Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2014:1889

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
28-05-2014
Datum publicatie
28-05-2014
Zaaknummer
201306567/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Veghel-West, deelgebied Hoogstraat-Oranjewijk" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201306567/1/R3.

Datum uitspraak: 28 mei 2014

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Beleggingsmaatschappij ’s-Hertogenbosch B.V., gevestigd te Veghel,

appellante,

en

de raad van de gemeente Veghel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2013 heeft de raad het bestemmingsplan "Veghel-West, deelgebied Hoogstraat-Oranjewijk" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad en [appellante] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2014, waar [appellante], vertegenwoordigd door [appellante], directeur, bijgestaan door mr. M.B.Ph. Geeraedts, advocaat te ‘s-Hertogenbosch, en de raad, vertegenwoordigd door A. Munster en drs. M. Wijers, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan heeft de raad beleidsvrijheid om bestemmingen aan te wijzen en regels te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De Afdeling toetst deze beslissing terughoudend. Dit betekent dat de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Voorts beoordeelt de Afdeling aan de hand van de beroepsgronden of het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

2. Ter zitting heeft [appellante] de beroepsgrond over de keuze van de raad om geen woonbestemming aan het perceel NCB-laan 10 toe te kennen, ingetrokken.

3. [appellante] betoogt dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Verkeer" heeft vastgesteld voor de Noordkade. Zij is van mening dat de Noordkade de bestemming "Laad- en loswal" uit het vorige bestemmingsplan had moeten behouden. Zonder deze bestemming wordt [appellante] in haar bedrijfsmogelijkheden beperkt, omdat op de gronden met de bestemming "Verkeer" voorzieningen voor het laden en lossen van schepen niet zijn toegestaan.

3.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Noordkade niet meer in aanmerking komt voor de bestemming "Laad- en loswal". In de afgelopen jaren is nauwelijks gebruik gemaakt van de functie van de Noordkade als laad- en loskade. Voorts stelt de raad dat voor de Noordkade een nieuwe functie als langzaam verkeersverbinding wordt beoogd in verband met de voorgenomen transformatie van het bedrijventerrein aan de Noordkade.

3.2. Aan de Noordkade is de bestemming "Verkeer" toegekend.

Ingevolge artikel 11, lid 11.1, van de planregels zijn de voor "Verkeer" aangewezen gronden bestemd voor:

a. wegen;

[…].

3.3. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de bedrijfsvoering van [appellante] wordt beperkt door de toekenning van de bestemming "Verkeer" aan de Noordkade die in eigendom is bij de gemeente en een publiek karakter heeft. Daarbij is van belang dat [appellante] ter zitting heeft toegelicht dat zij voor het laden en lossen van schepen mobiele voorzieningen gebruikt en de raad heeft verklaard dat deze mobiele voorzieningen binnen de bestemming "Verkeer" zijn toegestaan. De Afdeling ziet geen aanleiding om de verklaring van de raad onjuist te achten. De raad heeft derhalve geen aanleiding hoeven zien de vorige bestemming "Laad- en loswal" voor de Noordkade te handhaven.

Het betoog faalt.

4. Voorts betoogt [appellante] dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" heeft vastgesteld voor de percelen NCB-laan 10 en Noordkade 5, voor zover een regeling ontbreekt waardoor bedrijfsactiviteiten van categorie 3.2 worden toegestaan als bedoeld in de Lijst van bedrijfsactiviteiten. Zonder deze regeling worden haar bedrijfsmogelijkheden beperkt. [appellante] voert aan dat bedrijfsactiviteiten van categorie 3.2 onder het vorige bestemmingsplan waren toegestaan. Voorts is op 23 april 2013 aan haar een omgevingsvergunning verleend, die in de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voorziet, voor het verrichten van overslagactiviteiten. Volgens [appellante] had de raad deze omgevingsvergunning in het plan moeten inpassen.

4.1. De raad stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat nieuwe bedrijfsactiviteiten van categorie 3.2 niet passen op het bedrijventerrein, omdat voor dit bedrijventerrein een transformatie wordt beoogd.

4.2. Aan de percelen NCB-laan 10 en Noordkade 5 is de bestemming "Bedrijf" toegekend.

Ingevolge artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels zijn de voor "Bedrijf" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven die zijn genoemd in de als bijlage opgenomen Lijst van bedrijfsactiviteiten onder de categorieën 1 en 2, met daaraan ondergeschikt kantoren, dienstverlening en een kantine ten dienste van het met de bestemming beoogde gebruik.

