Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1894

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201306969/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2013, kenmerk Z/13/21556-VB/13/02709, heeft de raad het bestemmingsplan "Schildershof" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/3281
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306969/1/R2.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

2. [appellant sub 2], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

3. [appellanten sub 3], beiden wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,

en

de raad van de gemeente Stichtse Vecht,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013, kenmerk Z/13/21556-VB/13/02709, heeft de raad het bestemmingsplan "Schildershof" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 april 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. A. Barada, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. T.A.M. van Oosterhout, [appellanten sub 3], en de raad, vertegenwoordigd door ing. I. Vaartjes-Slijkhuis en A. de Vos, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [belanghebbende], vertegenwoordigd door [initiatiefnemer], gehoord.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Het plan voorziet in de realisatie van een supermarkt en 41 woningen in Maarssen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] wonen nabij het plangebied en hebben bezwaar tegen deze ontwikkelingen.

Herhalen en inlassen zienswijzen

3. Voor zover [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] in hun beroepschrift hebben verwezen naar de inhoud van hun zienswijzen en de zienswijze van het Maarssens Overleg Leefklimaat, wordt overwogen dat in de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijzen. Voor zover in de onderscheiden beroepschriften noch ter zitting redenen zijn aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijzen in zoverre onjuist zou zijn, kunnen die enkele verwijzingen naar de zienswijzen niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit.

Parkeeroverlast

4. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] vrezen dat het plan zal leiden tot parkeeroverlast. Zij stellen dat de parkeerdruk in de huidige situatie hoog is, zodat bezoekers van de in het plan voorziene supermarkt en woningen hun auto niet in de openbare ruimte kunnen parkeren. Volgens [appellanten sub 3] zal het plan gelet hierop in strijd met het door de raad gehanteerde uitgangspunt ook leiden tot een aantasting van de leefbaarheid.

[appellant sub 1] en [appellanten sub 3] stellen dat onduidelijk is of rekening is gehouden met de parkeerplaatsen van het woonzorgcentrum Maria Dommer. Volgens [appellant sub 1] worden deze parkeerplaatsen gebruikt door bezoekers van het woonzorgcentrum, zodat daarmee geen rekening mag worden gehouden. [appellant sub 2] betoogt dat ten onrechte geen rekening is gehouden met de bestaande parkeeroverlast op de Dr. Arienslaan die onder meer wordt veroorzaakt door horecacentrum De Nonnerie. Hij wijst in dit verband op de mogelijke parkeerhinder die bezoekers van zijn fysiotherapiepraktijk zullen gaan ondervinden.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] wijzen erop dat na het bestreden besluit een parkeernota is vastgesteld, waarin een andere parkeernorm wordt gehanteerd dan in het kader van het plan is gedaan en waarin wordt geconstateerd dat in het centrum van Maarssen een parkeerprobleem bestaat. Volgens [appellanten sub 3] is bij de berekening van de parkeerbehoefte ten onrechte geen rekening gehouden met de parkeerbehoefte van de voertuigen van het supermarktpersoneel. [appellanten sub 3] voeren voorts aan dat ten onrechte niet is bezien welke parkeerbehoefte de in het plan voorziene supermarkt en woningen tezamen met zich brengen. [appellant sub 2] voert verder aan dat ten onrechte geen rekening is gehouden met het verdwijnen van de bestaande garageboxen.

Ten slotte voeren [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] aan dat op inrichtingsschetsen is uitgegaan van te kleine parkeerplaatsen langs de wegen rondom de Schildershof en op het Pieter de Hooghplein, zodat deze in de praktijk niet of onvoldoende kunnen worden benut.

4.1. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder e, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "parkeerterrein" bestemd voor parkeervoorzieningen.

Ingevolge artikel 4, lid 4.1, aanhef en onder a en b, zijn de voor "Verkeer-Verblijfsgebied" aangewezen gronden bestemd voor wegen met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie en pleinen, evenementen en standplaatsen met daarbij behorende parkeervoorzieningen en straatmeubilair.

4.2. In het kader van de vaststelling van een bestemmingplan dient de raad te beoordelen of zich reeds een parkeertekort voordoet en hoe de door het plan mogelijk gemaakte nieuwe ontwikkelingen zich daartoe verhouden. Bij het bepalen van het aantal benodigde parkeerplaatsen dient te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden die het plan biedt.

