Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1890

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201306517/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Beinum 2012" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306517/1/R2.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], beiden wonend te Doesburg,

2. [appellant sub 2], wonend te Doesburg,

3. [appellant sub 3], wonend te Doesburg,

en

de raad van de gemeente Doesburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Beinum 2012" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 1]), [appellant sub 2] en [appellant sub 3] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 april 2014, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. M.L. Starreveld, [appellant sub 2], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door D. Jansen en H. Schuiling, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

Beroep [appellant sub 3]

1.1. De raad stelt dat het beroep van [appellant sub 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard voor zover hij zich richt tegen het ongewijzigde deel van artikel 15 van de planregels.

1.2. Het beroep van [appellant sub 3] steunt niet op een bij de raad naar voren gebrachte zienswijze.

1.3. Ingevolge artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb alsmede met artikel 6:13 van de Awb, kan door een belanghebbende geen beroep worden ingesteld tegen onderdelen van het besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarover hij tegen het ontwerpplan geen zienswijze naar voren heeft gebracht. Dit is slechts anders voor zover de raad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp dan wel indien hem redelijkerwijs niet kan worden verweten dit te hebben nagelaten. In afwijking van het ontwerpplan zijn ingevolge artikel 15 van de planregels thans alle soorten kappen toegestaan en is de hellingshoek van de kappen gewijzigd van minimaal 25 graden naar 15 graden. Het beroep richt zich ook tegen de ongewijzigde onderdelen van artikel 15 van de planregels. De omstandigheden die [appellant sub 3] naar voren heeft gebracht dat hij sinds 2010 eigenaar is van een kavel in Doesburg en sinds 2011 inwoner is van Doesburg leiden er niet toe dat [appellant sub 3] niet kan worden verweten geen zienswijzen te hebben ingesteld tegen deze ongewijzigde onderdelen van het ontwerpplan. Ook anderzins is daarvan niet gebleken. Voor zover [appellant sub 3] tegen de ongewijzigde onderdelen van artikel 15 van de planregels opkomt, is zijn beroep niet-ontvankelijk.

2. [appellant sub 3] richt zich tegen het ontbreken van kapvormen, terwijl in het ontwerpplan specifieke kapvormen waren voorgeschreven, en het opnemen van een minimale dakhelling van 15 graden, terwijl de hellingshoek van de specifieke kappen die in het ontwerpplan waren toegestaan maximaal 25 graden bedroeg, in artikel 15 van de planregels, voor zover dat betrekking heeft op het plandeel met de bestemming "Wonen - 2" betreffende de gronden in het plangebied Beinum West gelegen tussen De Strijp (zuidkant), Blomenbrinck (westkant), Sandtakker (noordkant) en Benscamp (oostkant), omdat dit planonderdeel zich niet verdraagt met de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan.

3. De raad stelt dat de gewijzigde onderdelen van het plan in overeenstemming zijn met een goede ruimtelijke ordening. De raad merkt nog op dat, ook al zijn thans twee onder een kap woningen bij recht toegestaan, het maximaal aantal mogelijk gemaakte woningen gelijk is gebleven en de wijzigingen niet afdoen aan het met het beeldkwaliteitsplan beoogde karakter van de wijk.

4. In het beeldkwaliteitsplan is aangegeven dat het ingaat op de gewenste beeldkwaliteit voor de te realiseren buurtschappen. Het beeldkwaliteitsplan is opgesteld als richtinggevend kader. In deze procedure staat niet het beeldkwaliteitsplan, maar het bestemmingsplan ter beoordeling. Aan het beeldkwaliteitsplan komt in dit geval geen bindende betekenis toe maar de raad kan daar wel rekening mee houden. Gebleken is dat de raad hiermee rekening heeft gehouden. De raad heeft bovendien gemotiveerd dat de wijziging van de planregels waartegen [appellant sub 3] opkomt is ingegeven door een vanwege de gewijzigde marktsituatie voor koopwoningen noodzakelijk geachte aanpassing van de oorspronkelijke stedenbouwkundige uitgangspunten.

