Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201307645/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Vloddervaart" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307645/1/R1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellante B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Wetering, gemeente Steenwijkerland,

en

de raad van de gemeente Steenwijkerland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 2 juli 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Fietspad Vloddervaart" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 mei 2014, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Bloemert, werkzaam bij de gemeente, is verschenen.

Overwegingen

1. Het plangebied is gelegen binnen de gemeente Steenwijkerland tussen Oldemarkt en Scheerwolde. Het nieuw te realiseren recreatieve fietspad ligt parallel aan de Vloddervaart tussen de Koningin Julianaweg en de Woldlakeweg. Vanaf de Woldlakeweg loopt het fietspad richting het noorden tot aan het kanaal Steenwijk-Ossenzijl. Het fietspad wordt vrij liggend gerealiseerd, parallel aan bestaande doorgaande (water)wegen of door het landelijk gebied.

2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Ontvankelijkheid

3. De raad heeft betoogd dat het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat hij geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. In dit verband heeft de raad erop gewezen dat de woning van [appellant] op een afstand van meer dan 150 m van het plangebied staat en dat [appellant] geen zicht heeft op het plangebied.

3.1. Ter zitting is gebleken dat [appellant] op ongeveer 150 m afstand van het plangebied woont. Daargelaten of hij zicht heeft op het plangebied, maakt het plan een fietspad mogelijk dat een aantrekkende werking van fietsverkeer zou kunnen hebben op de route waaraan of in de nabijheid waarvan [appellant] woont. Gelet hierop heeft [appellant] - anders dan de raad betoogt - een rechtstreeks betrokken belang bij het plan en kan hij in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden aangemerkt als belanghebbende bij het bestreden besluit.

Inhoudelijk

4. [appellant] betoogt dat zowel in het vaststellingsbesluit als in de plantoelichting, de planregels en op de verbeelding geen IMRO-code is opgenomen, zodat onduidelijk is of de raad hetzelfde plan heeft vastgesteld als op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl staat. [appellant] voert verder aan dat de IMRO-code op de papieren verbeelding niet overeenkomt met de IMRO-code van het elektronisch vastgestelde plan.

4.1. Ingevolge artikel 1, lid 1.2, van de planregels moet onder het begrip bestemmingsplan worden verstaan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1708.BGBfietspvlodBP-VA01 met de bijbehorende regels en eventuele bijlagen.

4.2. De Afdeling stelt vast dat in het vaststellingsbesluit geen IMRO-code is opgenomen. In de bekendmaking van het besluit van 2 juli 2013 wordt verwezen naar het plan met de IMRO-code NL.IMRO.1708.BGBfietspvlodBP-VA01. Op de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl is uitsluitend het plan met deze IMRO-code te raadplegen. De Afdeling stelt verder vast dat op de papieren verbeelding één letter van voornoemde IMRO-code ontbreekt.

4.3. Vaststaat dat in de planregels in artikel 1, lid 1.2, wordt verwezen naar het GML-bestand NL.IMRO.1708.BGBfietspvlodBP-VA01. De raad heeft ter zitting verklaard dat hij het plan met IMRO-code NL.IMRO.1708.BGBfietspvlodBP-VA01 heeft vastgesteld. De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van de raad dat hij het plan met deze IMRO-code heeft vastgesteld. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat onduidelijkheid over de inhoud van het vastgestelde plan bestaat en dat het bestreden besluit om die reden in strijd met de rechtszekerheid is vastgesteld. Dat op de papieren verbeelding één letter van voornoemde IMRO-code ontbreekt, maakt het voorgaande niet anders, nu de raad te kennen heeft gegeven dat dit een kennelijke verschrijving betreft en dat ingevolge artikel 1.2.3 van het Besluit ruimtelijke ordening het elektronisch vastgestelde plan beslissend is.

Het betoog van [appellant] faalt.

5. [appellant] voert verder aan dat het raadsbesluit ten onrechte niet is ondertekend. Verder betoogt hij dat in het plan niet is uitgegaan van de verordening "Actualisatie Omgevingsverordening Overijssel 2013" (hierna: geactualiseerde Omgevingsverordening 2013).

5.1. Anders dan [appellant] betoogt, stelt de Afdeling vast dat het vaststellingsbesluit van 2 juli 2013 is getekend door de griffier en de burgemeester. Het betoog van [appellant] faalt derhalve.

5.2. De Afdeling stelt voorts vast dat op 3 juli 2013 door provinciale staten van de provincie Overijssel de geactualiseerde Omgevingsverordening 2013 is vastgesteld en dat deze Omgevingsverordening op 1 september 2013 in werking is getreden. Nu het onderhavige plan is vastgesteld op 2 juli 2013, gold ten tijde van deze vaststelling de Omgevingsverordening Overijssel 2009. Gelet hierop faalt het betoog van [appellant].