4.3. Niet in geschil is dat voormelde omgevingsvergunning betrekking heeft op het gebruik voor bedrijfsactiviteiten van categorie 3.2 en dat in het kader van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer een melding voor deze activiteiten is gedaan. Ter zitting heeft de raad erkend dat deze activiteiten ten onrechte niet als zodanig in het plan zijn toegestaan. Gelet hierop bestaat aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet met de te betrachten zorgvuldigheid is voorbereid.

Het betoog slaagt.

5. Voorts betoogt [appellante] dat de raad voor gebouwen op de percelen NCB-laan 10 en Noordkade 5 ten onrechte in een goot- en bouwhoogte van maximaal 7 m onderscheidenlijk 11 m heeft voorzien. Naar haar mening had de raad in een goot- en bouwhoogte van maximaal 15 m onderscheidenlijk 25 m moeten voorzien. Door te verwijzen naar de maximale bouwhoogte uit het vorige bestemmingsplan voor gebouwen in de directe omgeving van de percelen heeft de raad de maximale bouwhoogte voor gebouwen onvoldoende gemotiveerd. Ook betoogt [appellante] dat de raad voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak ten onrechte in een bouwhoogte van maximaal 11 m, in plaats van een bouwhoogte van maximaal 25 m heeft voorzien. Zij voert aan dat voormelde maximale bouwhoogten haar bedrijfsvoering beperken.

5.1. De raad stelt zich op het standpunt dat een goot- en bouwhoogte van maximaal 7 m onderscheidenlijk 11 m voor de gebouwen op de percelen passend is. De raad is voorts van mening dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van maximaal 11 m voldoende is.

5.2. Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder 3.2.2, van de planregels gelden voor het bouwen van hoofdgebouwen, niet zijnde bedrijfswoningen, de volgende bepalingen:

c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding;

d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven op de verbeelding.

Ingevolge onderdeel 3.2.5 gelden voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de volgende bepalingen:

d. de hoogte van de andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen het bouwvlak mag niet meer bedragen dan de maximale bouwhoogte van de gebouwen zoals is aangegeven.

Uit de verbeelding volgt dat voor de hoofdgebouwen op de percelen NCB-laan 10 en Noordkade 5 een maximale goot- en bouwhoogte van 7 m onderscheidenlijk 11 m is toegestaan.

5.3. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de raad voor de gebouwen op de percelen ten onrechte in een goot- en bouwhoogte van maximaal 7 m onderscheidenlijk 11 m heeft voorzien. De keuze van de raad om aan te sluiten bij de bestaande goot- en bouwhoogte van gebouwen ter plaatse van het nabijgelegen Heilig Hartplein en de NCB-laan, in plaats van bij de bouwhoogten van de silo’s op het bedrijventerrein, die ten westen van de percelen liggen, is niet onredelijk. Voorts heeft de raad voor de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij de bouwhoogte voor gebouwen van maximaal 11 m. Verder heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat haar bedrijfsvoering onaanvaardbaar wordt beperkt door de voorziene maximale goot- en bouwhoogten, nu niet in geschil is dat de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die op de percelen staan, als zodanig zijn bestemd.

Het betoog faalt.

6. Verder betoogt [appellante] dat de raad ten onrechte het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor het perceel Noordkade 5 heeft vastgesteld, voor zover niet mede voorzien is in de mogelijkheid om dit perceel voor detailhandel, anders dan een bouwmarkt, met een minimumvloeroppervlak van 750 m² te gebruiken. Onder verwijzing naar de ruimtelijke onderbouwing die zij voor deze ontwikkeling heeft opgesteld, voert zij aan dat het toestaan van detailhandel op dit perceel niet in strijd is met het gemeentelijke beleid. Volgens haar volgt dit ook uit de omstandigheid dat op 22 december 2013 aan Noordkade Ontwikkeling B.V. voor de realisatie van een kunst-, cultuur- en foodcluster met de mogelijkheid van detailhandel op een gedeelte van het bedrijventerrein een omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan is verleend. Voorts voert zij aan dat de beoogde transformatie van het zogeheten CHV-terrein nog twintig jaar kan duren en dat de verwezenlijking van de Masterplannen onzeker is geworden.

6.1. De raad stelt zich op het standpunt dat het toestaan van detailhandel op het perceel Noordkade 5 in strijd is met het gemeentelijke beleid, zoals dat is neergelegd in het Masterplan en de Detailhandelsvisie.