5. Het beroep van [appellant sub 3], voor zover ontvankelijk, is ongegrond.

Beroep [appellant sub 1]

6. [appellant sub 1] richt zich tegen de plandelen met de bestemmingen "Tuin" en "Wonen" betreffende zijn gronden aan de [locatie 1] te Doesburg waar de boerderij De Grote Pol (hierna: de boerderij) is gesitueerd. Hij vreest dat het onder het voorgaande plan toegestane en bestaande gebruik niet kan worden voortgezet onder het plan. [appellant sub 1] heeft in dit verband gewezen op de opslag van hout, dakpannen, stenen, caravans, paarden, hooi, hooibalen en compost. Voorts heeft hij gewezen op bouwwerken, geen gebouwen zijnde hoger dan 1 meter, kleinschalige fruitverkoop en het vrij laten rondlopen van enkele paarden. Hij betoogt dat de beperktere gebruiksmogelijkheden leiden tot een inbreuk op de monumentale- en cultuurhistorische waarden van de boerderij. [appellant sub 1] verwijst in dit verband naar een brief van de Erfgoedvereniging Heemschut van 12 maart 2014 waarin is aangegeven dat het voor het instandhouden van de monumentale- en cultuurhistorische waarden van de boerderij van belang is dat op het erf rond de boerderij ruime gebruiksmogelijkheden aanwezig blijven.

7. De raad stelt dat het bestaande gebruik op de gronden met de woon- en tuinbestemming mogelijk blijft ook gelet op de aan de gronden met de bestemming "Wonen" toegekende aanduiding ‘opslag’ en de mogelijkheid om de gronden met de woonbestemming te gebruiken als erf met intensieve gebruiksmogelijkheden.

8. Ingevolge artikel 10, lid 10.1, van de planregels zijn de voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen;

b. erfontsluitingswegen;

c. parkeervoorzieningen, uitsluitend op de erfontsluitingsweg;

met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en onbebouwde gronden.

Ingevolge artikel 13, lid 13.1, van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor:

a. bestaande woningen, aaneen gebouwde woningen, twee-aaneen woningen en vrijstaande woningen;

b. aan huis gebonden beroepen;

c. een kleinschalig kampeerterrein met toiletgebouw ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein';

d. opslag van caravans en boten, alsmede het stallen van maximaal 5 paarden, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’;

e. het aantal woningen mag niet meer bedragen dan het op het tijdstip van het van kracht worden van het plan aanwezige aantal dan wel het op de verbeelding als zodanig aangeduide aantal, met bijbehorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tuinen en erven.

9. De Afdeling stelt vast dat de opslag van caravans en het stallen van paarden mogelijk is op de gronden waaraan de bestemming "Wonen" en de aanduiding ‘opslag’ is toegekend. Het loslopen van paarden op de gronden met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin", mits het gelet op het aantal paarden om een hobbymatige activiteit gaat, is naar het oordeel van de Afdeling eveneens mogelijk. Ook kleinschalige fruitverkoop is mogelijk binnen de woonbestemming.

10. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [appellant sub 1] voorts ook nog een aantal andere activiteiten ontplooit, namelijk grootschalige buitenopslag van hout, dakpannen, stenen, hooi, hooibalen en compost. [appellant sub 1] stelt dat het gaat om bestaand gebruik dat onder het voorgaande plan mogelijk was. De raad heeft dit onderschreven en stelt zich op het standpunt dat dit gebruik onder het plan kan worden voortgezet. Naar het oordeel van de Afdeling is deze mogelijkheid niet voldoende tot uitdrukking gebracht in de bestreden plandelen. Daarbij neemt de Afdeling het volgende in aanmerking. Vast staat dat de buitenopslag niet mogelijk is op de gronden met de bestemming "Tuin". Gelet op de omvang van het plandeel met de bestemming "Wonen", de bestaande boerderij/woning en bijgebouwen die zijn bestemd binnen het bouwvlak dat is toegekend aan dit plandeel, de beperkte mogelijkheid om de gronden te gebruiken ten behoeve van erf, omdat het gelet op artikel 13, lid 13.1, van de planregels moet gaan om ondergeschikt gebruik, is naar het oordeel van de Afdeling ook niet aannemelijk dat de grootschalige buitenopslag kan plaatsvinden op de gronden met de bestemming "Wonen".