6. Verder betoogt [appellant] dat de ambtshalve wijziging van de verlegging van het fietspad ter hoogte van de visvijver niet is meegenomen in de notitie van Tauw van 13 november 2012 "Resultaten bodemonderzoek fietspadtracé Vloddervaart" (hierna: het bodemonderzoek) en in het rapport van Tauw en van Altenburg&Wymenga van 29 mei 2013 "Toetsing FF-wet, Verslechteringstoets Nb-wet 1998 en EHS, locatie Vloddervaart" (hierna: de Natuurtoets).

6.1. Vaststaat dat het plan gewijzigd is vastgesteld. Het betreft een wijziging van het fietspadtracé ter hoogte van de visvijver tussen de Woldlakeweg en het kanaal Ossenzijl-Steenwijk. Grenzend aan deze visvijver is het tracé over de lengte van de visvijver ongeveer 5 m van de vijver af geschoven.

6.2. In het bodemonderzoek is de bodemopbouw vastgesteld. Het bodemonderzoek bestond uit het verrichten van drie boringen verdeeld over het gehele fietspadtracé. Uit het bodemonderzoek volgt dat de derde boring is gedaan op het toen nog niet gewijzigde deel van het voorziene fietspadtracé langs de visvijver. Uit deze boring blijkt dat de bodem vanaf het maaiveld tot een diepte van 0,7 m uit humeus en siltig fijn zand bestaat. Hieronder is een veenlaag aangetroffen tot een diepte van 2,3 m. Onder de veenlaag bevindt zich siltig matig grof zand, aldus het bodemonderzoek. Ter zitting heeft de raad verklaard dat de omstandigheid dat het fietspadtracé ter plaatse van de derde boring ongeveer 5 m is verplaatst niet tot gevolg heeft dat niet meer van de resultaten uit het bodemonderzoek kan worden uitgegaan. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden voor een ander oordeel. Het betoog van [appellant] faalt in zoverre.

In de notitie van Tauw van 10 juni 2013 "Aanpassing plangebied fietspad langs visvijver" is in aanvulling op de Natuurtoets onderzocht wat de gevolgen zijn van de verlegging van het fietspadtracé ter hoogte van de visvijver voor de aanwezige biotopen en verwachte soorten. Gelet hierop mist het betoog van [appellant] in zoverre feitelijke grondslag.

7. [appellant] betoogt verder dat het fietspadtracé wordt gebruikt als dekmantel voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, gas- en olieleidingen en hoogspanningsleidingen. Dit brengt onaanvaardbare risico’s met zich, aldus [appellant]. Verder vreest hij dat het plan onder meer chemische fabrieken, een raketbasis en windturbines mogelijk maakt.

7.1. Blijkens de verbeelding is aan het tracé van het voorziene fietspad de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn gronden met de bestemming "Verkeer" bestemd voor fiets- en voetpaden en bermen en beplanting met daaraan ondergeschikt waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen en nutsvoorzieningen en verkeersmeubilair.

7.2. De Afdeling stelt vast dat de voorbeelden van activiteiten, leidingen en bouwwerken die [appellant] in zijn beroep noemt niet in het plan worden mogelijk gemaakt. Gelet hierop mist zijn betoog feitelijke grondslag.

8. Voorts betoogt [appellant] dat de aanleg van het fietspad aantasting van de Ecologische Hoofdstructuur (hierna: EHS) tot gevolg heeft.

8.1. Niet in geschil is dat het plangebied voor een groot deel binnen de EHS ligt en dat het realiseren van een fietspad ter plaatse strijdig is met artikel 2.7.3, tweede lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 waarin is bepaald dat binnen de EHS bestemmingsplannen uitsluitend strekken tot het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van aanwezige kenmerken en waarden van gebieden die behoren tot de bestaande natuur en nieuw gerealiseerde natuur. Ingevolge artikel 2.7.6, vierde lid, kan het college van gedeputeerde staten onder voorwaarden ontheffing verlenen van het bepaalde in artikel 2.7.3, tweede lid.

8.2. Het college van gedeputeerde staten van Overijssel heeft bij besluit van 2 juli 2013 ontheffing verleend van het bepaalde in artikel 2.7.3, tweede lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009.