4.3. In het kader van het plan is onderzoek verricht naar de parkeersituatie. Het plan is gebaseerd op de uitkomsten van het onderzoek dat is neergelegd in het op 9 november 2012 uitgebrachte rapport "Actualisatie verkeersonderzoek Schildershof update november 2012", dat in opdracht van [belanghebbende] is opgesteld door Delta Infra Advies (hierna: het parkeeronderzoek). Het parkeeronderzoek is nader toegelicht in paragraaf 5.5.10 van de plantoelichting en in de nota van zienswijzen. De conclusie van het parkeeronderzoek is dat de parkeervraag bij de herontwikkeling van de Schildershof kan worden opgevangen binnen het beschikbare parkeerareaal.

Het parkeeronderzoek is een actualisatie van een eerder door Delta Infra Advies verricht verkeersonderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het op 9 april 2011 uitgebrachte rapport "Actualisatie verkeersonderzoek Schildershof". De conclusies daarvan zijn bezien in het op 19 maart 2012 uitgebrachte rapport "Parkeeronderzoek Maarssen", dat is opgesteld in opdracht van de gemeente door Goudappel Coffeng (hierna: de second opinion). In de second opinion wordt de conclusie van het rapport van 9 april 2011 onderschreven.

4.4. In het parkeeronderzoek is uitgegaan van de realisatie van een supermarkt, 21 koopappartementen, 8 huurappartementen, 12 startersappartementen en een parkeerterrein met 49 parkeerplaatsen. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit geen representatieve invulling is van hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt.

4.5. Wat betreft de door de raad gehanteerde parkeernormen is het volgende van belang. In het parkeeronderzoek is bij de berekening van de parkeerbehoefte ervan uitgegaan dat per 100 m² in het plan voorziene bedrijfsvloeroppervlak 2,5 parkeerplaatsen dienen te worden gerealiseerd. Ten aanzien van de woningen is bij de berekening van de parkeerbehoefte uitgegaan van 1,5 parkeerplaatsen voor koopappartementen en 1,2 parkeerplaatsen voor huurappartementen. Hiermee heeft de raad aangesloten bij de parkeernormen als aanbevolen door het Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water-, en Wegenbouw en de Verkeerstechniek uit de publicatie van oktober 2012 "CROW, ASVV 2012, Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" (hierna: CROW 2012). In de CROW 2012 worden 2,1 tot 4,1 parkeerplaatsen aanbevolen per 100 m² bedrijfsvloeroppervlak van een fullservice supermarkt, 0,9 tot 1,7 parkeerplaatsen voor koopappartementen, midden, 0,8 tot 1,6 parkeerplaatsen voor koopappartementen, goedkoop, en 0,6 tot 1,4 parkeerplaatsen voor huurappartementen, midden/goedkoop, die zijn gelegen in het centrum in matig tot sterk stedelijk gebied. De raad heeft bij het kiezen van een norm binnen de in de CROW 2012 aanbevolen bandbreedte in aanmerking genomen dat het plan voorziet in een relatief kleine supermarkt in een stadscentrum, zodat aannemelijk is dat een deel van de bezoekers niet met de auto komt maar lopend of met de fiets. Gelet hierop heeft de raad in redelijkheid een norm aan de onderkant van de in de CROW 2012 aanbevolen bandbreedte kunnen kiezen. De raad heeft voorts toegelicht dat in de gehanteerde parkeernorm voor de supermarkt de parkeerbehoefte van het supermarktpersoneel is verdisconteerd, zodat hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat hiermee geen rekening zou zijn gehouden. Ten aanzien van de gehanteerde parkeernormen voor de in het plan voorziene woningen is niet gebleken dat de raad, in aanmerking genomen de in de CROW 2012 aanbevolen bandbreedte, deze in redelijkheid niet als uitgangspunt in de berekening van de parkeerbehoefte heeft kunnen nemen.

Voor zover [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] wijzen op de parkeernota, overweegt de Afdeling het volgende. De parkeernota dateert van na het bestreden besluit en kan daarom, gelet op het feit dat de toetsing van het bestreden besluit door de Afdeling wordt verricht aan de hand van de feiten zoals die zich voordeden en het recht dat gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, niet worden betrokken bij het thans voorliggende geschil.

