven ondanks dat wordt voldaan aan het objectieve criterium.

Volgens paragraaf 3.3.1 ziet het subjectieve criterium op omstandigheden van het geval die ertoe kunnen leiden dat de objectieve vaststelling van een risico voor de samenleving ten aanzien van deze aanvrager niet zou moeten leiden tot een weigering van de afgifte van de VOG. Omstandigheden van het geval die altijd in de beoordeling worden betrokken zijn:

- de afdoening van de strafzaak;

- het tijdsverloop;

- de hoeveelheid antecedenten.

In het geval dat de staatssecretaris na weging van de omstandigheden van het geval niet tot een goede oordeelsvorming kan komen en twijfel heeft over de vraag of een VOG kan worden afgegeven, worden de omstandigheden waaronder het strafbare feit heeft plaatsgevonden in de beoordeling betrokken.

Volgens het specifieke screeningsprofiel "taxibranche; chauffeurskaart" is de houder van de chauffeurskaart verantwoordelijk voor het welzijn en de veiligheid van de passagiers. Eén van de risico’s is dat de veiligheid van de passagiers en medeweggebruikers in gevaar wordt gebracht. Dit risico kan veroorzaakt worden door rijden onder invloed, overschrijding van de maximumsnelheid, gevaarlijk rijgedrag en/of agressief gedrag.

2. [appellant] heeft de staatssecretaris op 13 december 2012 verzocht hem een VOG te verlenen ten behoeve van zijn aanvraag van een chauffeurskaart bij KIWA Register B.V. te Rijswijk.

In het besluit op bezwaar van 2 mei 2013 heeft de staatssecretaris de afgifte van de door [appellant] verzochte VOG geweigerd. De staatssecretaris heeft op het verzoek het algemeen screeningsprofiel en het screeningsprofiel "taxibranche; chauffeurskaart" toegepast. De staatssecretaris heeft aan de weigering, voor zover thans van belang, ten grondslag gelegd dat in het Justitieel Documentatie Systeem (hierna: JDS) staat geregistreerd dat:

- [appellant] bij strafbeschikking van 9 mei 2011 een geldboete van € 160,- kreeg opgelegd terzake van overtreding van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften, te weten het niet voldoen aan een administratieve vordering;

- [appellant] op 29 januari 2010 is veroordeeld terzake van overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeertekens 1990, te weten overschrijden van de maximumsnelheid. Daarbij is [appellant] veroordeeld tot een geldboete van € 430,-, subsidiair acht dagen hechtenis en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Deze proeftijd is geëindigd op 12 februari 2012. Deze uitspraak is op 13 februari 2010 onherroepelijk geworden;

- [appellant] op 30 juli 2009 is veroordeeld terzake van overtreding van artikel 127, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit personenvervoer 2000, te weten het niet gebruiken of niet (volledig) invullen van de dagrittenstaat. Daarbij is [appellant] veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis met een proeftijd van twee jaren. Deze proeftijd is geëindigd op 13 augustus 2011. Deze uitspraak is op 30 juli 2009 onherroepelijk geworden;

- met [appellant] op 23 maart 2009 een transactie is overeengekomen van € 300,- terzake van overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, te weten overschrijden van de maximumsnelheid.

Voorts stelt de staatssecretaris dat hij, nu [appellant] binnen de terugkijktermijn voorkomt in het JDS, gegevens zonder tijdsbeperking uit het JDS heeft ontvangen. Hieruit blijkt dat [appellant] in 2005 met justitie in aanraking is gekomen wegens het niet (bij zich) hebben van een geldige werkmap. Hiervoor is met [appellant] een transactie overeengekomen.