6.2. In het Masterplan Veghel-Centrum 2030 wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling voor het centrum van Veghel voor de periode tot 2030 beschreven. In het Masterplan Veghel-Centrum 2030 staat dat een centrum met twee polen wordt beoogd. De opgave voor de oostelijke pool, het huidige winkelgebied, is vooral gericht op het kwalitatief verbeteren van de bestaande functies voor detailhandel, wonen, horeca en cultuur. De opgave voor de westelijke pool rondom het Heilig Hartplein en de Noordkade ligt met name in het benutten van de vrijkomende ruimte op de Noordkade voor het realiseren van een programma dat past bij de schaal en dynamiek van deze plek. Daarbij kan worden gedacht aan bedrijvigheid, op bedrijvigheid gericht onderwijs en vermaak. Functies zoals een bedrijfsverzamelgebouw, een zalencentrum en een disco passen goed in dit beeld.

In het Masterplan CHV-terrein Veghel is het stedenbouwkundige plan voor de locatie ter plaatse van het Heilig Hartplein en de Noordkade opgenomen. In dit beleidsdocument staat dat detailhandel niet is toegestaan, omdat dit tot concurrentie zou leiden met het centrumgebied van Veghel. Thematische winkels kunnen wel een plek krijgen in dit gebied.

6.3. In het stelsel van de Wet ruimtelijke ordening is een bestemmingsplan het ruimtelijke instrument waarin de wenselijke toekomstige ontwikkeling van een gebied wordt neergelegd. De raad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met een particulier initiatief betreffende ruimtelijke ontwikkelingen, voor zover dat initiatief voldoende concreet is, tijdig kenbaar is gemaakt en ten tijde van de vaststelling van het plan op basis van de op dat moment bekende gegevens de ruimtelijke aanvaardbaarheid daarvan kan worden beoordeeld.

6.4. Daargelaten de vraag of uit de ruimtelijke onderbouwing een voldoende concreet initiatief voor detailhandel blijkt, heeft de raad zich terecht op het standpunt gesteld dat het toestaan van detailhandel op het perceel Noordkade 5 in strijd is met het beleid, zoals neergelegd in het Masterplan Veghel-Centrum 2030 en het Masterplan CHV-terrein, om detailhandel op het bedrijventerrein te weren.

De raad heeft in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien van dit beleid af te wijken. Daarbij is van belang dat hij aan het belang bij de ontwikkeling van het bedrijventerrein en het huidige winkelgebied een groter gewicht heeft mogen toekennen dan aan het belang van [appellante] bij de mogelijkheid van detailhandel. Voor de stelling van [appellante] dat de verwezenlijking van het beleid onzeker is geworden ziet de Afdeling geen aanknopingspunten. Voor zover [appellante] aanvoert dat de raad in de verleende omgevingsvergunning van 20 december 2013 aanleiding had moeten zien om van het beleid af te wijken, overweegt de Afdeling dat het besluit tot het verlenen van deze omgevingsvergunning van na de vaststelling van het plan dateert, zodat de raad daarmee geen rekening heeft kunnen houden. Voorts overweegt zij dat de vraag of de omgevingsvergunning op juiste gronden is verleend niet aan de orde kan komen in de voorliggende procedure.

Voor zover [appellante] aanvoert dat de vestiging van thematische winkels niet in strijd is met het Masterplan, overweegt de Afdeling dat het plan conserverend van aard is en dat de raad in redelijkheid niet op de toekomstige ontwikkeling van het plangebied vooruit hoefde te lopen. Daarbij komt dat uit de ruimtelijke onderbouwing niet is gebleken dat [appellante] concrete plannen heeft voor een dergelijke winkel. Gelet op het voorgaande heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om in het plan een regeling op te nemen die detailhandel op het perceel Noordkade 5 mogelijk maakt.

Het betoog faalt.

7. In hetgeen [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het ontbreken van een regeling voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor de percelen NCB-laan 10 en Noordkade 5, waardoor bedrijfsactiviteiten van categorie 3.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten als zodanig worden toegestaan, is genomen in strijd met artikel 3:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd.

8. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor de percelen NCB-laan 10 en Noordkade 5 met inachtneming van deze uitspraak een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen.

9. De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Veghel van 23 mei 2013, voor zover het betreft het ontbreken van een regeling voor het plandeel met de bestemming "Bedrijf" voor de percelen NCB-laan 10 en Noordkade 5 waardoor bedrijfsactiviteiten van categorie 3.2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten als zodanig worden toegestaan;

III. draagt de raad van de gemeente Veghel op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het onderdeel genoemd onder II en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV. veroordeelt de raad van de gemeente Veghel tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Beleggingsmaatschappij ’s-Hertogenbosch B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.013,74 (zegge: duizenddertien euro en vierenzeventig cent), waarvan € 974,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat de raad van de gemeente Veghel aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [appellante] Beleggingsmaatschappij ’s-Hertogenbosch B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.C. Kranenburg, voorzitter, en mr. J. Kramer en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van staat.

w.g. Kranenburg w.g. Van Hardeveld

voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2014

350-629.