Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1895

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201307493/1/A1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2013:3400, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2012 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen ten behoeve van het uitbreiden van een praktijkruimte op het perceel [locatie] te Baarn (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201307493/1/A1.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Baarn,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 10 juli 2013 in zaak nr. 12/4794 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Baarn.

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2012 heeft het college aan [appellant] omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen ten behoeve van het uitbreiden van een praktijkruimte op het perceel [locatie] te Baarn (hierna: het perceel).

Bij besluit van 13 november 2012 heeft het college het door de vereniging Sociëteit "De Vereeniging" (hierna: de vereniging) daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 24 februari 2012 herroepen en de bij dat besluit verleende omgevingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 10 juli 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2014, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtige] en mr. G.G. Kranendonk, en het college, vertegenwoordigd door M.P.M. Aberson-Vlassenrood en P. Janse, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar de vereniging, vertegenwoordigd door mr. C.F. Geerdes, advocaat te Amsterdam, gehoord.

Overwegingen

1. [appellant] heeft de hogerberoepsgrond met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vereniging, alsmede de hogerberoepsgrond dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden, ter zitting ingetrokken.

2. Het bouwplan voorziet in het uitbreiden van de bestaande praktijkruimte in een bijgebouw bij het woonhuis op het perceel in die zin dat de entree en de twee bestaande behandelkamers worden vergroot. Na uitbreiding zal de bruto vloeroppervlakte van de praktijkruimte 121 m2 bedragen. In de praktijkruimte is een kliniek voor onder meer huidtherapie gevestigd die wordt geëxploiteerd door de echtgenote van [appellant]. Het college heeft de omgevingsvergunning bij het besluit van 23 november 2012 alsnog geweigerd, omdat het voorgenomen gebruik van de prakrijkruimte naar zijn oordeel in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Amaliapark-Transvaal" (hierna: het bestemmingsplan).

3. Ingevolge het bestemmingsplan rust op het perceel de bestemming "Wonen".

Ingevolge artikel 15.1 van de planvoorschriften, zijn de als zodanig aangewezen gronden bestemd voor:

a. wonen;

b. een aan-huis-verbonden beroep, waarvan het brutovloeroppervlak niet meer mag bedragen dan 25% van het brutovloeroppervlak van de woning, met een maximum van 50 m2;

met daarbij behorende gebouwen, andere bouwwerken, tuinen en erven.

Ingevolge artikel 15.5, wordt tot een met de bestemming strijdig gebruik, als bedoeld in artikel 22, in ieder geval gerekend:

[…]

c. het gebruik van de gronden en bouwwerken, ten behoeve van bedrijfsmatige activiteiten, anders dan in de vorm van een aan-huis-verbonden beroep;

d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een aan-huis-verbonden beroep, zodanig dat:

[…]

2. de vloeroppervlakte voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep meer bedraagt dan 50 m2.

Ingevolge artikel 1, onder 4, wordt onder ‘aan-huis-verbonden beroep’ verstaan: een in bijlage 1 genoemd dienstverlenend beroep, dan wel een naar de aard en de invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen beroep, dat door een bewoner in of bij een woonhuis wordt uitgeoefend, op administratief, juridisch, medisch of hiermee gelijk te stellen terrein, waarbij het woonhuis in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Ingevolge de bij de planvoorschriften behorende bijlage 1, aanhef en onder 11, wordt onder de aan-huis-verbonden beroepen in ieder geval begrepen: ‘huidtherapeut’.

4. [appellant] betoogt dat de rechtbank, in navolging van het college, heeft miskend dat het ten tijde van belang voorgenomen gebruik van de praktijkruimte in overeenstemming was met de in de planvoorschriften opgenomen definitie van het begrip ‘aan-huis-verbonden beroep’. De rechtbank heeft volgens [appellant] ten onrechte overwogen dat dat gebruik een ruimtelijke uitstraling heeft die niet in overeenstemming kan worden geacht met de woonfunctie en veeleer moet worden aangemerkt als bedrijfsmatig. [appellant] stelt in dat verband dat zijn echtgenote gebruikmaakt van één assistente, dan wel van twee assistentes die elkaar afwisselen, en dat bijvoorbeeld ook een tandarts, welk beroep eveneens in bijlage 1 is vermeld, over het algemeen door een assistente wordt bijgestaan.

4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat gelet op het geheel van factoren dat het bedoelde gebruik van de praktijkruimte kenmerkt en de ruimtelijke uitstraling die ermee gepaard gaat, dat gebruik niet is aan te merken als een activiteit die voldoet aan de in artikel 1, onder 4, van de planvoorschriften gegeven definitie van het begrip ‘aan-huis-verbonden beroep’. Ter zitting is bevestigd dat, ten tijde van belang, naast de echtgenote van [appellant], twee parttime assistentes in de kliniek werkzaam waren, die gediplomeerd zijn als schoonheidsspecialiste, pedicure en huidtherapeute. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat, naar hij ter zitting heeft gesteld, deze assistentes zich niet zelfstandig met het behandelen van cliënten bezighouden. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het bouwplan onder meer voorziet in vergroting van de twee aanwezige behandelkamers. De stelling van [appellant] ter zitting dat steeds slechts één van de beide behandelkamers voor een behandeling wordt gebruikt zodat de op dat moment ongebruikte behandelkamer kan worden opgeruimd ten behoeve van een volgende behandeling, is door hem evenmin aannemelijk gemaakt. De rechtbank heeft voorts de openingstijden van de kliniek, te weten een openstelling op alle weekdagen, veelal tot 21.00 uur, terecht laten meewegen bij de beoordeling van de ruimtelijke uitstraling van het bedoelde gebruik. Ook heeft zij terecht gewezen op de effecten van de omvang van de activiteiten, die tevens bestaan uit de mogelijkheid om derden op afspraak te consulteren, op het komen en gaan van cliënten en op het parkeren. Het college heeft voorts bij de voorbereiding van het besluit op bezwaar van belang kunnen achten dat [appellant] op 31 augustus 2012 een aanvraag heeft ingediend voor het gebruiken van de praktijkruimte in afwijking van het bestemmingsplan, en dat, naar het ter zitting heeft toegelicht, het perceel en de omgeving daarvan, onderdeel uitmaken van een beschermd dorpsgezicht.

Het betoog faalt.

5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R. van der Spoel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van staat.

w.g. Van der Spoel w.g. Fransen

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

407-619.