4.6. Wat betreft de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt, geldt het volgende.

In hoofdstuk 3 van het parkeeronderzoek en paragraaf 5.5.10 van de plantoelichting is berekend welke parkeerbehoefte het plan met zich brengt. Op basis van de gehanteerde parkeernormen en aanwezigheidspercentages brengen de in het plan voorziene supermarkt en woningen volgens het parkeeronderzoek een parkeervraag van ten hoogste 46 parkeerplaatsen met zich op donderdagochtend, 88 op vrijdagavond en 74 op zaterdag. Uit tabel 3.2 van het parkeeronderzoek en de tabellen in de plantoelichting blijkt dat daarbij, anders dan [appellanten sub 3] menen, rekening is gehouden met de parkeerbehoefte van zowel de in het plan voorziene supermarkt als de in het plan voorziene woningen. Voorts is in paragraaf 3.1 van het parkeeronderzoek vermeld dat de in de bestaande situatie aanwezige 9 woningen, 16 parkeerplaatsen en 13 garageboxen zullen verdwijnen. Bij het berekenen van de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt, is ervan uitgegaan dat de bestaande garageboxen niet in een parkeervraag voorzien. Weliswaar is in de second opinion vermeld dat voor garageboxen volgens de CROW 2012 een parkeernorm van 0,5 parkeerplaats per garagebox geldt, maar de raad heeft onweersproken gesteld dat de garageboxen in de bestaande situatie niet worden gebruikt voor het stallen van voertuigen die bij het verdwijnen van de garageboxen elders in de omgeving van de Schildershof zullen worden geparkeerd. Gelet hierop heeft de raad, anders dan [appellant sub 2] betoogt, in dit geval geen rekening hoeven houden met het verdwijnen van de bestaande garageboxen bij het bepalen van de parkeerbehoefte die het plan met zich brengt.

In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling gelet op het vorenstaande geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan een parkeerbehoefte met zich brengt als berekend in het parkeeronderzoek.

4.7. Over de bestaande parkeersituatie overweegt de Afdeling als volgt.

Rekening houdend met de realisatie van het in het plan voorziene parkeerterrein met 49 parkeerplaatsen, dienen volgens het parkeeronderzoek op donderdagochtend geen, op vrijdagavond 39 en op zaterdag 25 parkeerplaatsen in de openbare ruimte te worden gevonden. Met het oog hierop is onderzoek gedaan naar de bestaande parkeersituatie. Daartoe zijn volgens paragraaf 2.1 van het parkeeronderzoek parkeerdrukmetingen uitgevoerd tijdens de weekmarkt op donderdagochtend, de koopavond op vrijdag en de zaterdag als maatgevende momenten. Bij de parkeerdrukmetingen wordt bepaald hoeveel van de beschikbare parkeerplaatsen in de openbare ruimte vrij zijn om te parkeren. In tabel 2.1 van het parkeeronderzoek is weergegeven dat op donderdagochtend 37 van de beschikbare 163 parkeerplaatsen vrij zijn. Op vrijdagavond en zaterdag zijn 82 onderscheidenlijk 66 van de beschikbare 231 parkeerplaatsen vrij.

In de enkele stelling van [appellanten sub 3] ter zitting dat zij in de praktijk op andere momenten een hogere parkeerdruk ervaren, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de gekozen tijdstippen voor de parkeerdrukmetingen onvoldoende representatief zouden zijn voor de bestaande parkeersituatie.

Het onderzoeksgebied van de parkeerdrukmeting is weergegeven in figuur 2.1 van het parkeeronderzoek en betreft het Pieter de Hooghplein en directe omgeving. Het onderzoeksgebied is volgens het parkeeronderzoek afgebakend op basis van de loopafstanden en ligging ten opzichte van de Schildershof. Het woonzorgcentrum Maria Dommer ligt buiten dit onderzoeksgebied zodat, anders dan [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] menen, geen rekening is gehouden met het daarbij behorende parkeerterrein. Nu is bezien hoeveel parkeerplaatsen binnen het onderzoeksgebied bezet zijn, is wel rekening gehouden met parkeerplaatsen die in het onderzoeksgebied bezet zijn door bezoekers van het woonzorgcentrum Maria Dommer die door een bord erop worden gewezen dat zij elders moeten parkeren indien het betreffende parkeerterrein vol is. Hetzelfde geldt voor parkeerplaatsen die in het onderzoeksgebied bezet zijn door bezoekers van het eveneens buiten het onderzoeksgebied gelegen horecacentrum De Nonnerie. Op de Dr. Arienslaan is weliswaar volgens bijlage 1 bij de second opinion tijdens één van de parkeerdrukmetingen op één van de zeven secties waarin de Dr. Arienslaan is verdeeld, een parkeerdruk gemeten van 202%, maar dit wordt volgens de raad veroorzaakt doordat op de betreffende sectie geen parkeerplaatsen aanwezig zijn en daar twee auto’s fout stonden geparkeerd. Op dat moment waren echter op de andere secties van de Dr. Arienslaan en in de omgeving nog verscheidende parkeerplaatsen beschikbaar.