11. In hetgeen [appellant sub 1] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel te worden vernietigd, voor zover het betrekking heeft op de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin" ter plaatse van de [locatie 1] te Doesburg.

Beroep [appellant sub 2]

12. [appellant sub 2] richt zich tegen het plandeel met de bestemming "Tuin" betreffende zijn gronden aan de [locatie 2] te Doesburg, omdat het plan aan de zijkant van zijn woning ten onrechte niet voorziet in de mogelijkheid om een aanbouw te realiseren ten behoeve van mantelzorg. Hij betoogt dat dit in het vorige plan wel mogelijk was en dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom dat in dit plan niet mogelijk is gemaakt. Het realiseren van een aanbouw op een andere locatie gaat met veel hogere kosten gepaard. De raad heeft dat ten onrechte niet bij de belangenafweging betrokken.

13. De raad heeft toegelicht dat het plan in een actueel juridisch-planologisch kader voorziet en voor het perceel van [appellant sub 2] conserverend van aard is. In het plan is ervoor gekozen om de bouwvlakken voor de bestaande woningen strak om het bestaande hoofdgebouw te leggen. In het geval van [appellant sub 2] leidt dit ertoe dat de bouwmogelijkheden aan de zijkant van zijn woning zijn gewijzigd. Aangezien [appellant sub 2] geen bouwplan heeft ingediend strekt het te ver om van de bestemmingssystematiek af te wijken en deze ontwikkeling thans mee te nemen, aldus de raad.

14. Gelet op het conserverende karakter van het plan, de gehanteerde plansystematiek en de omstandigheid dat voor het bouwvoornemen waar [appellant sub 2] op doelt geen concreet bouwplan is ingediend, acht de Afdeling het niet onaanvaardbaar dat de beoogde uitbouw niet is bestemd. Overigens heeft de raad ter zitting aangegeven dat indien een bouwplan wordt ingediend door het gemeentebestuur in een afzonderlijke procedure zal worden bezien of daaraan medewerking kan worden verleend waarbij het gestelde kostenaspect in aanmerking zal worden genomen.

15. Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Proceskosten

16. De raad dient ten aanzien van [appellant sub 1] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van [appellant sub 3] en [appellant sub 2] bestaat geen aanleiding.

Opdracht

17. Uit het oogpunt van rechtszekerheid en gelet op artikel 1.2.3 van het Bro, ziet de Afdeling voorts aanleiding de raad op te dragen de hierna in de beslissing nader aangeduide onderdelen van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep van [appellant sub 3] voor zover gericht tegen de ongewijzigde onderdelen van artikel 15 van de planregels niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] gegrond;

III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Doesburg van 26 juni 2013 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Beinum 2012" voor zover het betrekking heeft op de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuinen" ter plaatse van de [locatie 1] te Doesburg;

IV. verklaart het beroep van [appellant sub 3] voor het overige, en van [appellant sub 2] geheel ongegrond;

V. draagt de raad van de gemeente Doesburg op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening, www.ruimtelijkeplannen.nl;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Doesburg tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 487,00 (zegge: vierhonderdzevenentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat de raad van de gemeente Doesburg aan [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt, ten bedrage van € 160,00 (zegge: honderdzestig euro), met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van staat.

w.g. Helder w.g. Ouwehand

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014