8.3. De Afdeling overweegt dat, hoewel het fietspadtracé wordt aangelegd op een bestaand dijklichaam over een onverhard pad, sprake is van enige mate van verstoring van de EHS. Ter zitting heeft de raad te kennen gegeven dat het verlies aan oppervlak van EHS gesteld is op een oppervlakte van ongeveer 0,36 ha. Compensatie van het verloren oppervlak is gevonden in diverse gebieden aan de rand van het natuurgebied De Wieden met een totaal oppervlak van 1,33 ha. De natuur die aangetast wordt bestaat uit een kade in eigendom en beheer bij het Waterschap Reest en Wieden. De hiervoor te realiseren natuur zal vergelijkbaar van kwaliteit zijn, aldus de raad. Omwille van de landschappelijke inpassing van het tracé zullen tevens meerdere rietkragen worden aangelegd. De raad heeft verder toegelicht dat het gekozen fietspadtracé de meest logische is om de ontbrekende schakel in het fietspadennet op te lossen, nu de ruimte langs de zuidelijker gelegen weg te beperkt is voor een fietspad. Voorts overweegt de Afdeling dat het college van gedeputeerde staten ingevolge artikel 2.7.6, vierde lid, van de Omgevingsverordening Overijssel 2009 ontheffing heeft verleend. [appellant] heeft geen redenen naar voren gebracht waarom het college van gedeputeerde staten deze ontheffing niet heeft kunnen verlenen. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het fietspadtracé in strijd met de regels voor de EHS in de Omgevingsverordening Overijssel 2009 mogelijk wordt gemaakt.

Het betoog van [appellant] faalt.

9. [appellant] voert voorts aan dat het plan volgens hem in strijd is met de Flora- en faunawet (hierna: Ffw), nu (broed)vogels en herten zullen worden verstoord.

9.1. De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling geldt, dan wel een ontheffing op grond van de Ffw nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel eerst aan de orde in een procedure op grond van de Ffw. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet had mogen vaststellen, indien en voor zover hij op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

9.2. Uit de Natuurtoets volgt dat het gebied nabij het plangebied niet uitgestrekt genoeg is als leefgebied voor herten. Daarom zijn effecten op damhert en edelhert, die leven in een uitgestrekter gebied met veel beschutting zoals bomen, uitgesloten. De enkele stelling van [appellant] dat in de omgeving van het plangebied herten voorkomen, is ontoereikend voor het oordeel dat de raad niet van de in de Natuurtoets vermelde gegevens mocht uitgaan.

Binnen het plangebied worden verder geen jaarrond beschermde nesten verwacht, aldus de Natuurtoets. Wel kan verstoring optreden van algemeen voorkomende broedvogels. Alle broedende vogels, hun broedplaatsen en de functionele omgeving van de broedplaatsen zijn beschermd tijdens de broedperiode. Het verwijderen van vegetatie is verstorend voor vogels en dient buiten het vogelbroedseizoen (ongeveer half maart tot en met half juli, van belang is of er sprake is van een broedgeval) plaats te vinden. In de Natuurtoets staat verder dat om te voorkomen dat broedende vogels worden gestoord door geluidsoverlast tijdens de gebruiksperiode het gebruik van brommers en soortgelijke voertuigen niet is toegestaan. [appellant] heeft deze conclusies niet gemotiveerd bestreden.

Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich op basis van het verrichte onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de Ffw op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog van [appellant] faalt derhalve.

10. Verder voert [appellant] aan dat ten onrechte geen passende beoordeling en een milieueffectrapport zijn gemaakt, nu het fietspad in het Natura 2000-gebied "De Weerribben" zal worden gerealiseerd.

10.1. Ingevolge artikel 19j, eerste lid, van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: Nbw 1998) houdt een bestuursorgaan bij het nemen van een besluit tot het vaststellen van een plan dat, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, ongeacht de beperkingen die ter zake in het wettelijke voorschrift waarop het berust zijn gesteld, rekening met de gevolgen die het plan kan hebben voor het gebied.

Ingevolge het tweede lid maakt het bestuursorgaan voor plannen als bedoeld in het eerste lid, die niet direct verband houden met of nodig zijn voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kunnen hebben voor het desbetreffende gebied, alvorens het plan vast te stellen een passende beoordeling van de gevolgen voor het gebied waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied.

Ingevolge artikel 7.2a, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt een milieueffectrapport gemaakt bij de voorbereiding van een op grond van een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling verplicht vast te stellen plan waarvoor, in verband met een daarin opgenomen activiteit, een passende beoordeling moet worden gemaakt op grond van artikel 19j, tweede lid, van de Nbw 1998.

10.2. Niet in geschil is dat het fietspadtracé voor een groot deel in het Natura 2000-gebied "De Weerribben" ligt. Uit de Natuurtoets volgt dat de voorgenomen ontwikkeling geen significante effecten heeft voor dit Natura 2000-gebied. [appellant] heeft geen concrete gegevens aangevoerd op grond waarvan aan de juistheid van de uitkomsten uit de Natuurtoets moet worden getwijfeld. Gelet op het voorgaande heeft de raad het maken van een passende beoordeling voorafgaand aan het vaststellen van het plan terecht achterwege gelaten. Derhalve verplichtte artikel 7.2a van de Wet milieubeheer niet tot het opstellen van een milieueffectrapport.

Het betoog van [appellant] faalt.

11. In hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

12. Het beroep van [appellant] is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.J.G. Driessen, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Driessen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

634.