Gelet op het vorenstaande hebben [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] niet aannemelijk gemaakt dat het onderzoek naar de bestaande parkeersituatie zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich niet hierop heeft kunnen baseren. Hetgeen zij hebben aangevoerd geeft evenmin aanleiding voor het oordeel dat de raad zich onder verwijzing naar de verrichte parkeerdrukmetingen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in de bestaande situatie geen sprake is van een parkeertekort rond de Schildershof.

4.8. Voor de vraag of na de realisatie van het plan voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn, is ten slotte het volgende van belang.

Als gevolg van de berekende parkeerbehoefte die het plan met zich brengt, zullen volgens paragraaf 3.3 van het parkeeronderzoek op donderdagochtend, vrijdagavond en zaterdag 40, 43 onderscheidenlijk 41 van de beschikbare parkeerplaatsen rond de Schildershof vrij zijn. Dit betekent volgens het parkeeronderzoek dat het plan niet tot gevolg heeft dat onaanvaardbare parkeeroverlast zal ontstaan.

Ongeacht of de parkeerplaatsen op de inrichtingsschetsen voor de wegen rondom de Schildershof en de toekomstige herinrichting van het Pieter de Hooghplein te klein zijn weergegeven, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat deze herinrichtingen ertoe zullen leiden dat minder parkeerplaatsen van voldoende omvang beschikbaar zijn dan in de bestaande situatie. De raad heeft dienaangaande toegelicht dat de inrichtingsschetsen niet definitief zijn en dat hij voornemens is zowel het aantal parkeerplaatsen te verhogen als de inrichting van het Pieter de Hooghplein te verbeteren ten opzichte van de bestaande situatie. Voorts heeft de raad onweersproken gesteld dat ook indien op het Pieter de Hooghplein parkeerplaatsen worden gerealiseerd van 2,5 meter breed, voldoende parkeerplaatsen beschikbaar blijven.

4.9. Gelet op al het vorenstaande heeft de raad bij de vaststelling van het plan op voldoende wijze bezien welke parkeerbehoefte het plan bij benutting van de maximale mogelijkheden daarvan met zich brengt en of daarin kan worden voorzien. De conclusie is dat de Afdeling in hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd, geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de raad zich onder verwijzing naar het parkeeronderzoek niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen onaanvaardbare parkeersituatie zal ontstaan en dat het plan in zoverre niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de leefbaarheid.

De betogen falen.

Verkeersveiligheid

5. [appellanten sub 3] vrezen dat het plan zal leiden tot verkeersonveilige situaties. Zij voeren hiertoe aan dat slechts ruimte is voor één vrachtwagen om te laden en te lossen bij de in het plan voorziene supermarkt, terwijl meerdere vrachtwagens tegelijkertijd aankomen. Deze moeten dan op elkaar wachten in de nauwe straten rond het plangebied, waar ook een drukke busroute doorheen loopt.

5.1. Het plan voorziet in de realisatie van een aparte locatie naast de weg voor het laden en lossen van de vrachtwagens die de supermarkt komen bevoorraden, waardoor geen verkeersopstoppingen en gevaarlijke situaties ontstaan. De raad heeft toegelicht dat het af- en aanrijden van de vrachtwagens is besproken met de initiatiefnemer en dat in de praktijk niet meerdere vrachtwagens tegelijkertijd bij de supermarkt zullen komen om te laden en te lossen. [appellanten sub 3] hebben hun stelling dat dit in de praktijk anders zal zijn, niet aannemelijk gemaakt. Hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat zo nodig maatregelen kunnen worden genomen om de verkeersveiligheid te waarborgen. Gelet op het vorenstaande geeft hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet zal leiden tot een vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid onaanvaardbare situatie.

Het betoog faalt.

Zondagopenstelling

6. [appellanten sub 3] stellen dat de in het plan voorziene supermarkt sinds de wijziging van de Winkeltijdenwet ook op zondag geopend mag zijn, waardoor zij elke dag overlast zullen ervaren. Zij betogen dat de raad hier ten onrechte geen rekening mee heeft gehouden.