Gelet hierop heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat indien deze overtredingen worden herhaald in de functie van taxichauffeur, een risico ontstaat voor het welzijn en de veiligheid van personen. Dit risico bestaat volgens de staatssecretaris uit het in gevaar brengen van passagiers en andere weggebruikers. Een snelheidsovertreding is bovendien volgens hem bij uitstek niet te verenigen met de functie van taxichauffeur. De staatssecretaris acht de kans aanwezig dat [appellant] opnieuw met justitie in aanraking zal komen wegens strafbare feiten, gelet op het feit dat [appellant] zowel binnen als buiten de terugkijktermijn met justitie in aanraking is gekomen, de strafmaat duidt op ernstige strafbare feiten en het beperkte tijdverloop. Het te beschermen belang van de samenleving dient volgens de staatssecretaris zwaarder te wegen dan het belang van [appellant] bij de afgifte van de VOG.

3. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de staatssecretaris niet deugdelijk heeft getoetst aan de in de Circulaire opgenomen omstandigheden van het geval. Hiertoe voert hij aan dat vijf van de zes feiten die in het JDS op zijn naam staan niet door hemzelf zijn gepleegd, maar door zijn personeel en dat bij een aanvraag van een VOG ten behoeve van het verkrijgen van een chauffeurskaart niet de justitiële gegevens van personeelsleden in aanmerking mogen worden genomen.

3.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het standpunt van [appellant] dat de feiten waarvan hij stelt dat hij ze niet zelf heeft gepleegd en die de staatssecretaris hem is blijven tegenwerpen, door [appellant] niet met bewijsstukken is gestaafd. Pas in hoger beroep heeft [appellant] bewijsstukken aangeleverd ter staving van zijn standpunt. Deze stukken hadden echter ook al in bezwaar en beroep ingediend kunnen en derhalve moeten worden.

Bovendien behoefde de staatssecretaris geen zelfstandige afweging te maken naar aanleiding van de stelling van [appellant] dat hij een aantal van de feiten niet zelf heeft gepleegd, maar mocht hij uitgaan van de in het JDS beschikbare gegevens. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van18 maart 2009 in zaak nr. 200805579/1. Het betoog faalt.

4. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat het niet voldoen aan kwaliteitseisen en concurrentievervalsing risico’s vormen voor de samenleving, faalt, reeds omdat dit betoog berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de belangenafweging op grond van het subjectieve criterium een groter gewicht moet worden toegekend aan het risico voor de samenleving dan het belang van [appellant] bij afgifte van een VOG, maar heeft geen overwegingen gewijd aan kwaliteitseisen en concurrentievervalsing.

5. [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris zich op het standpunt mocht stellen dat zijn persoonlijke omstandigheden niet voldoende bijzonder zijn om alsnog de VOG te verlenen. Hij voert hiertoe aan dat de strafrechter zijn zaken licht heeft afgedaan, hij zonder VOG zijn werk niet kan uitoefenen, hij niet over andere werkervaring beschikt en hij een inkomen nodig heeft om zijn schuld te kunnen betalen.

5.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de staatssecretaris zich, gelet op het feit dat snelheidsovertredingen alleen in het JDS worden geregistreerd indien sprake is van een overschrijding van de maximumsnelheid met 30 kilometer per uur of meer, op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aan [appellant] op 29 januari 2010 opgelegde voorwaardelijke rijontzegging wegens het overschrijden van de maximumsnelheid, niet als licht kan worden aangemerkt.

De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de omstandigheid dat [appellant] door de weigering van de afgifte van de VOG zijn functie van taxichauffeur niet kan uitoefenen een bij het vaststellen van de Beleidsregels voorzien mogelijk gevolg van die weigering is en om die reden geen bijzondere omstandigheid in verband waarmee de staatssecretaris niettemin tot afgifte van de VOG had moeten besluiten. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2012 in zaak nr. 201108483/1).

Ook de door [appellant] aangevoerde omstandigheden dat hij niet over andere werkervaring beschikt en hij een inkomen nodig heeft om zijn schuld te betalen, maken niet dat de belangenafweging in zijn voordeel diende uit te vallen. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat ook overigens niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de VOG had moeten worden afgegeven.

Het betoog faalt.

6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van staat.

w.g. Borman w.g. Zegveld

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

43-816.