6.1. De in het plan voorziene supermarkt is gebonden aan de openingstijden zoals deze zijn geregeld in en krachtens de Winkeltijdenwet. Anders dan [appellanten sub 3] menen, voorzag het op 28 mei 2013 door de Eerste Kamer aangenomen voorstel tot wijziging van de Winkeltijdenwet in verband met het verruimen van de bevoegdheid van gemeenten om vrijstelling te verlenen van de verboden met betrekking tot de zondag en een aantal feestdagen niet in een opheffing van het in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Winkeltijdenwet vervatte verbod om een winkel voor publiek geopend te hebben op zondag. Het aangenomen wetsvoorstel, dat op 1 juli 2013 in werking is getreden, voorziet in de mogelijkheid dat de raad bij verordening vrijstelling kan verlenen van het bedoelde verbod. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit bestond deze mogelijkheid derhalve niet en de raad heeft voorts toegelicht dat hij ook niet voornemens was gebruik te maken van de in het aangenomen wetsvoorstel voorziene bevoegdheid. Gelet hierop geeft hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad onvoldoende rekening zou hebben gehouden met een mogelijke wekelijkse zondagopenstelling van de in het plan voorziene supermarkt.

Het betoog faalt.

Privacy

7. [appellant sub 2] betoogt dat zijn privacy wordt aangetast door de in het plan voorziene woningen. Hij voert hiertoe aan dat de balkons van deze woningen door het hoogteverschil uitzicht bieden op zijn perceel. Hiermee is volgens hem onvoldoende rekening gehouden.

7.1. De raad heeft onderkend dat de privacy van [appellant sub 2] door de in het plan voorziene woningen nadelig zal worden beïnvloed. In dat verband heeft de raad van belang kunnen achten dat de afstand van de woning van [appellant sub 2] tot de in het plan voorziene maximale bouwhoogte van 10,5 meter en maximale goothoogte van 7,5 meter ongeveer 11 meter bedraagt en ongeveer 10 meter tot de in het plan voorziene maximale goot- en bouwhoogte van 3,5 meter. Daarnaast heeft de raad in aanmerking kunnen nemen dat het plan voorziet in een pad tussen de te realiseren woningen en de woning van [appellant sub 2]. De raad heeft voorts van belang kunnen achten dat de woning van [appellant sub 2] en de voorziene woningen zijn gelegen in een stedelijke omgeving, waar geen onbeperkte aanspraak op privacy bestaat. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat, hoewel het plan bezwaren voor [appellant sub 2] met zich brengt in het kader van zijn privacy, deze bezwaren niet zo ernstig zijn dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat hieraan geen doorslaggevend gewicht hoefde te worden toegekend ten opzichte van de met de voorziene woningbouw gediende belangen.

Het betoog faalt.

Behoefte

8. [appellanten sub 3] vrezen dat door de komst van de in het plan voorziene supermarkt gespecialiseerde detailhandelsbedrijven, zoals drankwinkels en groentewinkels, uit het centrum zullen worden verdrongen. Zij voeren hiertoe aan dat uit de verrichte distributieplanologische onderzoeken niet blijkt dat een supermarkt met een bedrijfsvloeroppervlak van 1.375 m2 haalbaar is en wijzen erop dat een groot deel van de direct omwonenden heeft aangegeven geen behoefte te hebben aan een supermarkt van de in het plan voorziene omvang.

8.1. Blijkens de verbeelding is op een gedeelte van het plandeel met de bestemming "Gemengd" de aanduiding "supermarkt" weergegeven. Ingevolge artikel 3, lid 3.1, van de planregels zijn de voor "Gemengd" aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding "supermarkt" bestemd voor een supermarkt, uitsluitend op de begane grond met een maximale oppervlakte van 1.375 m2 bedrijfsvloeroppervlak.

8.2. De raad heeft zich voor het mogelijk maken van de in het plan voorziene supermarkt gebaseerd op het op 8 februari 2011 uitgebrachte rapport "Distributie-planologisch onderzoek locatie Schildershof te Maarssen", dat in opdracht van de gemeente Maarssen, thans: Stichtse Vecht, is opgesteld door MKB Reva en Aveco de Bondt (hierna: het dpo). De uitkomsten van het dpo zijn nader bezien en geactualiseerd in het op 9 mei 2012 uitgebrachte rapport "Second opinion DPO dorp Maarssen" dat in opdracht van de gemeente Stichtse Vecht is uitgebracht door Ecorys (hierna: het geactualiseerde dpo).

8.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 10 juni 2009, zaak nr. 200808122/1/R3) komt voor de vraag of er een duurzame ontwrichting zal ontstaan van het voorzieningenniveau geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande detailhandelsvestigingen zal ontstaan. Voorts heeft de Afdeling eerder overwogen (uitspraak van 18 september 2013 in zaak nr. 201208105/1/R2) dat voor de beoordeling van de vraag of gevreesd moet worden voor een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau doorslaggevend wordt geacht of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. De Afdeling is van oordeel dat een supermarkt naar zijn aard bijdraagt aan de mogelijkheid te voorzien in de eerste levensbehoeften.

De in het plan voorziene supermarkt zal een bedrijfsvloeroppervlak (hierna: bvo) hebben van maximaal 1.375 m2 en volgens het geactualiseerde dpo bedraagt de distributieve ruimte in de gemeente voor een supermarkt 700 m2 winkelvloeroppervlak (hierna: wvo). Daardoor is de verwachte distributieve overschrijding ten hoogste 625 m2 wvo. Volgens het geactualiseerde dpo wordt door de komst van een supermarkt op de Schildershof het dagelijkse winkelaanbod in het noordelijke deel van het centrum versterkt en neemt de binding aan de daarin gelegen winkels toe. De komst van de supermarkt drukt de omzet van de bestaande ondernemers. De supermarkt en de bestaande ondernemers kunnen, gelet op de beperkte uitbreiding van het winkelvloeroppervlak, volgens het geactualiseerde dpo evenwel goed naast elkaar bestaan. Ten slotte is in het geactualiseerde dpo vermeld dat de uitkomsten daarvan niet substantieel verschillen van de uitkomsten van het dpo. [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het geactualiseerde dpo zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich bij het nemen van het bestreden besluit hierop niet had mogen baseren.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich onder verwijzing naar het geactualiseerde dpo in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. De omstandigheid dat verscheidene direct omwonenden zich desondanks niet kunnen vinden in de in het plan voorziene supermarkt, geeft geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre niet had mogen worden vastgesteld.

Het betoog faalt.

Wijziging planologisch regime

9. [appellanten sub 3] betogen dat het vorige bestemmingsplan niet voorzag in de realisatie van een grote supermarkt. Gelet hierop is het plan volgens hen vastgesteld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

9.1. Het plan voorziet in een supermarkt met een bvo van 1.375 m2. Het vorige bestemmingsplan "Maarssen Dorp" maakte op een aanzienlijk kleiner oppervlakte detailhandel mogelijk. Voor zover [appellanten sub 3] betogen dat het plan ten onrechte voorziet in een andere, door hen als nadelig ervaren ontwikkeling, wordt overwogen dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft te kennen gegeven dat ten tijde van de vaststelling van het vorige bestemmingsplan "Maarssen Dorp" nog geen zicht was op de door de initiatiefnemer gewenste realisering van een supermarkt. De raad acht het wenselijk om thans medewerking te verlenen aan dit initiatief, onder meer omdat de herontwikkeling van de Schildershof leidt tot een versterking van de woning- en detailhandelsstructuur en past bij het dorpse karakter en de schaal van Maarssen. Hetgeen [appellanten sub 3] hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet op dit standpunt heeft kunnen stellen, zodat hij in redelijkheid een groter gewicht heeft kunnen toekennen aan het in zoverre met het plan te dienen doel dan aan het belang van [appellanten sub 3] bij het behouden van de in het vorige bestemmingsplan "Maarssen Dorp" voorziene mogelijkheden.

Het betoog faalt.

Geluid

10. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] vrezen voor geluidoverlast vanwege de in het plan voorziene supermarkt en woningen en betogen dat de raad hiermee onvoldoende rekening heeft gehouden.

[appellanten sub 3] voeren aan dat een advies van de Omgevingsdienst regio Utrecht ontbreekt.

[appellanten sub 3] voeren voorts aan dat in het verrichte akoestisch onderzoek ten onrechte geen rekening is gehouden met de geluidbelasting op de gevels van de woon- en slaapkamers van de appartementen in het appartementencomplex De Twaalf Morgen aan de Vincent van Goghstraat. De bewoners van het appartementencomplex worden volgens hen bovendien onevenredig benadeeld doordat vrijwel alle verkeer van en naar het plangebied daarlangs rijdt. [appellant sub 1] voert aan dat ook geen rekening is gehouden met de omstandigheid dat het wegverkeer naar de in het plan voorziene supermarkt blijft rondrijden door het eenrichtingsverkeer en een tekort aan parkeerplaatsen, hetgeen volgens haar meer geluidoverlast met zich brengt.

Verder is volgens [appellanten sub 3] ten onrechte geen rekening gehouden met de akoestische gevolgen van de in het plan voorziene supermarkt en de daarbij behorende laad- en losactiviteiten. Gelet hierop is volgens hen ten onrechte niet bezien of het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit milieubeheer) gelet op de bestaande woningen aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Daarnaast is volgens [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] ten onrechte niet bezien welke geluidhinder de in het plan voorziene supermarkt, inclusief de daarbij behorende laad- en losactiviteiten, en het wegverkeer van en naar de in het plan voorziene supermarkt en woningen tezamen met zich brengen.

10.1. De raad dient in dit geval bij de vaststelling van het plan onder meer te beoordelen of het plan, dat zowel in een supermarkt als in woningen voorziet, niet leidt tot onaanvaardbare geluidhinder voor omwonenden en of het Activiteitenbesluit milieubeheer gelet op de bestaande woningen niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. Het is echter aan de raad om te bepalen op welke gegevens hij zich daarbij baseert. Dat de raad geen advies aan de Omgevingsdienst regio Utrecht heeft gevraagd, geeft op zichzelf dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan niet met de daarbij te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.

Dit betoog faalt.

10.2. In het kader van de voorbereiding van het plan is onderzoek verricht naar de akoestische gevolgen van het wegverkeer van en naar de in het plan voorziene supermarkt en woningen. De resultaten van dat onderzoek zijn neergelegd in het op 2 oktober 2012 uitgebrachte rapport "Onderzoek lucht en geluid plan Schildershof te Maarssen", dat in opdracht van [belanghebbende] is uitgebracht door Aveco de Bondt (hierna: het geluidrapport).

Volgens het geluidrapport voldoet de geluidbelasting op de gevels van de bestaande woningen, behalve bij enkele woningen aan de Gerard Doustraat en aan de Jan Steenstraat, vanwege het wegverkeer van en naar de in het plan voorziene supermarkt aan de richtwaarden van de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer‘ (hierna: de circulaire). Voor de gevels van de bedoelde woningen aan de Gerard Doustraat en de Jan Steenstraat wordt de richtwaarde van 50 dB(A) ten hoogste met onderscheidenlijk 3 en 2 dB(A) overschreden en bedragen de binnenniveaus van deze woningen minder dan 35 dB(A). De geluidbelasting op de gevels van de bestaande woningen vanwege het wegverkeer van en naar de in het plan voorziene woningen voldoet volgens het geluidrapport ruimschoots aan de richtwaarden van de circulaire, nu de etmaalwaarde ten hoogste 48 dB(A) bedraagt. In het geluidrapport wordt geconcludeerd dat het wegverkeer van en naar de in het plan voorziene supermarkt en woningen ook tezamen niet zal leiden tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van de bestaande woningen.

Uit de beoordelingspunten 7001 en 7002 in het geluidrapport blijkt dat het appartementencomplex De Twaalf Morgen, anders dan [appellanten sub 3] stellen, bij het onderzoek is betrokken en de raad heeft onweersproken gesteld dat deze punten representatief zijn voor de gevels van de woon- en slaapkamers van de appartementen in het complex. Nu gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.9 niet is gebleken dat het plan tot een onaanvaardbare parkeersituatie leidt, heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat het wegverkeer naar de in het plan voorziene supermarkt langdurig zal blijven rondrijden op zoek naar een parkeerplaats. De raad heeft daarmee dan ook geen rekening hoeven te houden. [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben gelet op het vorenstaande niet aannemelijk gemaakt dat het geluidonderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich bij het nemen van het bestreden besluit hierop niet had mogen baseren. Hetgeen zij hebben aangevoerd geeft voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich onder verwijzing naar het geluidrapport niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de akoestische gevolgen voor de bestaande woningen vanwege het wegverkeer van en naar de in het plan voorziene supermarkt en woningen niet onaanvaardbaar zijn en dat derhalve geen doorslaggevend gewicht behoeft te worden toegekend aan het belang van de bewoners van het appartementencomplex De Twaalf Morgen bij behoud van de huidige wegverkeerssituatie ten opzichte van de met het plan te dienen doelen.

Deze betogen falen.

10.3. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was geen onderzoek verricht naar de akoestische gevolgen van de in het plan voorziene supermarkt, waaronder de daarbij behorende laad- en losactiviteiten. Ter zitting heeft de raad verklaard dat hij is uitgegaan van een niet nader onderbouwde aanname dat deze akoestische gevolgen niet zodanig zullen zijn dat het plan onaanvaardbare geluidhinder voor omwonenden met zich brengt en zij niet in de weg zullen staan aan de uitvoerbaarheid van het plan voor zover het de voorziene supermarkt betreft. De Afdeling ziet dit bevestigd op pagina 26 van de plantoelichting en pagina 2 van het geluidrapport, waar is vermeld dat deze akoestische gevolgen zullen worden beoordeeld als de concrete inrichting van de beoogde supermarkt bekend is. Gelet hierop heeft de raad bij het nemen van het bestreden besluit niet beoordeeld of het plan door de akoestische gevolgen vanwege de daarin voorziene supermarkt en de daarbij behorende laad- en losactiviteiten niet leidt tot een onaanvaardbare geluidhinder voor omwonenden. Ook heeft de raad niet beoordeeld of het Activiteitenbesluit milieubeheer gelet op de bestaande woningen niet aan de uitvoerbaarheid van de in het plan voorziene supermarkt in de weg staat. De Afdeling volgt niet de stelling van de raad dat hiervan kon worden afgezien omdat ten tijde van de vaststelling van het plan de concrete inrichting van de beoogde supermarkt nog niet bekend was. Bij de beoordeling of het plan niet leidt tot een onaanvaardbare geluidhinder voor omwonenden en of het Activiteitenbesluit milieubeheer niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, dient immers te worden uitgegaan van een representatieve invulling van hetgeen het plan maximaal mogelijk maakt. De conclusie is dat de raad, door geen rekening te houden met de akoestische gevolgen van de in het plan voorziene supermarkt en de daarbij behorende laad- en losactiviteiten, het plan heeft vastgesteld in strijd met de bij de voorbereiding daarvan te betrachten zorgvuldigheid.

Het betoog slaagt.

10.4. In hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd ziet de Afdeling, gelet op hetgeen is overwogen onder 10.3, aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De beroepen zijn gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

10.5. De Afdeling ziet aanleiding om nader te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, dat gelet op het vorenstaande dient te worden vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand dienen te worden gelaten en overweegt hiertoe het volgende.

10.6. Na het nemen van het bestreden besluit is onderzoek verricht naar de akoestische gevolgen van de in het plan voorziene supermarkt. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het op 22 november 2013 uitgebrachte rapport "Akoestisch onderzoek supermarkt Schildershof te Maarssen" dat in opdracht van [belanghebbende] is verricht door Aveco de Bondt (hierna: het akoestisch onderzoek).

In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de vestiging van een supermarkt op de begane grond, waarbij de hoofdingang zich aan de Pieter de Hooghstraat bevindt, de laad- en losplaats aan de Vincent van Goghstraat en van een representatieve bedrijfssituatie als beschreven in hoofdstuk 4. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat dit niet een representatieve invulling is van hetgeen het plan in zoverre maximaal mogelijk maakt. Volgens het akoestisch onderzoek bedraagt de langtijdgemiddelde geluidbelasting op de gevels van de bestaande woningen ten hoogste 50 dB(A) en de maximale geluidbelasting ten hoogste 65 dB(A). Gelet hierop wordt volgens het akoestisch onderzoek voldaan aan de relevante geluidnormen.

[appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek zodanige gebreken of leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop niet mag baseren. In hetgeen zij hebben aangevoerd, ziet de Afdeling voorts geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich onder verwijzing naar het geluidrapport en het akoestisch onderzoek niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat, gelet op uitkomsten van deze twee onderzoeken, de in het plan voorziene supermarkt en woningen tezamen geen onaanvaardbare geluidhinder voor omwonenden met zich brengen, zodat ook geen aanleiding bestond hier verder onderzoek naar te verrichten.

Verder hebben [appellanten sub 3] niet gemotiveerd betwist dat de raad zich onder verwijzing naar het akoestisch onderzoek in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het Activiteitenbesluit milieubeheer gelet op de geluidbelasting op de bestaande woningen niet aan de uitvoerbaarheid van de in het plan voorziene supermarkt in de weg staat.

De betogen falen.

10.7. Gelet op het voorgaande staat hetgeen [appellant sub 1], [appellant sub 2] en [appellanten sub 3] hebben aangevoerd niet in de weg aan het in stand laten van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit. De Afdeling zal derhalve bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand blijven.

Proceskosten

11. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen ten aanzien van [appellanten sub 3], is niet gebleken.

12. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Stichtse Vecht van 30 mei 2013, kenmerk Z/13/21556-VB/13/02709;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

veroordeelt de raad van de gemeente Stichtse Vecht tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 974,00 (zegge: negenhonderdvierenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Stichtse Vecht aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 1], € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellant sub 2] en € 160,00 (zegge: honderdzestig euro) voor [appellanten sub 3] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. Th.C. van Sloten, voorzitter, en mr. R. Uylenburg en mr. J.W. van de Gronden, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van staat.

w.g. Van Sloten w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

159-743.